+ Meer informatie

Dooyeweerds filosofie van de economie

26 minuten leestijd

Abstract Abraham Kuyper heeft herhaaldelijk gewezen op de noodzaak van een eigen calvinistische economische wetenschap. Er zouden daadwerkelijk economen met dergelijke idealen opstaan, maar hun normatieve wetenschapsbeoefening werd overschaduwd door het opkomende economisch positivisme. Herman Dooyeweerd heeft als leerling van Kuyper de calvinistische economie voorzien van een filosofisch fundament. In dit artikel wordt de aan zijn ‘wijsbegeerte der wetsidee’ ontleende filosofie van de economie samengevat en in context geplaatst. Er wordt uiteengezet hoe Dooyeweerds filosofische interpretatie van Kuypers beginsel van soevereiniteit in eigen kring uitmondt in (de noodzaak tot) een ‘intrinsiek christelijke economische theorie’. Dooyeweerd blijkt een uitgesproken voorstander van een normatieve economie, zowel in wetenschap als praktijk.

Herman Dooyeweerd, wijsbegeerte der wetsidee, economie, filosofie, Abraham Kuyper

Inleiding

De Nederlandse filosoof Herman Dooyeweerd (1894-1977) behoeft in een tijdschrift als dit weinig introductie. Zijn ‘wijsbegeerte der wetsidee’, die onder meer bestaat uit een aspectenleer, een transcendentale kritiek van het wijsgerig denken en een analyse van de samenlevingsverbanden, zal bij veel lezers in meer of mindere mate bekend zijn. Zij is bovendien in diverse boeken helder uiteengezet (e.g. Spier 1946; Kalsbeek 1970; Van Eikema Hommes 1982; Van Woudenberg 2004). In de stroom publicaties over Dooyeweerds christelijke filosofie die tot op de dag van vandaag doorgaat, is echter voor sommige van de vakwetenschappen minder aandacht besteed aan de betekenis van zijn werk. Met name Dooyeweerds filosofie van de economie is nog grotendeels onontgonnen terrein. De reden hiervoor kan niet zijn dat zijn denken hier te weinig aanknopingspunten voor biedt. Sommigen hebben wel beweerd dat Dooyeweerd niet uitvoerig over het economische heeft geschreven omdat het aan de rand van zijn belangstelling zou liggen. Dit laatste is onwaarschijnlijk, gelet op de mate waarin hij zich in zeer diverse niet-juridische vakgebieden heeft verdiept. Bovendien heeft Dooyeweerd verspreid over zijn talloze bijdrages wel degelijk redelijk wat aan economie gedaan. Een belangrijkere reden voor het uitblijven van verdere uitwerkingen van zijn economische opvattingen acht ik dan ook de onbekendheid ermee (en wellicht de moeilijkheidsgraad ervan).


Dooyeweerds filosofie van de economie is nog grotendeels onontgonnen terrein


In dit artikel wil ik een eerste aanzet geven door Dooyeweerds filosofie van de economie samen te vatten en in context te plaatsen. Onder filosofie van de economie versta ik het filosoferen over de grondslagen van de economische wetenschap (economics), haar relatie tot de economische praktijk (economy) en haar verhouding tot andere disciplines zoals ethiek en politiek (political economy). Het doel van dit artikel is tweeledig. In de eerste plaats wil ik laten zien hoe Dooyeweerds visie op het economische uitmondt in de noodzaak tot een “intrinsiek christelijke economische theorie” (1946: 2). Dooyeweerd zal worden getypeerd als een uitgesproken voorstander van een normatieve economie, zowel in wetenschap als praktijk. In de tweede plaats wil ik enkele parallellen trekken tussen Dooyeweerd en Abraham Kuyper. Het zal blijken dat Dooyeweerds filosofie van de economie in meerdere opzichten voortbouwt op de ideeën van zijn leermeester.1 Zo kan zij worden gezien als een filosofische fundering van Kuypers ideaal van een eigen calvinistische economie, een onderwerp dat ik allereerst wil behandelen.

Calvinistische staathuishoudkunde

Aan het begin van de vorige eeuw verscheen in het tijdschrift De Economist een aantal kritische boekbesprekingen van recent gepubliceerde proeven van calvinistische ‘staathuishoudkunde’ (een verouderde term voor economie). Recensent C.A. Verrijn Stuart, een in die tijd vooraanstaand econoom, stelt dat een door een calvinist geschreven handboek economie niet mag worden verward met het willen opbouwen van een calvinistische economische wetenschap en noemt dat laatste een “volkomen onwetenschappelijke gedachte” en “volkomen miskenning van het wezen der wetenschap” (1904: 924, 927). Een econoom zou zich moeten bezighouden met het ontdekken van causale verbanden in economische verschijnselen en een verschil in levensbeschouwing zou hierbij irrelevant zijn. Zoals ik hieronder zal toelichten, verwoordt Verrijn Stuart hier het ideaal van ‘positieve’ economische wetenschap.

Het door hem gerecenseerde boek betrof overigens T. de Vries’ Beginselen der staathuishoudkunde uit 1904, een van de eerste pogingen om te komen tot een eigen neo-calvinistische economie. “Ook de Calvinistische levens- en wereldbeschouwing”, aldus de auteur, “berust op grondbeginselen, die op de vraagstukken van de staathuishoudkunde een eigen licht werpen” (1904: 5). Naast de trits schepping, zondeval en verlossing vraagt De Vries aandacht voor drie andere calvinistische grondbeginselen, namelijk de soevereiniteit, voorzienigheid en algemene genade van God. Waar de eerste twee betrekking hebben op Gods regering van de schepping, die onder meer tot uiting komt in het opleggen van economische ‘levenswetten en ordinantiën’, duidt de laatste op het in staat stellen van de mens om de aarde te onderwerpen, stoffelijke rijkdom te verwerven en de economie tot ontwikkeling te brengen. Het hele staathuishoudkundige leven alsmede de staathuishoudkunde zouden een vrucht van het Goddelijk wereldplan zijn. Eerder in hetzelfde jaar promoveerde P.A. Diepenhorst, de eerste hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit (VU), op het proefschrift Calvijn en de economie. Hoewel Diepenhorst te kennen geeft geen economisch stelsel op calvinistische grondslag te willen ontwerpen, spreekt hij toch over “een goudmijn van gedachten die voor de economie van het hoogste gewicht zijn” (1904: 21) die in het werk van Calvijn verborgen zou liggen. Na deze gedachten te hebben opgespoord, komt hij in het slot van zijn proefschrift alsnog tot de conclusie dat een economische wetenschap op calvinistische grondslag niet kan uitblijven. Voor ieder stuk van het economische leven heeft het calvinisme iets te zeggen en zo ook voor de staathuishoudkunde.

Met name het boek van De Vries is doorspekt met citaten van Abraham Kuyper. Het zou geschreven kunnen zijn in antwoord op Kuypers herhaalde oproep om te komen tot een eigen calvinistische economische wetenschap. Reeds in zijn rede ter inwijding van de VU sprak hij over de noodzaak hiertoe. De te vormen juridische faculteit, die toentertijd nog het economische denken op zich nam, zou net als het christelijke geweten buiten de wetenschap “tegen de heersende staathuishoudkunde, én tegen de in zwang zijnde handelscostumen, én tegen het roofdierachtige der sociale verhoudingen” (1880: 34) in verzet moeten komen. Deze oproep van Kuyper paste binnen zijn streven naar een herkerstende samenleving waarin alle terreinen van het leven zijn betrokken op en ondergeschikt zijn aan Christus. Er is geen duimbreed op heel het erf van het menselijk leven, zo beweerde hij in dezelfde rede, waarvan Christus niet zegt: “Mijn!”. Het uitblijven van een daadwerkelijk christelijke economie in wetenschap en praktijk zou betekenen dat dit terrein aan Christus onttrokken zou blijven. Tien jaar later, in een rede bij de opening van het sociaal congres, betreurt Kuyper het “nog geen mannen van het vak; als specialist in de staathuishoudkunde” (1891: 5) te bezitten. Hij zag zich dan ook genoodzaakt zelf een “architectonische kritiek” op de inrichting van de maatschappij te geven. De schrijnende armoede en diepgaande sociale nood van zijn tijd waren volgens Kuyper het gevolg van het nog altijd doorwerkende gif van de Franse revolutie.

Kuypers ideaal van een eigen calvinistische economie is achteraf gezien aan de VU nauwelijks van de grond gekomen (Knol 1980; Visser 1999). Economen als J.A. Nederbragt, Diepenhorst en later T.P. van der Kooy hebben zich er blijkens talloze publicaties wel degelijk voor ingespannen, maar werden uiteindelijk overschaduwd door pleitbezorgers van positieve economische wetenschap. Calvinistische economie is een typische uiting van normatieve economie. Het gaat uit van de gedachte dat wetenschap nooit waardevrij en neutraal kan en mag zijn, bijvoorbeeld omdat zij altijd ten dienste staat van hogere politieke, ethische en religieuze idealen. Positieve economie daarentegen, die de hoofdstroom van het economisch denken is gaan beheersen, is gebaseerd op de gedachte dat waardevrije en neutrale wetenschap wel degelijk mogelijk is en daarmee de norm is. Door consequent onderscheid te maken tussen what is (feiten, data en experimenten) en what ought to be (normen, meningen en wensen) en zich te ontdoen van de laatste categorie zou objectieve economische wetenschap kunnen worden bedreven. Kuyper heeft zich nooit uitgelaten over de opkomst van het economisch positivisme, maar zou zich er ongetwijfeld tegen hebben verzet. Zijn idee van een verantwoorde economische wetenschap behelst een samengaan van economische analyse en beleid, maar bovenal een gehoorzaamheid aan de ‘Goddelijke ordinantiën’ voor de samenleving.


Kuyper: Er is geen duimbreed op heel het erf van het menselijk leven waarvan Christus niet zegt: “Mijn!”


Economie als aspect van de werkelijkheid

Dooyeweerds filosofie van de economie is zonder meer calvinistisch, maar kan niet worden gezien als een directe uitwerking van Kuypers ideaal. Dooyeweerd was een filosoof en zijn economische bespiegelingen komen vooral voort uit de opbouw van zijn Wijsbegeerte der Wetsidee. Laten we bij het begin beginnen.

Het ‘economische’ wordt door Dooyeweerd gezien als een aspect van de werkelijkheid. Daarmee wil gezegd zijn dat er iets is in de alledaagse werkelijkheid dat we economisch noemen. Het economische is met andere woorden een verschijningsvorm van de werkelijkheid. Volgens Dooyeweerd is het zelfs zo dat alles dat bestaat een economisch aspect heeft. Alle ‘dingen’ (entiteiten) hebben of een economische objectsfunctie, of een subjectsfunctie of een kwalificerende functie. Voorbeelden van de eerste categorie zijn boeken, planten en dieren. Deze zijn als objecten economisch te waarderen en te verhandelen. Bij andere entiteiten, zoals een vakbond, staat of mens, maakt het economische deel uit van hun identiteit. Het economische is dan een karakteriserende subjectsfunctie. Een economische kwalificerende functie wordt toegeschreven aan entiteiten die hun bestemming in het economische vinden. Voorbeelden hiervan zijn bedrijven, banken en beurzen. Toch kan uit het feit dat alles een economische aspect heeft niet worden geconcludeerd dat alles in de werkelijkheid economie is of dat alles tot het economische kan worden gereduceerd. De geschapen werkelijkheid ontleent volgens Dooyeweerd juist haar zin aan de presentie en onverbrekelijke verbondenheid van een veelvoud van aspecten, namelijk het getalsmatige, ruimtelijke, bewegings-, fysische, biologische, psychische, analytische, historische, talige, sociale, economische, esthetische, juridische, ethische en het geloofsmatige aspect. Deze aspecten doen zich altijd samen voor in de werkelijkheid en zijn onderling onherleidbaar.

Op dit punt is het interessant een vergelijking te maken met Kuyper. Deze stelde in zijn rede Soevereiniteit in eigen kring dat er zoiets is als een door God gewild zelfstandig economisch levensterrein. Volgens Kuyper is de samenleving niet hiërarchisch geordend, maar organisch opgedeeld in verschillende kringen met ieder een eigen vorm van soevereiniteit en normativiteit. Zo onderscheid hij een zedelijke, wetenschappelijk, kerkelijke, handels- of maatschappelijke en huiselijke kring. “Al deze kringen nu”, aldus Kuyper, “grijpen met de tanden hunner raderen in elkaar, en juist door dat ‘op elkaar werken’ en ‘in elkaar schuiven’ van deze kringen ontstaat het rijke, veelzijdige, veelvormige menschenleven” (1880: 12). Dooyeweerd past dit sociologische beginsel van soevereiniteit in eigen kring als een filosofisch beginsel toe op de gehele werkelijkheid. Alles heeft een economisch aspect en niet alleen datgene wat te maken heeft met de handelskring, alhoewel dergelijke samenlevingsverbanden wel als enige een economische bestemmingsfunctie hebben.

De plaats van economische tussen het sociale en het esthetische in de hierboven gegeven opsomming van aspecten is niet willekeurig. Volgens Dooyeweerd funderen eerder genoemde aspecten de latere. Dit betekent dat het economische alle aspecten veronderstelt, van het getalsmatige tot en met het sociale. Zonder deze aspecten kan er van het economische simpelweg geen sprake zijn. Wat betreft de fundering in het sociale aspect merkt hij bijvoorbeeld op: “conventional or ceremonial economy is not found in primitive society, but in developed social life only” (1955: 67). Alleen daar waar omgang en verkeer tussen mensen is, komt economische waardering tot stand. Gezien de onverbrekelijke samenhang en onderlinge verbondenheid van de verschillende aspecten is het niet verwonderlijk dat er binnen het economische vele verwijzingen zijn naar andere aspecten. Het begrip economische groei wijst bijvoorbeeld terug naar het biologische aspect, economisch evenwicht naar het fysische aspect en economische waarde naar een combinatie van het getalsmatige en historische aspect. Tegelijkertijd wijzen eerdere aspecten vooruit en latere aspecten terug naar het economische zelf. “Logische denk-economie, technische economie, taal-economie, aesthetische economie, economie in de omgangsvormen, juridische economie”, stelt Dooyeweerd vast, “zijn aperte analogieën van het oorspronkelijke economische aspect onzer ervaring” (1954: 179). Wat betreft de latere aspecten is het economische zelf een funderend en onmisbaar aspect.

Hoe definieert Dooyeweerd eigenlijk het economische? De kern hiervan vat hij samen als “waarden-vereffenend sparen” of kortweg “spaarzaamheid” (z.j.: 16-17). Er is sprake van economie als schaarse middelen moeten worden aangewend om (uiteindelijk onverzadigbare) menselijke behoeften te bevredigen. De economische mens wikt en weegt hoe deze allocatie op een spaarzame wijze kan plaatsvinden en neemt daarbij de waarde van de economische middelen in ogenschouw. Dooyeweerd werkte deze definitie verder uit in zijn A New Critique of Teoretical Tought (1955: 66-67). Economy, zo stelt hij daar, “is the sparing or frugal mode of administering scarce goods, implying an alternative choice of their destination with regard to the satisfaction of different human needs”. De termen sparing en frugal definieert hij vervolgens als “the avoidance of superfluous or excessive ways of reaching our aim”. Economie draait dus om een efficiënte oplossing van het economisch probleem dat optreedt als er a) menselijke behoeften zijn, b) de middelen om deze behoeften te bevredigen schaars zijn, en c) deze middelen op verschillende manieren kunnen worden aangewend. De oplossing van dit probleem “demands the balancing of needs according to a plan, and the distribution of scarce means at our disposal according to such a plan”. De door Dooyeweerd gegeven definitie van economie sluit nauw aan bij die van andere twintigste-eeuwse economen. Economie wordt door hen niet langer primair gezien als de zoektocht naar welvaart, maar als een poging om schaarste te overwinnen.


Dooyeweerds definitie van economie sluit nauw aan bij die van andere twintigsteeeuwse economen


Economische normativiteit

Sommigen commentatoren hebben terecht gewezen op de sterke overeenkomsten tussen Dooyeweerds typering van het economische en die van zijn tijdgenoot Lionel Robbins (Kee 1996; Garcia de la Sienra 2010). De econoom Robbins spreekt in zijn An Essay on the Nature & Significance of Economic Science niet alleen over een economisch aspect, maar definieert economie eveneens als “the science which studies human behaviour as a relationship between ends and scarce means which have alternative uses” (1935: 16). Afgezien van het feit dat het hier gaat om economie als wetenschap lijkt deze definitie inderdaad op die van Dooyeweerd. Toch is er een belangrijk verschil, dat critici van Dooyeweerds vermeende kritiekloze acceptatie van deze neo-klassieke definitie van economie over het hoofd hebben gezien. Robbins is namelijk slechts geïnteresseerd in de technische kant van het economische probleem. Economie zou draaien om een zo efficiënt mogelijk gebruik maken van middelen in het streven naar een maximalisering van behoeftebevrediging. Welke middelen er worden aangewend en welke doelen er worden gesteld, komt tot uiting in de preferenties van de betrokken individuen en is een kwestie van (hun) ethiek. De econoom acht deze als gegeven in de data en doet geen uitspraak over de inhoud van doelen en middelen.

Dooyeweerd daarentegen is vooral geïnteresseerd in de normatieve kant van het economisch probleem. Hij noemt het principe van spaarzaamheid een handelingsnorm. Het is iets waar mensen zich in het alledaagse leven naar behoren te gedragen, willen zij niet oneconomisch handelen. Tot zover zou Robbins overigens met hem kunnen meekomen. Dooyeweerd voegt echter aan zijn definitie van economie toe dat de termen sparing en frugal verwijzen naar “our awareness that an excessive or wasteful satisfaction of a particular need at the expense of other more urgent needs is uneconomical”. Economische normativiteit heeft voor hem dus niet alleen betrekking op een efficiënte allocatie van middelen, maar ook op de urgentie van de behoeften. Met andere woorden, niet alle behoeften zijn even nobel om onze middelen aan op te offeren. Dat Dooyeweerd in dezen inderdaad van Robbins afwijkt, blijkt uit zijn latere constatering dat het “technical-economic principle of efficiency (…) lacked the very moment of the alternative destination of scare goods for the different needs after a scale of urgency, which is essential in a sparing administering of economic goods proper” (1955: 122). De economiserende mens zal zich dus zowel rekenschap moeten geven van het beheer van zijn schaarse middelen alsmede van de door hem gestelde doelen.

Spaarzaamheid, het typerende kenmerk van het economische aspect, is volgens Dooyeweerd slechts een van de economische normen in de werkelijkheid. Er moet volgens hem worden vastgehouden aan het idee dat er meer “economische wetmatigheden van algemeen-geldigheid bestaan, die in de structuur van het economisch aspect als zoodanig besloten en in de goddelijke scheppingsorde geworteld zijn” (1946: 2-3). Kuyper stelde reeds dat alle samenlevingskringen, inclusief die van de handel en het maatschappelijk leven, hebben te gehoorzamen aan een eigen ‘levenswet’. In zijn rede over het sociale vraagstuk legde hij een direct verband tussen het optreden van armoede en het verstoren van de Goddelijke ordinantiën voor het maatschappelijke leven. Ook Dooyeweerd schrijft dus aan het economische, net als aan alle andere aspecten, een eigen ‘wetskring’ toe. Deze economische wetten zijn weliswaar algemeen geldig, maar niet natuurwettelijk. Zoals voor alle ‘culturele’ aspecten geldt die na het logische aspect komen, hebben economische wetten een normatief karakter. Dit wil zeggen dat de mens als subject weliswaar aan deze wetten onderworpen is en ze dient te eerbiedigen, maar er in vrijheid evengoed tegenin kan gaan. In dit laatste geval is er echter wel sprake van oneconomisch handelen, met alle ontwrichtende gevolgen van dien.


Het verrassende bij Dooyeweerd is dat economische normativiteit een andere is dan ethische normativiteit


Van “specifiek-economische ordinantiën Gods” geeft Dooyeweerd in zijn werk meerdere voorbeelden (e.g. 1924-1925). Zo spreekt hij van de economische wet van vraag en aanbod die de economische prijs bepaalt, maar ook van een wet van economische ongelijkheid wat betreft goederenbezit, arbeidsverdeling en aanleg, waarbij de laatste zich reeds openbaart in de schepping van man en vrouw. Elders stelt hij dat Gods wetten “telkens in de historie dien specifieken bedrijfsvorm op[roepen], die bij de omstandigheden past” (1926: 6). Hoe we ook over deze voorbeelden denken, het is belangrijk te constateren dat Dooyeweerd vasthoudt aan het bestaan van economische normativiteit.

Het verrassende in zijn filosofie is dat economische normativiteit een andere is dan ethische normativiteit. Het ethische is immers een afzonderlijk aspect met een eigen wetskring. Dit impliceert dat een economische handeling in principe economisch maar onethisch kan zijn en vice versa. Waarschijnlijk is dit echter niet, omdat het economische en het ethische nauw op elkaar zijn betrokken. In de eerste plaats omdat het ethische het economische veronderstelt, wat tot uiting komt in het belang van een “just distribution of the sacrifices demanded by love with respect to the different moral duties” (1955: 161, mijn cursivering). In de tweede plaats omdat in Dooyeweerds filosofie de eerdere aspecten zich idealiter ‘ontsluiten’ richting latere aspecten. Door rekening te houden met esthetische, juridische, ethische en geloofsnormen kan het economische zich verder verdiepen en ontwikkelen. Economie komt bijvoorbeeld in een positieve relatie tot ethiek te staan als “the frugal manner of administering scarce things in their alternative destination for the satisfaction of human needs (…) is directed by love towards our neighbour” (1955: 153). Dergelijke ontwikkelingen vinden daar plaats waar er sprake is van culturele ontwikkeling. Er kan daarom worden gesteld dat economie zonder oog voor esthetiek (waarin het gaat om de juiste balans en verhouding), recht, moraal en geloof slechts primitief is. Welke invulling de ontsluiting van het economisch aspect krijgt, hangt onder meer af van de levensbeschouwingen (grondmotieven) die op dat moment de cultuur vormen. Vanuit een christelijk grondmotief zou er bijvoorbeeld bijzondere aandacht moeten zijn voor rentmeesterschap, naastenliefde en barmhartigheid.

Dooyeweerd en economische wetenschap

Tot nu toe heb ik uitsluitend gesproken over Dooyeweerds opvatting van economy, dat wil zeggen de economische praktijk, en nog niet over economics. Hoe kijkt hij eigenlijk tegen deze wetenschap aan? We dienen allereerst vast te stellen dat er binnen de wijsbegeerte der wetsidee inderdaad bestaansrecht is voor de economie. Voor elk aspect van de werkelijkheid is een wetenschappelijke bestudering zinvol en zo ook voor het economische. De taak van de economie is volgens Dooyeweerd “de empirische werkelijkheid zelve onder een bepaald ‘modaal aspect’, nl. het economische, [te] onderzoeken” (1949: 221). De taak van de econoom is evenwel minder onschuldig dan het lijkt. Door de denkarbeid te richten op het economische aspect en dit te abstraheren, wordt een theoretische afstand tot de geschapen werkelijkheid gecreëerd. Deze is weliswaar onvermijdelijk, maar doet de werkelijkheid in zekere zin ook geweld aan. De aspecten van de alledaagse werkelijkheid laten zich door hun onverbrekelijke samenhang niet eenvoudig afzonderlijk wetenschappelijk analyseren. Het is voor de econoom daarom van belang te beseffen dat economische wetenschap altijd een theoretische abstractie is. De economie bestudeert slechts één van de vele aspecten en is zodoende nooit in staat om de werkelijkheid in al haar facetten te doorgronden.

Net als Kuyper spreekt Dooyeweerd over de noodzaak van een calvinistische economie, hoewel ‘calvinistisch’ heeft plaatsgemaakt voor de meer oecumenische term ‘christelijk’. Zonder een christelijke economie, zo stelt hij in lijn van zijn leermeester, is dit terrein van het tijdelijke leven aan Christus onttrokken. Een “door het grondmotief der christelijke religie beheerschte beoefening der economische wetenschap” zou moeten inzetten op “een reformatie van de grondslagen der economische theorie zelve” (1946: 2). Het zal niet verbazen dat een dergelijke reformatie volgens Dooyeweerd het uitgangspunt zou moeten nemen in zijn eigen filosofie. Hierbinnen acht hij drie punten van bijzonder belang. Ten eerste zou een christelijke economie de plaats van het economisch aspect te midden van de andere aspecten in acht moeten nemen. Economie is geen totaalwetenschap en kan niet functioneren in een “isolement met geblindeerde vensters” (1935a: 512). Ten tweede zou deze de normatieve geaardheid van het economisch aspect moeten onderkennen en opsporen. De economische normen en wetmatigheden zijn in de scheppingsorde slechts als beginselen gegeven en behoeven daarom nadere concretisering, vormgeving en positivering. Ten derde zou een christelijke economie moeten resulteren in een eigen politieke economie. Deze zou rekening moeten houden met de aard en van de diverse samenlevingsverbanden en moeten ageren tegen elke aantasting van de soevereiniteit in eigen kring op economisch gebied.

Dooyeweerd bekritiseert in zijn werk alle scholen in de economie die in zijn ogen ingaan tegen deze drie inzichten uit de wijsbegeerte der wetsidee of deze verwaarlozen. Wat het eerste inzicht betreft, uit hij kritiek op economische theorie die het economische aspect in de werkelijkheid verabsoluteert, dat wil zeggen tot allesomvattend principe verheft. De klassieke economie, het marxisme en de zogenaamde reine Ökonomie zouden ieder op hun eigen manier uit het oog hebben verloren dat de zuiver economische werkelijkheid niet bestaat. In het economisch verkeer, in de typisch economische levenskringen (onderneming, bedrijfstak, markt, etc.) en in de economie in het algemeen spelen niet alleen het economisch aspect, maar alle aspecten van het getalsmatige tot het geloofsaspect een rol. Wat het tweede inzicht betreft, verwerpt hij de visies van de Franse fysiocratische school, Engelse klassieke school, Oostenrijkse school en Duitse historische school, die de economische wetmatigheden respectievelijk afschilderen als natuurwetten, wiskundige vergelijkingen en ideaal-typische regels. Deze opvattingen, die ik verder niet kan uitwerken, zijn volgens Dooyeweerd in strijd met de normatieve geaardheid van het economisch aspect. De natuurwetenschappelijke pretenties van deze scholen in de economie laten namelijk geen ruimte aan een normatieve beoordeling van economisch gedrag.


De mens is meer dan een homo economicus


Ook de hoofdstroom binnen de moderne economie, in zijn tijd de neo-klassieke economie, zou zich bezondigen aan een natuurwetenschappelijke opvatting van economische wetten. “De moderne economische theorie heeft”, aldus Dooyeweerd, “het normatief karakter van het economisch aspect der verschijnselen (…) voorbarig uitgeschakeld en zich - in oncritische aanvaarding van de tegenstelling tussen normatieve en empirisch verklarende wetenschappen - in het kader van het laatste gevoegd” (1949: 257). Een belangrijk kenmerk van de positivistisch ingestelde moderne economie is namelijk haar poging economisch gedrag te verklaren en te voorspellen. Volgens Dooyeweerd is dit gedoemd te mislukken omdat menselijk gedrag altijd meerdere ‘veroorzakingsbegrippen’ kent. Zelfs in typisch economisch gedrag spelen zowel economische als nieteconomische motieven een rol. De mens is immers meer dan een homo economicus, door Dooyeweerd consequent aangeduid als “fictie”. Het willen verklaren van veelzijdig menselijk gedrag op basis van puur economische wetmatigheden kan daarom tot niet anders leiden dan wat hij (met W. Eucken) de “grote antinomie” noemt; een onoplosbaar spanningsveld tussen theorie en waarneming.

Dooyeweerd heeft niet alleen moeite met het empirische karakter van de moderne economie (hoewel hij het belang van empirie niet ontkent), maar ook met haar tendens om normatieve maatstaven uit te sluiten. Het is in dit verband verhelderend om het verschil tussen Dooyeweerds en Robbins’ definitie van economie in herinnering te roepen. Waar de econoom volgens Robbins technisch inzicht zou moeten geven in het economisch probleem, namelijk hoe gegeven doelen zo efficiënt mogelijk kunnen worden gekoppeld aan schaarse middelen, heeft deze volgens Dooyeweerd een stem in de vaststelling van de doelen zélf. Dooyeweerd verzet zich uit alle macht tegen de reducering van de economische wetenschap tot een zogenaamde “logica van het kiezen”, waarbij de vaststelling van doelen als buiten-economisch gegeven beschouwd wordt en uiteindelijk neerkomt op subjectieve willekeur. Wanneer de econoom geen uitspraak zou mogen doen over de zin en noodzaak van economische doelstellingen leidt dit tot een “volstrekte subjectivering van de economische keuze-handelingen” (1949: 258).

Het blijkt dat verschillen in economische opvattingen voor Dooyeweerd sterk samenhangen met verschillen in ‘religieuze’ uitgangspunten. Het grondmotief dat de moderne economie sinds de achttiende-eeuwse fysiocratische en klassieke school in haar greep zou houden, wordt door hem aangeduid als ‘humanistisch’. Twee kernwoorden binnen dit grondmotief zijn natuur en vrijheid. Enerzijds pleit de moderne economie voor economische vrijheid als opmaat voor welvaart, bijvoorbeeld door het economisch individu zijn welbegrepen eigenbelang te laten nastreven en overheidsinmenging af te keuren, en anderzijds houdt zij vast aan de gedachte dat het economische leven wordt beheerst door onveranderlijke natuurwetten (of op zijn minst regelmatigheden). Aangezien deze ideeën botsen en er een voortdurende spanning is tussen het persoonlijkheidsideaal van vrijheid en wetenschapsideaal van natuurbeheersing, kan het humanistisch grondmotief niet dienen als een gezonde basis voor economische ontwikkeling. Dit is echter precies wat zich volgens Dooyeweerd heeft voorgedaan in de westerse samenleving. Hij spreekt dan ook over een disharmonieuze ontsluiting van het economische onder leiding van het “verlichtingsgeloof”. Een eenzijdige en overmatige liberalisering, individualisering en rationalisering van het economisch leven, door economen voorzien van een theoretische onderbouwing, leidde tot “een afgodendienst met de abstracte individualistische idee van den ‘homo economicus’: de nuchtere berekening van eigen gewin werd het eenig richtsnoer van het economisch leven” (1935b: 295; vgl. 1963: 186-188).

Ook hier kan weer een parallel worden getrokken met Kuyper. Hij had er in zijn analyse van de sociale armoedekwestie al op gewezen dat de door de Franse revolutie geïnspireerde klassieke school een onheilzame combinatie van geldzucht, individualisme en laissez faire, laissez passer predikte. Navolging van het “mercantiele evangelie” van de struggle for money in de bezittende klasse zou onvermijdelijk leiden tot een struggle for life in de arbeidersklasse. Dit terwijl Christus zich keert tegen het kapitaliseren en ons oproept geen schatten op aarde te verzamelen. Het naar bezit strevende egoïsme van de Franse revolutie liep volgens Kuyper uit op een verstoring van de “sociale samenbinding van een organisch-samenhangend maatschappelijk leven” (1891: 20). Dooyeweerd komt binnen zijn filosofie tot een soortgelijke conclusie. De in de klassieke school gewortelde moderne economie zou ertoe neigen het economische aspect te verabsoluteren. Waar economische motieven de overhand krijgen, wordt de werkelijkheid echter geweld aangedaan en komt het maatschappelijke en economische leven in verdrukking. “De schriftuurlijke werkelijkheidsvisie is daarom beslist superieur tegenover de humanistische”, aldus Dooyeweerd, “omdat zij, geleid door het grondmotief der Woord-open-baring, zowel de onherleidbaarheid en souvereiniteit in eigen kring van het economisch aspect als zijn onlosmakelijken samenhang met alle andere aspecten der geschapen werkelijkheid in rekening stelt” (1946: 3).

Besluit

Over Dooyeweerds economische opvattingen zou nog veel meer te zeggen zijn. Zo heb ik geen aandacht besteed aan zijn afwijzing van de planeconomie, zijn visie op maatschappelijk verantwoord ondernemen en zijn wijsgerige analyse van het vraagstuk van medezeggenschap van werknemers in bedrijven. Maar het zal duidelijk zijn dat de hierboven uiteengezette filosofie van de economie voldoende aanknopingspunten biedt om dergelijke maatschappelijke vraagstukken te bespreken. Hoewel er bij Dooyeweerd zeker geen sprake is van een afgeronde calvinistische economie, kan zijn denken hiervoor wel degelijk als uitgangspunt dienen. Verschillende economen hebben ook wel pogingen ondernomen om Dooyeweerds filosofie toe te passen binnen de economische wetenschap. Te denken valt aan het werk van A. van Kouwenhoven (1965), Roelf Haan (1975) en Bob Goudzwaard (1976). Tegelijkertijd is de potentie van zijn filosofie van de economie nog lang niet uitgeput en misschien wel relevanter dan ooit. De zelfgenoegzame economische professie lijkt zich er immers nog altijd niet van bewust dat economische normativiteit niet met zich laat spotten.

J.W. (Joost) Hengstmengel MA MSc is redacteur van Radix en als promovendus verbonden aan het Erasmus Institute for Philosophy and Economics te Rotterdam. E joosthengstmengel@gmail.com

Literatuur

Diepenhorst, P.A. (1904). Calvijn en de economie. Wageningen: Vada.

Dooyeweerd, H. (z.j.). Encyclopaedie der rechtswetenschap. Amsterdam: Drukkerij D.A.V.I.D.

Dooyeweerd, H. (1924-1925). Medezeggenschap der arbeiders in de bedrijven. In A. Anema e.a., red. Antirevolutionaire staatskunde 1. Kampen: Kok.

Dooyeweerd, H. (1926). Tweeërlei kritiek: Om de principieele zijde van het vraagstuk der medezeggenschap. In A. Anema e.a., red. Antirevolutionaire staatskunde 2. Kampen: Kok.

Dooyeweerd, H. (1935a). De wijsbegeerte der wetsidee, bk. 1, De wetsidee als grondlegging der wijsbegeerte. Amsterdam: H.J. Paris.

Dooyeweerd, H. (1935b). De wijsbegeerte der wetsidee, bk. 2, De functioneele zin-structuur der tijdelijke werkelijkheid en het probleem der kennis. Amsterdam: H.J. Paris.

Dooyeweerd, H. (1946). Het wetsbegrip in de economie. Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte, augustus: 1-2.

Dooyeweerd, H. (1949). De sociologische verhouding tussen recht en economie en het probleem van het zgn. “economisch recht”. In H. Dooyeweerd e.a., red. Opstellen op het gebied van recht, staat en maatschappij. Amsterdam: S.J.P. Bakker.

Dooyeweerd, H. (1954). De analogische grondbegrippen der vakwetenschappen en hun betrekking tot de structuur van den menselijken ervaringshorizon. In Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 17, Amsterdam: NoordHollandsche Uitg. Mij.

Dooyeweerd, H. (1955). A New Critique of Teoretical Tought, dl. 2, Te General Teory of the Modal Spheres. Amsterdam/Philadelphia: H.J. Paris/Presbyterian and Reformed Publishing.

Dooyeweerd, H. (1963). Vernieuwing en bezinning. Zupthen: J.B. van den Brink.

Gaay Fortman, W.F. de (1956). Architectonische critiek: Fragmenten uit de sociaal-politieke geschriften van dr. A. Kuyper. Amsterdam: H.J. Paris.

García de la Sienra, A. (2010). Te economic sphere. Axiomathes 20(1): 81-94.

Goudzwaard, B. (1976). Kapitalisme en vooruitgang: Een eigentijdse maatschappijkritiek. Assen: Van Gorcum.

Goudzwaard, B. (1986). Christian social thought in the Dutch neo-Calvinist tradition. In W. Block en I. Hexham, red. Religion, Economics and Social Tought. Vancouver: Fraser Institute, 251-279.

Haan, R.L. (1975). Economie in principe en praktijk: Een methodologische verkenning. Groningen: Jan Haan b.v.

Eikema Hommes, H.J. van (1982). Inleiding tot de wijsbegeerte van Herman Dooyeweerd. ‘s-Gravenhage: M. Nijhoff.

Kalsbeek, L. (1970). De Wijsbegeerte der Wetsidee: Proeve van een christelijke filosofie. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn.

Kee, B. (1996). Filosofie van de economie. In R. van Woudenberg, red. Kennis en werkelijkheid. Amsterdam/Kampen: Buijten & Schipperheijn. Knol, J.G. (1980). Economie op weg. In M. van Os en W.J. Wieringa, red. Wetenschap en rekenschap, 1880-1980. Kampen: Kok.

Kouwenhoven, A. van (1965). Vrijheid en gelijkheid: Bijdrage tot de critiek op de immanentie-filosofie als grondslag van de economische wetenschap. Kampen: J.H. Kok.

Kuyper, A. (1880). Souvereiniteit in eigen kring. Amsterdam: J.H. Kruyt.

Kuyper, A. (1891). Het sociale vraagstuk en de christelijke religie. Amsterdam: J.A. Wormser.

Robbins, L. (1935). An Essay on the Nature & Significance of Economic Science. London: Macmillan.

Spier, J.M. (1946). Inleiding in de Wijsbegeerte der Wetsidee. Kampen: Kok.

Tiemstra, J.P. (1999). Every square inch: Kuyperian social theory and economics. In J.M. Dean en A.M.C. Waterman, red. (1999). Religion and Economics: Normative Social Teory. Boston: Kluwer.

Verrijn Stuart, C.A. (1904). Mr. T. de Vries. Beginselen der Staathuishoudkunde. I. Inleidend gedeelte. De Economist 53(2): 923-932.

Visser, H. (1999). Hoed je voor profeten! Economisch Statistische Berichten 84(4236): 970-973.

Vries, T. de (1904). Beginselen der staathuishoudkunde, dl. 1, Inleidend gedeelte. ‘s-Gravenhage: T.C.B. ten Hagen.

Woudenberg, R. van (2004). Gelovend denken: Inleiding tot een christelijke filosofie. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn.

1 Zie voor Kuypers sociaaleconomische opvattingen en de door hem in gang gezette neo-calvinistische traditie De Gaay Fortman (1956), Goudzwaard (1986) en Tiemstra (1999).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.