Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘Och, wat zal het in Jeruzalem geweest zijn ...’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

‘Och, wat zal het in Jeruzalem geweest zijn ...’

Johanna Bührmann-Kamphuis (1872-1959) over het bombardement op Enschede in 1944.

19 minuten leestijd

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn ook veel slachtoffers gevallen als gevolg van bombardementen die door de geallieerden werden uitgevoerd. Soms was daarbij sprake van inschattingsfouten. Dat was waarschijnlijk ook het geval bij het bombardement van 22 februari 1944 in Enschede. Daarbij vielen in Enschede 40 doden. 41 personen raakten zwaargewond.

Ook andere steden werden zwaar getroffen. In Nijmegen waren ruim 800 doden. Aangenomen wordt dat de Amerikaanse piloten dachten dat ze de bommen lieten vallen op Duitse steden. Deze bombardementen worden om die reden ook wel aangeduid als ‘vergissingsbombardementen’.

Bij het bombardement in 1944 werd ook het kerkgebouw van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Enschede verwoest.

Johanna Antonia Bührmann-Kamphuis, lid van deze gemeente, deed verslag van de gebeurtenissen in een brief aan de familie Versendaal in Strijensas.

Het contact met deze familie was waarschijnlijk ontstaan via de familie Van Driel in Dordrecht. Een dochter van vrouw Bührmann is een keer in Strijensas bij de familie Versendaal geweest. Het contact werd via briefwisseling onderhouden.

Johanna Antonia Kamphuis werd geboren te Dieren (gemeente Rheden) op 26 januari 1872. Haar ouders waren Evert Jan Kamphuis en Anna Antonia van den Burg. Ze trouwde op 18 mei 1899 te Enschede met Jacobus Bührmann (1876-1950). Bührmann was loodgieter van beroep. Rond 1920 startte hij de ‘firma J. Bührmann Centrale verwarming, sanitaire installaties, oliestookinrichtingen’. Ze woonden aan de Usselerweg nummer 37-39.

Vrouw Bührmann voelde zich thuis bij de bevindelijke richting in de Christelijke Gereformeerde Kerken. Uit de brieven blijkt dat ze zich zorgen maakte over een andere geloofsbeleving die ze in haar omgeving opmerkte. Kerkistisch was ze niet. Op 7 april 1946 schreef ze: ‘Ik heb nog eens met genoegen gelezen de preken van ds. Fraanje. Ik mag horen bij die algemene christelijke Kerk waar Jezus Koning is, de muren moeten geen leven verwijderen.’

Bekeringsweg

In de brieven deelde ze iets mee over haar levensweg. In een brief van 5 juni 1943 (gericht aan Jacob Versendaal) vertelde ze wat er gebeurde toen ze negentien jaar was. ‘Alle beweegoffers die ik maar bedenken kon om God te bewegen haar zonden te vergeven’ raakte ze kwijt. Toen liet ‘de Heere mij horen en zien: Ik heb verzoening en wil niet dat deze in verderf dale. Ik schrijf het niet goed, de Heere zei: Vader, Ik wil niet enz. O wat een blijdschap. Ik bezat alles, meende ik: Vader, Zoon en de Heilige Geest. Al moest ik nu droog brood eten, alles was goed.’

Via een brief had ze haar moeder ervan op de hoogte gesteld. Het antwoord dat ze van haar moeder kreeg viel bij Johanna verkeerd. Ze maande haar tot voorzichtigheid en schreef: ‘De duivel kan zich voordoen als een engel des lichts.’ Johanna werd boos en ging opnieuw aan het werk om haar leven te beteren. ‘Als het van de Heere was moest het zo gaan. En dan ging het een poosje goed en had ik hoop, maar dan lag alles weer in duigen. En het ging zo ver dat alles er aan ging.’

Toch wist haar moeder dat de Heere Zijn genade in het leven van Johanna zou verheerlijken. Zowel haar moeder als ds. H.M. van der Vegt (die toen de Christelijke Gereformeerde Kerk te Arnhem diende) hadden voor haar geboorte mogen geloven dat Johanna ‘een vrucht voor de Heere’ was. Haar moeder had echter ‘niets als vijandschap’ aan haar beleefd, schreef Johanna aan de fam. Versendaal, maar ds. Van der Vegt had nog mogen meemaken dat het genadewerk in haar leven doorbrak. Johanna was ‘nog doorgegaan’, totdat ze drie jaar getrouwd was.1 ‘En nog wel eens indrukken, maar overal over heen. O, wat een geduld. ... O, de opzoekende liefde en geduld. En toen berouw: O, had ik dit maar gedaan en dat niet, kon ik het maar beter maken. En zo bedroefd en de Heere liet mij zien: goed geschapen, niet Adam, maar ik. En nu moet God de zonde straffen als ik niet in die Borg bedekking had. ... Dan wordt het nood, dan is de tijd voorts kort.’ Toen zij Adam voor God werd, bleef de Tweede Adam niet achter. ‘En ik heb veel van de Heere mogen ondervinden, met Johannes op Patmos als dood gevallen, en Hij legde Zijn rechterhand op mij en leef en veel meer, als een Jozua en de schuldvergeving enz. En toch achter het geheim nog niet zien, al maar voortgaande.’

Door U, door U alleen

Met dat alles was ze niet uitgeleerd. ‘Maar nu te leren: Ik doe het niet om u, maar om Mijns groten Naams wil alleen. Om dat welbehagen dat God een volk wil hebben, dat volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. Nu erin mogen blikken: van eeuwigheid behouden. De Heere zegt: Zij waren de Uwen, Gij hebt ze Mij gegeven. En dan te beleven: onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, als een vijand gezaligd en een goddeloze bedekt.

En toen ik uw brief kreeg, was ik er zo blij mee. Maar toen ik het vaker las alweer: wat heeft de Heere toch een geduld met Zijn volk om te leren: Door U, door U alleen, om dat eeuwig welbehagen.’

Die taal hoorde ze in haar eigen omgeving niet vaak. ‘Ik heb hier niet veel waar ik me aan kwijt kan, maar de Heere maakt alles goed. Men meent: dat behoeft zo niet, velen van jongs af bekeerd en niet nodig met David te schreien: De zonde maakt mij ‘t voorwerp van Uw toorn, reeds van het uur van mijn ontvang’nis af.’ Velen ‘hebben wel eens een tekst waar ze zich mee troosten, maar geen verbreking, geen vreze Gods. ... Geen ongelukkig mens die roept: Geef mij Jezus of ik sterf, buiten Hem is geen leven maar een eeuwig zielsverderf.

De Heere vraagt waarheid in het binnenste en de Heere maakte de Zijnen waar. Die bidden: Doorgrond en ken mijn hart, o Heere enz. En die zijn bang omdat er zo veel anders woont. Bekeer mij, o Heere, en trek mij.’

De reis was te ver om elkaar op aarde te kunnen ontmoeten. ‘Het is te ver, maar wachten tot Boven.’ Daar zouden ze elkaar eenmaal ontmoeten waar ‘allen vol zullen zijn met: Door U, door U alleen, Amen.’

Toen ds. W.F. Laman een zondag in Enschede voor moest gaan (waarschijnlijk in 1946) bracht hij ’s zaterdags een bezoek aan vrouw Bührmann. ‘Wij hebben makkelijk mogen spreken,’ schreef ze. Vrouw Bührmann leed aan verkalking. Ze kreeg moeite met lopen, problemen met haar gehoor, en ook haar gezichtsvermogen ging achteruit. Haar dochter schreef er op een papiertje bij: ‘Ze heeft nog zo graag een brief, ze heeft hier haast geen contact. Dat was zo mooi dat het met ds. Laman vlak viel.’

Verwoesting

In de oorlog deed vrouw Bührmann vrij uitvoerig (hoewel in afgebroken zinnen) verslag van de gebeurtenissen in Enschede. Op zondag 10 oktober 1943 vielen als gevolg van (waarschijnlijk) een vergissingsbombardement 151 doden. Ruim 400 mensen raakten gewond. In een brief gedateerd 5 december 1943 blikte ze hier op terug : ‘Wat moest het bij ons wel wegen: Ik onderwind mij tot U te spreken, daar ik stof en as ben. Ook bij deze tijden, als we de oordelen horen en zien. Hier ook een verwoesting geweest. In ene week 146 begraven, hele gezinnen. En (er zijn) veel troostwoorden gesproken op het kerkhof. En ik tobben zo weinig gevoel te hebben. En mijn gedachten waren bij Amos 6 vers 10. In de eerste hoofdstukken was het: waarschuwen, maar niet bekeren. En dan worden (de mannen uit vers 9) uit een huis gehaald door een vriend, die zegt: ze zijn er niet meer. Zwijg, want ze waren niet om Zijn lof te vermelden. O, dan is het zo’n wonder dat de Heere de aarde nog draagt. En voor die de Heere nog heeft willen aanzien, dat die zo buiten elkander kunnen.

Och dan kan vreze ons nog bevangen dat we er nog niet zijn. Vorige week hoorde ik ook weer wat (ik ben nogal doof dus ik hoor maar weinig), maar de vijandschap ontziet niets. Mijn zoon werkt in Duitsland, van half zes tot negen uur ’s avonds. Onze knechten zijn weg, dan is er zorg voor de zaak. Alles afnemen wordt afgenomen van de mensen, dan de ellende in de kampen. Brak dat nu het hart (ach wat is het anders). En ik werd in mijn gedachten hierbij gebracht: de algemene genade is nog zo groot, dat wij nog zo vrij kunnen lopen. Maar als de Heere de algemene genade maar iets intrekt, wat is dan de mens.

De Duitsers hebben ook alles weg, huis, kinderen en vrouw, alles. En de meesten hebben geen God. Wat blijft er dan over als wraak tegen elkander. En nu die eeuwigheid, waarvan de Heere Zelf zegt: vreeslijk te vallen in de handen van een levende God. O, dan geen verademing. Och dat er een roepen mocht wezen tot de Heere. Dan denk ik: hoe bestaat het dat ik nog slapen kan, alleen nog om de mijnen. O, dat welbehagen in mensen is de enige kans, dat wonder die het mag gebeuren. Ach mocht er een aanbidding wezen. De Heere plaagt de mensen niet van harte. Och, dat wij roepen mochten.’

Ds. K. Groen

Vrouw Bührmann memoreerde het overlijden van ds. K. Groen. Ze kende hem al voordat hij predikant was, omdat hij in Enschede gewoond had. ‘Ds. Groen is ook ontslapen. Hij is verlost, maar wij kunnen hem zo node missen. Krijgt u ds. Smits nog wel eens op bezoek? Die mag er ook zo achter kijken.

Ik kan niet meer lopen, wel zo in huis. Maar veel bezoek krijg ik ook niet. Maar de Heere weet waar ik woon.’

Het duurde wel even voordat deze brief verstuurd werd. Ze voegde er nog wat bij, ‘al weer 8 dagen later’. ‘O, onze zoon werkt in Duitsland en moet zo hoesten. En nu hebben wij weer een knecht gekregen en onze jongen niet. En hij tobt er over, maar buigen is anders, maar toch zijn we er mee bewogen.’

Ze eindigde met: ‘Tot ziens waar niemand maar alleen de Heere ons Deel, ons doel zal wezen.’

Bewaard

In februari 1944 kwam de verwoesting nog veel dichterbij, de woning van Bührmann bleef echter gespaard. Op dinsdag 22 februari bombardeerden de Amerikanen opnieuw doelen in Enschede. Vanwege de weersomstandigheden konden ze hun missie naar het Duitse Gotha niet uitvoeren en werden andere doelen getroffen. Aangenomen wordt dat ze in de veronderstelling waren nog boven Duitsland te vliegen. Om 12 minuten over één veranderde een gedeelte van de stad Enschede in een puinhoop. Ongeveer 40.000 brandbommen en vijf zware brisantbommen kostten veertig mensenlevens en richtten ontzaglijk veel schade aan.

Op 12 maart deed vrouw Bührmann verslag van de gebeurtenissen: ‘Geliefde vrienden, uw kaart ontvangen en gelezen dat er staat: Deze zijn het, die uit de grote verdrukking komen. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar heb goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen. O, en nu wil ons vlees er niet aan. Rutherford schrijft er van in zijn brie-ven: Wij willen op een koets met pluimen zo naar de hemel, maar de Heere keurt de weg anders. Uit genade zalig geworden, niet uit u, het is Gods gave, niet uit de werken, opdat niemand roeme. O lieve vrienden, de Heere heeft zo’n werk met de mens. Wij kregen uw kaart midden in de rommel. Enschede was de vorige dag gebombardeerd. Erge verwoesting, bij ons op het Singel (Pathmossingel). Onze straat aan ene kant geheel uitgebrand en in de lengte van twee zijstraten ons huis blijven staan. Wel nog brandbommen in de werkplaats, maar nog kunnen doven. In de schuur Mini haar fiets verbrand. In het turfhok een bom uitgebrand aan de wand tegen het hout, en de turf niet. Naar de mens gesproken was de werkplaats weg geweest: oude kisten, stro en pakrommel, maar bewaard.

In huis veel naar buiten gebracht, maar het was zo erg. Zulk een fel branden, niet om weer te geven enz. In een ogenblik twee grote brisantbommen gevallen dichtbij de mensen, niet weer te vinden. Bomen afgeknapt, de ruiten stuk, bij ons ook, aan onze kant pannen van de huizen. 2 grote fabrieken dichtbij (het leek achter), rechts en links branden alsof de stad in brand stond. Rook en vuurzee, het is niet weer te geven, en wij nog gespaard. Bij mijn zoon alles haast verbrand en aan redden was haast niet te denken, want de vuurregen verbrandde de boel nog op straat, en wij gespaard. En nu, als er maar dankbaarheid was, maar redeneren van binnen: er staan nog meer huizen van die God niet kennen. O, onbekwaam tot enig goed.

Kalmte

En nu is er haast elke dag luchtalarm. Ik mag kalm wezen, maar alles is zenuwachtig, bang en wrevelig, maar geen verbreking. Maar wat is de mens toch dood. Als dat nu het geval is bij zo veel bewaring, wat zal dan de mens wezen die den Heere niet kent? O, een uitzien en luisteren of de Heere nog mocht spreken.

Het is erg voor de mensen die hun huis en villa kwijt zijn, maar meest voor die met alles gewerkt hebben om een eigen huisje, waar de hypotheek nog op was. Nu verbrand, met hun meubelen. En nu alles onteigend, zij mogen nog geen steen houden als ze die weer mochten hebben kopen. En nu geen geld, geen God. Wat is de mens toch ongelukkig die den Heere niet kent.

En nu had de Heere mij beloofd: Gij zult niet vrezen voor den pijl die des daags vliegt, voor het verderf, dat op den middag verwoest enz. O, nu mag ik ziende op alles met David betuigen: Alhoewel mijn huis niet is bij God. Dan redeneren dat de Heere dan niet bewaren kan. Maar de Heere is Dezelfde: U zullen, als op Mozes’ beê, wanneer uw pad gaat door de zee, geen golven overstromen.

En ik was ’s morgens wat makkelijk, ach, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. En Mini lag te bed met de griep. Elbert, mijn schoonzoon, ook de griep en een ontsteking in de keel, maar die was aan het beteren. Daar komt een mevrouw uit Oosterbeek Mini bezoeken, haar man is ingenieur bij Hakvisch. En Mini gaat om haar naar beneden met eten en het eten was nauwelijks op en daar brandde het al. Het leek of alles brandde, ook op straat. Geen mens dacht op dat ogenblik meer levend uit het huis te komen. Die mevrouw gillen, en ik mocht kalm wezen, maar door mijn doofheid hoor ik ook alles niet. En die mevrouw gesust, die was roomskatholiek, Mini (dienstmeisje) ook. Bidprentjes genoeg, maar de Gever niet kennen (maar wie ben ik).

Kerkgebouw verbrand

Alleen heb ik boven nog wat ingepakt. De Heere aangelopen, erop wijzende dat die kasten die ik gekregen had van mijn zuster biddende gemaakt waren door Zijn volk, of die zouden verbranden enz. En de Heere heeft gered, verhoord. En wie ben ik nu, onbekwaam tot enig goed. Dat is wat voor een hoogmoedig mens, och met lege handen, alleen omdat de Heere het wil. En als ik nu hoor van Zeeland en overal, dan denk ik: wat zal er voor mij nog nodig wezen. Het is een bedrukt leven, en maar horen wat de Heere zegt. Die geeft alleen kracht. De bevinding is mooi, maar bij alles alleen de Heere. De kerk is geheel verbrand, geen stukje hout er meer in, de stenen nog meest stuk. Och wat zal het in Jeruzalem geweest zijn: de tempel verwoest waar de Heere Zich zo vaak geopenbaard had voor Zijn uitverkorenen. Wat de profeet zegt: och dat mijn oog water ware, dat mocht nu ook wel wezen, niet? Maar geen vallen mogelijk als door den Heere. … het huis van mij begint te verbreken, ik kan niet veel meer.’

Het kerkgebouw van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Enschede aan de Borneostraat dateerde uit 1930. Eind 1943 nam de gemeente nog een nieuw orgel in gebruik.

Het bombardement vond plaats op 22 februari 1944. In De Wekker van vrijdag 3 maart werd een stukje geplaatst van ds. J. Tamminga gedateerd 25 februari. Ds. Tamminga diende de gemeente sinds 1939.

‘Was onze gemeente ten gevolge van oorlogshandelingen reeds eerder eenige malen zwaar getroffen, Dinsdag 22 Febr. is er weer een golf van leed over onze stad gegaan, waardoor ook onze gemeente een zeer gevoelige slag heeft ontvangen. Ongeveer 30 gezinnen der gemeente zijn dakloos geworden en missen al hun bezittingen, terwijl ons mooie kerkgebouw van bijna 800 zitplaatsen in vlammen opging. Gods wegen zijn wonderlijk. Hoe past ons de verootmoediging des harten onder Zijn slaande hand!’ De redactie voegde hier het volgende aan toe:

‘Wij deelen zeer in het verlies, dat de Gemeente van Enschede heeft getroffen. Heel de Kerk was ontroerd bij het vernemen van deze schokkende tijding. Kerken vallen in puin, maar De Kerk bezwijkt niet. In haar leeft de toekomst, de herbouw, de eeuwigheid. Harer is de blijdschap: de Heere, de almachtige God, is de tempel en het Lam.

En over het puin van de kerk in Enschede ruischt de psalm:

Uw heiligdom is door het vuur verteerd,

Niets heeft zijn glans voor ’t woên des gloeds beveiligd

Uw schoon paleis, Uw woning is ontheiligd,

Ten gronde toe in puin en as verkeerd.

Dat elk verdrukt’ Uw bijstand eens erlang’,

Laat, laat Uw volk niet schaamrood wederkeren;

Maar wil van hen ellend’ en nooddruft weren,

Opdat z’ Uw naam verheffen in gezang.

Meeleven

Twee weken later bedankte ds. Tamminga voor het vele meeleven dat mocht worden ontvangen. ‘Het meeleven in de Kerk met onze zoozeer getroffen gemeente is groot en de liefde wordt van alle kanten openbaar. Het doet ons waarlijk goed, dat we mogen weten, dat we als gemeente den Heere worden opgedragen, opdat Hij onze behoeften vervullen zou. Dat hebben we altijd noodig, maar nu toch wel in ’t bijzonder, want onze zorgen en moeiten zijn veel en veel zwaarder geworden.

Onze eigen gemeente, hoezeer ook geslagen, is niet bij de pakken gaan neerzitten. Of heeft juist deze slag, die de Heere ons toebracht, menigeen in de diepte gebracht? Hebben we waarlijk pijn gevoeld en heeft het ons in onze zonde en schuld doen buigen voor het aangezicht des Heeren? We mogen, Gode zij dank, deze zaken in de gemeente ontmoeten en daartegenover het opheffen uit die diepte van hart en oog tot Hem, Die eeuwig Dezelfde blijft, de Getrouwe.

De liefde en offervaardigheid in eigen gemeente is groot. De gaven beginnen van alle kanten te vloeien; jong en oud wordt geactiveerd. Wat ik aan giften uit eigen gemeente ontving voor de nieuwe kerk, die we in de toekomst D.V. weer hopen te bouwen, heb ik reeds van den kansel verantwoord (tusschen haakjes merk ik even op, dat we ’s Zondags vergaderen in een der Geref. kerken, die ons welwillend daarvoor werd afgestaan).’

In De Wekker verantwoordde ds. Tamminga de giften die hij van elders uit het land ontvangen had en vermeldde tevens zijn gironummer. De hoofdredacteur, professor J.J. van der Schuit, voegde er aan toe: ‘Ik twijfel niet, of heel de Kerk zal een voorbeeldig antwoord op dit schrijven geven.’

Dat laatste was zeker het geval. In het volgende nummer kon ds. Tamminga melden: ‘De kerk reageert kostelijk op ons verzoek om steun; van alle kanten beginnen de giften toe te vloeien; uit de verantwoording hieronder zal men kunnen zien, dat de offervaardigheid onder ons volk groot is. De Heere heeft wel geslagen, maar we mogen ook kennelijk de blijken van Zijn gunst ontmoeten.

Enschede zelf heeft nu voor de kerk opgebracht in deze paar weken in een collecte en door enkele giften ƒ4500, terwijl de giften nog steeds doorvloeien.

Trouwens we hebben ook een zeer groot bedrag noodig, omdat we als gemeente nog wel de schuld hebben, maar van de kerk met bijgebouwen niets anders dan een puinhoop is overgebleven.’

Aflossing

Een heel groot aantal gemeenten collecteerde voor het zwaar getroffen Enschede. Deze collecten hadden vaak ook een hoge opbrengst. Van verschillende kanten kwam de vraag wat men met de binnengebrachte gelden zou gaan doen, omdat er voorlopig geen nieuwe kerk gebouwd kon worden. Ds. Tamminga gaf daarop aan dat het geld gebruikt zou worden ‘voor de aflossing van de oude schuld, die op het nu verwoeste kerkgebouw drukt.’ Dan zou de gemeente ‘D.V. na den oorlog’ weer met een schone lei kunnen beginnen. Er zou dan weer een nieuwe lening nodig zijn, maar ‘als we dan ook nog de oude schuld hadden, zou de schuldenlast zó zwaar worden, dat hij niet te dragen was. Zo is er tenminste mogelijkheid, dat we straks weer aan een nieuwe kerk komen.’

Op 8 mei 1944 herdacht de gemeente in het kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk het koperen huwelijks- en ambtsjubileum van ds. Tamminga. L.M. van den Boomgaard, die de bijeenkomst leidde, merkte tijdens de opening (n.a.v. Ps. 48) op: ‘Wel behoort er moed toe om in dankbare stemming samen te komen, ziende wat ons getroffen heeft, doch als we merken op wat ons nog gelaten is, n.l. Gods Woord te hooren iederen Zondag en daarbij nog een eigen herder en leeraar, dan is er alle reden om in deze omstandigheden den Heere groot te maken.’

Pas in 1953 kon de Christelijke Gereformeerde Kerk te Enschede een nieuw kerkgebouw in gebruik nemen, aan de Brinkstraat.

Johanna Antonia Bührmann-Kamphuis overleed ‘nog onverwachts’ te Enschede op 27 maart 1959, 87 jaar oud. Haar kinderen schreven in de rouwadvertentie: ‘Haar leven was Christus, haar sterven gewin.’


1 Moeder Kamphuis overleed in 1896. Een zus van Johanna, Maria Wilhelmina (1876-1941), liet een levensgeschiedenis na. Hierin tekende ze ook iets op uit het leven van haar zus. Johanna werd bij haar in huis stilgezet ‘terwijl een geliefde leraar over het geluk van Gods volk sprak’. Dat gebeurde drie jaar na het huwelijk van Johanna. Zie: De goede hand Gods Gods leidingen met Zijn volk, in het bijzonder met Mej. W. van Dam-Kamphuis Geboren te Dieren 14 Sept. 1876 Overleden te Gouda 18 Juni 1941 blz. 6,9,10.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 2025

Oude Paden | 64 Pagina's

‘Och, wat zal het in Jeruzalem geweest zijn ...’

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 2025

Oude Paden | 64 Pagina's