Van Tholen naar Rotterdam
Uit het leven van Jan Marinus de Jonge
Jan Marinus de Jonge voelde wel dat hij uit Tholen moest vertrekken, er waren daar voor hem en zijn opgroeiend gezin geen perspectieven. Maar zonder de Heere wilde hij niet gaan. Het was zijn gebed: ‘Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons vanhier niet optrekken.’ Echter, antwoord op zijn gebed kreeg hij aanvankelijk niet.
In 1860 telde Rotterdam zo’n 100.000 inwoners. Rond de eeuwwisseling woonden er ruim 300.000 mensen in de Maasstad. In de jaren tot aan 1940 verdubbelde dit aantal nog eens. Er werden veel havens aangelegd, en de werkgelegenheid nam daardoor zeer toe. Door annexatie van nabijgelegen gemeenten groeide Rotterdam van nog geen 750 hectare oppervlakte in 1860 naar 10.000 hectare in 1930. Vooral ook uit Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden trokken velen naar Rotterdam.
Armoe
Jan Marinus de Jonge werd op 28 juni 1866 in Tholen geboren. Zijn ouders waren Benjamin de Jonge en Antje Huberdina Schot. Hij trouwde in 1889 met de drie jaar jongere Maria van Stee, geboren in Sint-Annaland. Uit het huwelijk werden acht kinderen geboren, vier jongens en vier meisjes. Een dochtertje is overleden toen ze nog maar een half jaar oud was. Jan de Jonge was visser, een beroep dat ook zijn voorgeslacht generatie op generatie had uitgeoefend. De vangsten waren wisselend en daarom het inkomen ook. ’s Winters viel er heel weinig te verdienen. Dan was het armoe. Voorheen was er nog werk te krijgen op de meestoven. Daar werden de meekrapwortels verwerkt. De wortels werden in de stoof schoongemaakt, gedroogd, gedorst, gestampt en gemalen tot meekrappoeder. Voor dit poeder was er zelfs een beurs in Rotterdam. Het verfpoeder werd verkocht aan wolververijen en textieldrukkerijen. Hier en daar herinnert een straatnaam nog aan de meestoof. In Stavenisse heb je bijvoorbeeld de Stoofdijk.
In 1874 waren er nog bijna 2.700 meestoven, twintig jaar later nog maar zo’n 200. Oorzaak was de opkomst van synthetisch geproduceerde kleurstoffen. Wie trouwens iets meer wil weten van de meekrapcultuur moet eens gaan kijken in het Streekmuseum De Meestoof in Sint-Annaland. U wordt daar hartelijk welkom geheten door vriendelijke mensen en er is veel te zien. Neem er gerust de tijd voor.
Een biddende vader
Van het geestelijk leven van Jan Marinus de Jonge is niet zoveel bekend. Hij sprak meer met zijn leven dan met woorden. Soms zagen de kinderen als hij uit zijn bidvertrek kwam een glans op zijn gezicht liggen. Dat legde beslag bij hen.
Hij was ook voor zijn kinderen een biddende vader. Wanneer hij na een week vissen weer thuiskwam, was het zijn gewoonte om eerst met zijn kinderen te bidden om vergeving van wat ze in de afgelopen dagen verkeerd gedaan hadden. Straffen deed hij niet zozeer, maar het gebed om vergeving maakte grote indruk op de kinderen. Want het liep altijd uit op de ootmoedige erkenning: ‘Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet één.’ Ook dat legde beslag.
De Jonge had een nauwgezet, aangebonden leven, maar verder was hij niet wereldvreemd. Zijn zwager Duije Roukema, ook een godvrezende man – hij was ook een bekende in het gezelschapsleven op Tholen – had eens een schaatswedstrijd gewonnen. Een schaatswedstrijd, nee, dat is toch niet iets waar je aan mee moet doen, zou je denken. Maar Duije Roukema had de schaatsen ondergebonden, en hij had ook nog de eerste prijs gewonnen. Dan moet je niet denken aan een geldbedrag waarvoor je een huis kon kopen, zoals dat in die tijd in Friesland wel voorkwam. Nee, de eerste prijs op Tholen was een worst. Die hing ook nog in een paal, en je moest dus ook nog goed kunnen klimmen. Duije Roukema kwam toen die worst bij zijn zwager Jan de Jonge brengen. Die was er dankbaar voor en hij zag er Gods goedheid in. ‘Dat nu God de wateren heeft doen verstijven om mij die worst te bezorgen!’
Antwoord
Vaak had Maria de Jonge-van Stee er bij haar man op aangedrongen dat ze uit Tholen moesten vertrekken. Er was in de stad en eigenlijk op het hele eiland weinig werkgelegenheid. Haar man verdiende als visser een karig loon, het was armoe troef in het huisje in de Bebouwdendam in Tholen, waar het gezin woonde.
Moeder De Jonge was een kordate, doortastende vrouw. Dat nam niet weg dat haar man meestal ‘Marija-lieve’ tegen haar zei. Ja, Jan de Jonge was het helemaal met zijn vrouw eens, ze moesten weg uit Tholen. Maar zonder de goedkeuring van de Heere durfde hij zo’n gewichtige stap niet te ondernemen. Hij had het in het gebed de Heere voorgelegd en ook gevraagd: ‘Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons vanhier niet optrekken.’ Maar hij had geen antwoord ontvangen. Zijn vrouw bleef aandringen, en hij zag de noodzaak van verhuizen ook maar al te goed in en toen heeft hij het besluit genomen om toch maar naar de Maasstad te verhuizen. Alle huisraad was al ingepakt en alles stond al op de boot naar Rotterdam. Maar toen De Jonge vlak voor het vertrek zijn knieën boog, kreeg hij opnieuw geen antwoord. Toen zijn alle spullen weer afgeladen, want hij durfde zo niet te vertrekken.
Maar daarna is het gebeurd dat hij wél antwoord kreeg; ‘Trek op, want Ik God ben uw God en de God van uw zaad tot in eeuwigheid.’
Een vrije dag
Op 3 augustus 1909 vestigde het gezin De Jonge – vader en moeder en zeven kinderen – zich in Rotterdam. Ze gingen wonen in de Hendrik de Keyserstraat in Oud-Crooswijk. Met het rondbrengen van petroleum probeerde De Jonge aan de kost te komen. De petroleumman was in die tijd een bekende verschijning op de straten. ‘Peterolieboer’ – zo heette het in de volksmond, maar op het stadhuis werd in de Burgerlijke Stand vermeld: petroleumbezorger. Overigens werd later als beroep van De Jonge ook vermeld ‘loopknecht’ en ‘pakhuisknecht’.
Kerkelijk sloot het gezin zich aan bij de Gereformeerde Gemeente aan de Boezemsingel, waar ds. G.H. Kersten predikant was. Ds. Kersten kende De Jonge wel, hij had hem in Tholen al eens ontmoet. Kort na zijn vestiging in Rotterdam trof ds. Kersten De Jonge eens aan achter zijn petroleumkar. ‘Wel, De Jonge, wat dacht je, ze hebben daar nog geen armen genoeg, ik zal maar eens naar Rotterdam gaan?’ Maar toen vertelde De Jonge hoe hij in Rotterdam gekomen was. Ds. Kersten ontroerde ervan.
Het is eens gebeurd dat hij terwijl hij met zijn petroleumkarretje rondliep, een kind van God ontmoette. Ze raakten met elkaar in gesprek en ze vergaten de tijd, het spreken uit eigen ervaring over de wegen die de Heere met Zijn volk houdt duurde een groot deel van de dag. Ze zaten op een bankje en een dienstbode kon horen wat ze tegen elkaar zeiden. Wat ze hoorde is voor die dienstbode tot zegen geweest, zo is bekend uit familie-overlevering.
Zo maar het werk in de steek laten, kon dat wel? Nee, het was niet de gewoonte van De Jonge om dat te doen, want het was een plichtsgetrouwe man. Maar in dit geval zei hij: ‘Ik heb een vrije dag van de Heere gekregen.’
Zegen
Achterkleindochter Leny is in het bezit van een viertal boeken die ooit het eigendom waren van haar overgrootvader. Het gaat om de Keurstoffen van Smijtegelt, De Viervoudige staat van Boston, de Twintig oefeningen van Hendrik van Lis en Zions roem en sterkte van Arnoldus Rotterdam. In alle vier de boeken staat voorin een gedichtje. De viervoudige staat was een geschenk van Hendrika de Jonge aan haar broer. Zij was getrouwd geweest met Duije Roukema, overleden in 1932. Het gedichtje luidt als volgt:
Wel tot Leenen
Maar niet tot (h)ouwen
Vrindt leen ik dezen boek.
Legt papier in gene vouwen
Smijdt hem tog in geen hoek.
Want als ik daar achter komen
Zoo krijgt gij hem dan niet meer
Dan wordt hij hem afgenomen
En gij krijgt hem Nimmermeer.
Zo te zien zijn de boeken intensief gelezen. Wie zal zeggen hoeveel zegen hij onder het lezen genoten heeft.
Een Koninklijke begrafenis
Op 8 februari 1945 is Jan Marinus de Jonge op 78-jarige leeftijd overleden. De begrafenis vond plaats op de begraafplaats Crooswijk en werd geleid door student M. Blok. Op 18 september 1945 zou deze bevestigd worden als predikant van de Gereformeerde Gemeente te Zeist. De studenten waren in die tijd allemaal woonachtig in Rotterdam, dat wilde ds. Kersten zo. Ze verlichtten de zware taak in zijn gemeente door onder meer te catechiseren en begrafenissen te leiden. Student Blok vroeg aan de oudste zoon wat voor iemand zijn vader in geestelijk opzicht geweest was. Deze zei niet veel. Student Blok zei toen: ‘Maar dat is dan vreemd, ik ben vanmorgen van huis gegaan in de gedachte een Koningskind te gaan begraven.’ Toen kwamen de tongen los. Jan Marinus de Jonge heeft een Koninklijke begrafenis gekregen.
Van links naar rechts: Benjamin (1896-1985). Hij had als brouwmeester bij Heineken een goede positie in Nederlands-Indië. Hij en zijn vrouw hebben in een Jappenkamp gezeten, maar daar wilden ze nooit over spreken. Antje Huberdina (1889-1960), Abraham Benjamin (1891-1975), vader Jan Marinus (1866-1945), Hendrik Clement (1905-1967). Een van zijn drie dochters was Martha. Zij trouwde met Christiaan van der Poel, die van 1965 tot zijn emeritaat in 2001 de Gereformeerde Gemeente te Yerseke als predikant gediend heeft. Hij heeft diverse begrafenissen geleid van leden van de familie De Jonge. Jobje (1904-1972), moeder Maria van Stee (1869-1948), Hendrina Adriana (1895-1914) en Jacob Marinus (1900-1981). De laatstgenoemde trouwde met Lena Stolk. Zij zijn de grootouders van mijn vrouw. Jacob was op de foto tien jaar oud. Hoe lang zal hij toen geweest zijn? Eén meter 40? Dan zal zijn vader niet veel langer geweest zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 2023
Oude Paden | 64 Pagina's