Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

4 minuten leestijd

Fred van Lieburg en Joke Roelevink (red.), Ramp of redding? 200 jaar Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden 1816-2016 (Utrecht: Boekencentrum, 2018) 208 p., € 14,99 (ISBN 9789023971313).

Was de herdenking (2016) van de invoering van het Algemeen Reglement in 1816 de herdenking van een ramp of van een redding?

Sinds de invoering van de kerkorde van 1951 moet het Algemeen Reglement het nagenoeg bij iedereen ontgelden: het zou de oorzaak zijn van een kerkelijke bureaucratie, van vrijheid in de leer en daarmee ook van Afscheiding en Doleantie. Maar doet die opvatting recht aan de werkelijkheid? In de lezingen die tijdens een tweedaags symposium ter herdenking van de invoering van het Reglement werden gehouden en die nu zijn gebundeld, wordt een grondig, leesbaar en genuanceerd beeld geschetst van zijn voorgeschiedenis en uitwerking. De gereformeer de kerk stond er aan het eind van de Franse overheersing kwetsbaar voor. In iedere provincie golden eigen wetten en kerkorden, de Franse koning wilde overgaan tot een vergaande onttakeling en verzwakking van de kerk. Koning Willem I zag het als zijn roeping om staatkundig de Nederlandse provincies te verenigen tot één koninkrijk, en om hetzelfde te doen met de vaderlandse kerk. Zonder Algemeen Reglement was de kerk in Nederland versnipperd en verzwakt geraakt. In zekere zin was het Reglement een redding. Belangrijk is ook de constatering dat Willem I zich formeel niet met het belijden bemoeide, al tekent Jeroen Koch duidelijk de contouren van Willems eigen verlichtingsidealen. De gedachte dat het Reglement de betekenis van de confessie verzwakt heeft, moet zelf afgezwakt worden, op de quia-quatenus-kwestie na. De bezwaren tegen het Reglement richtten zich meer op de aristocratische en zelfs oligarchische wijze waarop de kerk geregeerd werd.

Afscheiding en Doleantie zijn daarom niet zozeer te verklaren vanuit een verwerpelijk Reglement, maar vanuit de innerlijke onmacht en onwil van de kerk zelf om haar belijdenis te laten functioneren. De lotgevallen van het adres van ds. Molenaar en de kwestie-Meijboom tonen niet de zwakte van het Reglement, maar van het kerkelijk bestuur. Joke Roelevink en Roel Kuiper wijzen in dat licht op de betekenis van het Réveil en het ontstaan van bewegingen als de Confessionele Vereniging (1864) en de Gereformeerde Bond (1906). Deze bewegingen hadden niet de omverwerping van het Reglement tot doel, maar de geestelijke doorwerking van de kerkelijke belijdenis.

Mij viel bij diverse auteurs de hoge achting op die zij hebben voor Groen van Prinsterer, een geestelijke spilfiguur in de negentiende eeuw. Hij richtte zijn pijlen niet op het Reglement maar op het niet functioneren van de belijdenis.

Een bundel artikelen van diverse auteurs levert soms interne spanning op. Niet alleen rond de vraag of het Reglement een ramp of een redding was, maar ook rond de vraag of Kerk 2025 in feite een terugkeer naar het Reglement is. Arjan Plaisier verwerpt deze gedachte met kracht omdat je geen appels met peren kunt vergelijken (de context van 2016 is totaal anders dan die van 1816), maar met name Joke Roelevink en Leon van den Broeke houden de vergelijking staande. De laatste schrijft ‘Bij schaalvergroting trekken bestuurders meer taken naar zich toe. (...)

Met Kerk 2025 wordt de classicale vergadering gemarginaliseerd’ (75). Zulke opmerkingen maken het lezen van deze gedegen bundel spannend. Hij biedt een lezenswaardig en prikkelend overzicht van de geschiedenis van ons protestants kerkrecht.

Over verschillende thema’s zou ik in deze bundel wel wat meer gelezen willen hebben. Over de vraag bijvoorbeeld hoe de kerk zelf over de Dordtse Kerkorde dacht en waarom deze kennelijk geen issue meer was, terwijl er na 1816 bewegingen zijn geweest die wilden terugkeren naar deze oude kerkorde. In de statuten van de Gereformeerde Bond staat ook na 1951 nog steeds een normatieve opmerking over de ‘Dordtsche Kerkorde’. Gooit Fred van Lieburg in zijn slotwoord daarom een laatste steen in de vijver door te stellen dat de kerk in 1951 en 2004 bezweken is voor de verleiding om een belijdende kerkorde aan te nemen?

Dit artikel werd u aangeboden door: Theologia Reformata

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2019

Theologia Reformata | 130 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2019

Theologia Reformata | 130 Pagina's