«Memorie van Toelichting.» (V)
Een ander bezwaar, door de Doleerenden tegen vereeniging met de Chr. Ger. Kerk ingebracht en ook in de «Memorie» ter sprake gebracht, is het veelbesproken reglement van 1869, of, om het voor eenvoudigen nog duidelijker te maken: de wijze waarop de Christ. Gereformeerden door den staat zijn erkend.
Met die erkenning door den Staat, zegt men, is de continuïteit, d, i. de lijn verbroken, waardoor men opgehouden heeft te zijn: de voortzetting van de aloude Gereformeerde Kerk in deze landen. Dit bezwaar is voor Doleerenden van grooten omvang en aanhang. Thans zullen wij het niet in al zijne onderdeelen bespreken; — slechts bij de hoofdzaken staan wij na stil. Van meet af hebben Dr. Kuyper c.s. beweerd, dat dit het hoofdbezwaar was voor de «vereeniging.» In «de Heraut» is dan ook vroeger het gehate reglement tot in bijzonderheden ontleed en uit elkander gerafeld, en menigeen zal bij het lezen van dit alles destijds we] gedacht hebben: hoe is het mogelijk, dat de Chr. Ger. Kerk nog bestaat! Dat echter al het geroep tegen dit reglement meer schijn dan zijn was, is door de geschiedenis duidelijk bewezen. Zoodra toch gebleken was, dat niemand der Christ. Gereformeerden er aan dacht, om dat reglement de vereeniging te laten afspringen, was het opeens met al dat geroep en geschrijf gedaan. De vraag is intusschen aan ons: welk kwaad schuilt er toch in die erkenning door den Staat?
En welke misdaad is toch in en met het reglement van 1869 gepleegd? Om hierover ook maar eenigermate onbevooroordeeld te kunnen oordeelen, moet men de geschiedenis grondig kennen en met de toenmalige tijdsaangelegenbeden rekening houden. Dat dit gedeelte onzer historie volmaakt is, dat er geen leemten en zwakheden in aan te wijzen zijn, — wie zal het zeggen ?
De Doleerenden zeggen: «ruimt dit reglement op, of maakt het, in plaats van algemeen, plaatselijk; dan is ons hoofdbezwaar weggenomen.» De «Memorie» merkt op, dat dit niet zoo is, aangezien de Doleerenden toch tegen rechtspersoonlijkheid bezwaar blijven opperen. Om aan dit bezwaar te ontkomen, behelpen zij zich met een door den Staat erkende «kerkelijke kas.» Uit «de Memorie» blijkt, dat over de vraag, wat bij de eventuëele opheffing van genoemd reglement, of bij wijziging er van, al of niet zou kunnen en moeten gedaan worden, de rechtsgeleerden bet lang! niet eens zijn.
«De Christelijke Gereformeerden, zijn een nieuw kerkgenootschap geworden,» zeggen de Doleerenden. (En dit is de beschuldiging, die zij tegen ons inbrengen, verdedigen en handhaven).
Is het waar ? vragen wij op onze beurt. In de rechtsfeer van den Staat heeten we genootschap; maar hoe komt dit ? De Staat kent nu eenmaal niet anders dan genootschappen. Confessioneel en kerkrechterlijk zijn wij echter niets anders dan de zuivere voortzetting der aloude Gereformeerde Kerk.
En wat zijn nu voor den Staat de Doleerenden ? Evenzoo goed als wij Christ. Gereformeerden een genootschap of liever genootschappen. Iedere plaatselijke gemeente der Doleerenden is een genootschap, bekend bij den Staat als de «Kerkelijke Kas» dier plaats.
Bij de aanvrage om erkenning der Regeering, bedenke men wel, zegt de «Memorie,» «dat de «Gescheidenen» stonden tusschen deze twee: de prediking van Gods Woord nalaten, of de stoffelijke goederen prijs geven. Zij hebben toen, door den nood en als met het pistool op de horst gedwongen, het laatste laten varen, om bet eerste te behouden.»
«De Doleerenden daarentegen» (zoo schreef iemand. dezer dagen) «hebben door hun dubbelzinnige woorden en handelingen zich niet afgescheiden van de Herv. Kerk, ofschoon zij verklaren met geen vezel daaraan verbonden te zijn, en hebben hierdoor een nevel van geheimzinnigheid over zich uitgebreid.»
Alles te zamen genomen, zou het, naar onze bescheiden meening, de grootste onvoorzichtigheid zijn, in den tegenwoordig en, zeer kritieken tijd, de eenheid des Kerk (staatsrechtelijk in ons reglement gewaarborgd) prijs te geven, om daardoor toestanden in het leven te roepen van eindelooze verwarring. De geschiedenis heeft duidelijk bewezen, dat voor den bloei en den geestelijken wasdom der Kerk het reglement volstrekt geene belemmering ia. Ook heeft, zoover ons bekend is, nog nooit iemand bewezen, dat in dit reglement iets voorkomt, dat in strijd is met Gods Woord. Of later wijziging van daarin voorkomende bepalingen wenschelijk of noodzakelijk is, kan later worden uitgemaakt. Wij, en velen met ons, houden liever het — zij het dan ook gebrekkig — reglement, dan achter het schild «Kerkelijke Kas» een toestand in het leven te helpen roepen, waarbij men als fictie betoogt de continuiteit behouden te hebben, maar in werkelijkheid in nog ongunstiger positie geraakt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1889
Het Stichtsche Wekkertje | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1889
Het Stichtsche Wekkertje | 4 Pagina's