Watersnood rond Dirksland: ‘Wij konden in geen angst komen’
‘Zijn’ is de zee, z’ is door Zijn kracht met al het droge voortgebracht, ’t moet alles naar Zijn wetten horen.’ Cornelia Ruit moest er maar steeds aan denken nadat een watersnood Zuidwest-Nederland trof. Een groot deel van Goeree-Overflakkee vloeide in 1953 onder. Dirksland bleef echter droog. Een bijzonder dorp? ‘O nee.’
In haar gepubliceerde herinneringen schreef Cornelia Ruit (1893-1986) over de aardbeving van 11 juni 1938 en ook kort iets over de oorlog. De watersnood vermeldde ze niet. Uit een brief blijkt echter hoe ze die periode heeft beleefd. Ze schreef die aan ouderling A. Ros van de Gereformeerde Gemeente in Sprang-Capelle.
De rampspoed was voor Cornelia niet geheel onverwacht gekomen. ‘Wij waren de laatste maanden zo gejaagd en we vonden de wereld zo benauwd. Alsof er wat zou gaan gebeuren. En toen het kwam, waren wij inwendig stil. De Heere was gekomen als een dief in de nacht, met het water waar niemand aan dacht. Wij konden nergens inkomen.’
Zowel bij Stellendam als bij Herkingen brak op 1 februari 1953 de dijk door en stortte het water van de Grevelingen zich in de laaggelegen polders. De situatie was kritiek, vooral toen het weer vloed werd. De Geldersedijk, die Dirksland met Herkingen verbindt, dreigde die zondagsavond te breken. ‘Daar kwam op vele plaatsen het water door’, schreef Cornelia. ‘Alle aangezichten betrokken als een pot. En Dirksland ligt zo laag.’
Kerkgebouw
Met man en macht werd er gewerkt om de dijk te behouden. Honderden inwoners hielpen mee om een wal van zandzakken te plaatsen. De dijk hield het, maar hoe lang nog?
Een groot deel van het eiland was ondergestroomd. ‘Bij tante Kee en bij een zoon van oom Kobus stond een meter water in huis. Bij oom Kobus (ouderling J. de Wachter, LV) tot de vloer. En zo was daar alles water rond Sommelsdijk, tot Nieuwe-Tonge, tot hier de kerk, maar daar is het niet in geweest, wel een beetje in de consistoriekamer.’ De kelder van het kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente liep wel vol, en daardoor werd de centrale verwarming beschadigd.
Polder de Oude Plaat liep onder, maar de rest van Dirksland bleef droog. Er vielen geen slachtoffers in het dorp. Het werd een toevluchtsoord voor velen die elders op het eiland aan het water ontkwamen. Veel evacués gingen vanuit Dirksland door naar Rotterdam.
Niet weg
Cornelia’s moeder, de 85-jarige Anna Ruit-de Wachter (1867-1961), zei: ‘Ik heb wel een hoopje dat het hier droog zal blijven, maar ik heb geen geloofskracht genoeg, want ik word soms zo geschud.’ Cornelia zei: ‘Moeder, dan moet u maar niet profeteren, want de mensen keken naar je mond om.’ Ze keken of vrouw Ruit wist wat er zou gaan gebeuren.
Zelf was Cornelia niet bevreesd: ‘Wij konden in geen angst komen. Toen moeder weer zo geschud werd omdat het zo kritiek stond –want dat duurde een paar dagen–, toen kwam met kracht in haar hart: ‘Ik zal u bewaren als het zwart des oogappels.’ Dat heeft de Heere dan ook tot hiertoe gedaan.
Veel spanning doorgemaakt. Wij kregen aanzegging dat de zieken weg moesten. En ik lig al zeven maanden en had er ontsteking aan de blaas bij en niergruis. Ja, dat was wat. Wij besloten om dan allemaal maar naar Bram te gaan (Cornelia’s broer Abraham, ouderling in Rotterdam-Centrum, LV). Maar we hadden het er erg benauwd mee.
’s Morgens om vijf uur liep Maartje over de vloer. Ik zeg: ‘Wat doe je?’ Ze zei: ‘We gaan niet weg. We blijven op dat droge plaatsje dat de Heere ons gegeven heeft. Als ik dat besluit, dan krijg ik rust, en als ik weg wil, dan ben ik als de baren van de zee.’ Ik zei: ‘O, ja hoor, onze tijden zijn in Gods hand, en als ik niet moet, dan blijf ik ook hier en anders zal ik wel alleen gaan.’ En moeder sloot er ook bij in.
Maar de dokter zei: ‘Als u maar zegt dat u lopen kan, mag u wel blijven, maar dan op eigen risico.’ Een aanzegging: als er bij nood de sirene gaat, dan moeten we naar de Molendijk vluchten.’
Gespaard
Moeder Ruit en haar twee ongetrouwde dochters bleven in hun huis aan de Secretarieweg, waar later een deel van het Van Weel-Bethesdaziekenhuis stond. Cornelia realiseerde zich dat het niet ongevaarlijk was: ‘U begrijpt, wij zitten nu in een opengebroken stad zonder muren of poorten. Bij Lena van Jacob komt bij hoogwater met stil weer het water nog bij haar achterdeur. En zo is het door het hele eiland.
De dokter zei: ‘Als het voor een derde deel herhaalt, vloeit Dirksland helemaal onder, want dat is zo laag.’ Maar ik kreeg dadelijk zo in mijn hart: ‘Zijn’ is de zee, z’ is door Zijn kracht met al het droge voortgebracht, ’t moet alles naar Zijn wetten horen.’ Ik zeg: ‘Ook de golven kunnen niets doen als de Heere ze het niet gebiedt.’’
‘Wij mogen u dan ook door ’s Heeren goedheid nog melden dat wij nog op een droog plaatsje in ons eigen huis hebben mogen blijven’, schreef Cornelia aan de familie Ros. ‘O, geliefden, wat heeft de Heere gesproken. Wat heeft de Heere Zijn majesteit tentoongespreid en wat heeft Hij Zijn almacht betoond, zowel in de wateren te stillen als om door de woeste golven zovelen van ons land te verzwelgen. O, het kan nog maar niet diep genoeg tot ons doordringen dat de ramp precies langs ons dorp heenging en wij gespaard bleven. O geliefden, daar wisten wij geen plaats voor. Alleen als hij eens even in dat dierbare bloed van Christus terechtkwam, daar is er plaats voor.’
Niemand kwijt
Anderen waren hun huis kwijt, of het stond onder water. ‘Zo mogen wij dan nog in ons eigen huisje verkeren. En o, geliefden, zal ons land zich verootmoedigen? O, wij vrezen van niet. O, dat is het grootste oordeel. O, je gevoelt het van je eigen hart af. ’s Maandags gevoelde ik het zo. Ik geloofde dat de Heere de roede nog niet heeft opgeheven. O, nu zal het voor Gods Kerk altijd een Vaderlijke roede zijn, maar o, het kan weleens diep voor ’t vlees gaan. Want, zo u ook schreef, enerlei lot wedervaart hem.’
Het was de briefschrijfster een wonder dat haar hele familie het had overleefd: ‘O, dat wij nu niemand kwijt zijn. Daar Lena van Jacob met haar gezin vlak onder de zeedijk wonen en zijn zo weg moeten vluchten. Alles is bedorven. Bij Wim ook nog bijna een meter in huis en bij Jacob tot buiten voor de deur.’
Cornelia’s buren hadden wel erge berichten gekregen: ‘Een heel gezin van zes mensen van hun dochter op Battenoord met huis en al weggeslagen, en nog een broer van haar met zijn vrouw. Een vriend van ons, Luik uit Rotterdam, heeft 21 familieleden te betreuren’ (ouderling W. Luijk van Rotterdam-Zuid was afkomstig uit het zwaar getroffen Stavenisse). In een hoekje van het papier schreef Cornelia erbij: ‘Op Melissant ook nog een gezin met acht mensen verdronken.’ Dat zal in de omgeving zijn geweest, want in het dorp zelf kwam niemand om.
‘O, mochten wij toch allen tezamen eens in diepe verootmoediging wegzakken in stof en as’, verzuchtte Cornelia Ruit. ‘O, wat zou dat een zoet plaatsje zijn. Maar hij ziet het wel liggen en persoonlijk mag hij er weleens wat van proeven, maar dan is hij er nog niet.’
Genade bewezen
Toen de Duitsers begin 1944 een deel van de kuststrook onder water hadden gezet om een landing van de bevrijders te bemoeilijken, was Dirksland droog gebleven doordat er een wal om het dorp werd aangelegd. ‘Eduard Les zei: ‘Dirksland is een bijzonder dorp; eerst een wal eromheen met de oorlog en nu weer zo.’ Ik zei: ‘O nee’, uit het diepst van mijn hart, ‘in Dirksland wonen de ondeugendste mensen. Die heeft de Heere nu genade bewezen.’ Het zijn de goedertierenheden dat wij niet vernield zijn. Dat preekte ds. Vergunst de tweede zondag hier na de ramp. Dat was zo echt op zijn plaats.’
Op zondag 8 februari was ds. G. Zwerus voorgegaan, die Middelharnis had moeten verlaten. Hij sprak over Psalm 29:10: ‘De Heere heeft gezeten over den watervloed.’ Een week later leidde ds. A. Vergunst uit Zeist de morgendienst in Dirksland.
Er kwamen aangrijpende berichten uit andere dorpen op het eiland. Vooral Oude-Tonge betreurde veel slachtoffers. ‘Wat heeft het de familie Les diep getroffen, hè?’ schreef Cornelia Ruit. ‘En wat zijn er nog velen van Gods volk ook mee weggenomen. Potappel ook, van Stavenisse. Maar daar was het voor een eeuwige verlossing. Daar is de zee niet meer. Kee Hoek is een dag of wat later in Rotterdam gestorven. Ook vrouw Boom.’
Kee Hoek, zo werd de 72-jarige Cornelia van den Hoek uit Sommelsdijk genoemd. Na de ramp was ze naar Rotterdam geëvacueerd. Ze werd ziek en op dinsdag 17 februari is ze overleden. Tijdens haar laatste levensjaren was ze verzorgd door M. van der Boom (ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Middelharnis) en zijn vrouw (die daar kosteres was). Mevrouw Van der Boom kon de begrafenis van Kee niet bijwonen, want ze lag in het ziekenhuis. Tijdens de begrafenis werd Van der Boom weggeroepen, om te vernemen dat zijn vrouw plotseling was overleden. Sientje van der Boom-Harder was 59 jaar.
Twee dagen na elkaar
Cornelia Ruit rondde haar brief af: ‘Zijt nu met al uw kinderen en Pie en al het volkje van ons allen hartelijk gegroet. Moeder, Maartje en mij, uw liefhebbende vriendin C. Ruit.’
Cornelia is 33 jaar na de watersnood overleden, op 31 januari 1986. Ze was 92 jaar. Twee dagen later stierf Maartje, haar zus, die bijna 89 was. De volgende dag werd ouderling C. Noorloos van de Gereformeerde Gemeente in Meeuwen begraven. Ds. L. Vogelaar zei in zijn toespraak: ‘Wij vliegen tezamen naar die allesbelissende en nimmer eindigende eeuwigheid. Wij hoorden vanmiddag nog even van die twee dames Ruit, die ook zo plotseling gestorven zijn, maar we mogen ook van hen geloven dat zij in de Heere gestorven zijn. De waarheid zegt: Zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 2025
Oude Paden | 64 Pagina's