+ Meer informatie

Klassiekers

Wealth of Nations en Theory of Moral Sentiments: Das Smith Problem

31 minuten leestijd

1. Inleiding

Adam Smith is bekend geworden als de grondlegger van de markteconomie. Zijn boek An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, of kortweg de Wealth of Nations (WN), is niet voor niets opgenomen in de Great Minds Series van Prometheus Books. Het boek is nog steeds actueel en veel economen verwijzen ernaar in hun werk. Met name na de revitalisering van het denken over de vrije markt in het begin van de jaren tachtig en het pleidooi voor internationale marktwerking staat Adam Smith weer volop in de belangstelling. Iets minder bekend, maar eigenlijk nog lezenswaardiger is het boek The Theory of Moral Sentiments (TMS). De TMS was het eerste boek van Adam Smith en na de WN zijn meest omvangrijke werk. Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1759 (de WN verscheen in 1776). Gedurende het leven van Smith verschenen van de TMS nog vier nieuwe edities. De zesde editie was door Smith verzorgd, maar verscheen pas na zijn dood (Verwest 1986).1

Interessant is dat beide boeken geheel verschillend zijn en zelfs een tegengestelde boodschap lijken te bevatten. In de TMS observeert Smith dat mensen sympathie voor elkaar hebben. Deze sympathie kan niet verklaard worden uit het eigenbelang, omdat deze gevoelens zich vaak direct opdringen, voordat een reflectie over de in het geding zijnde belangen kan plaatsvinden. In de WN bezigt Smith daarentegen de idee dat het economisch gedrag door nastreven van het eigenbelang wordt gedreven. Helaas heeft Adam Smith zelf geen toelichting gegeven op de vraag hoe hij de verhouding tussen beide boeken ziet. Dit stelt ons voor een interpretatieprobleem. In de literatuur is deze divergentie binnen de visie van Smith aangeduid met Das Smith Problem (Etzioni 1988).

De doelstelling van dit artikel is het Smith-probleem verder te verduidelijken. Daartoe worden eerst de WN en de TMS in hoofdlijnen besproken. Daarna volgt een vergelijking en een slotbeschouwing met een korte leesaanbeveling.

2. Wealth of Nations

De WN is een dikke pil met beschouwingen over de werking van de economie. Het boek leest niet echt vlot. Talrijke onderwerpen komen aan de orde, niets wordt onbelangrijk geacht. Als Smith over de economische betekenis van zilver komt te spreken, schrijft hij als het ware tussen haakjes een beschouwing van 75 bladzijden over dit metaal en alles wat ermee samenhangt (Heilbronner 1986). De kracht van Smith is echter zijn opmerkzaam vermogen. Telkens stuiten wij op inzichten en heldere formuleringen die het boek interessant en levendig maken. Een voorbeeld daarvan is de beroemde passage van de speldenfabriek, waarin de arbeidsverdeling levendig beschreven wordt. Adam Smith was getroffen door de geweldige vergroting van de arbeidsproductiviteit door arbeidsverdeling en specialisatie die in zijn tijd op gang kwam (en in onze tijd nog veel verder voortgeschreden is). Een arbeider die niet gespecialiseerd is en in zijn eentje het productieproces van het maken van een speld doorloopt, kan hooguit twintig spelden per dag maken. Door het werk op te splitsen in acht verschillende gespecialiseerde handelingen kan een groep van tien arbeiders wel 48 duizend spelden per dag maken. Door de specialisatie kan de tijd die verloren gaat door van de ene op de andere handeling over te gaan worden bespaard. Bovendien ontwikkelt elke arbeider een enorme vaardigheid als hij zich kan concentreren op één bepaalde taak.

Arbeidsverdeling leidt echter alleen tot welvaart als de goederen die uit zo’n gespecialiseerd arbeidsproces voortkomen, efficiënt kunnen worden verhandeld. Hoe meer handel er is, hoe meer specialisatie er mogelijk is. Daarmee komen wij op het centrale thema van de WN: de rol van de vrije markt in het creëren van economische welvaart. In de tijd van Adam Smith was de economische politiek mercantilistisch, waarbij de markten in hoge mate gereguleerd werden door de overheid. Volgens Smith biedt een markt vrij van regulering een efficiëntere verdeling van goederen en diensten. Een eerste reden is dat een vrije markt tot een natuurlijk prijsniveau leidt, waarbij een product goed verhandeld wordt in overeenstemming met de kosten die nodig waren om het te maken. De concurrentie op de vrije markt dwingt de producenten hun prijs zo laag mogelijk te stellen, want als hun prijs afwijkt van die van de concurrent, is het verlies aan marktaandeel erg groot. Bij perfecte concurrentie leidt een klein prijsverschil al tot een volledig verlies aan afzet. De vrije marktwerking bevordert ook een perfecte allocatie van productiemiddelen (kapitaal en arbeid). Als de voorkeuren aan de vraagzijde van de markt veranderen, zal de prijs van goederen die uit de gratie raken dalen, en zullen producenten die in dit marktsegment actief zijn gedwongen worden hun productie te verminderen of te staken. De prijs van goederen waaraan een groeiende behoefte is, zal daarentegen stijgen en producenten zullen een prikkel hebben om in deze winstgevende markten te investeren, zodat het aanbod zich aanpast aan de vraag. Deze optimale afstemming tussen vraag en aanbod tegen zo laag mogelijke prijzen dient de welvaart op macroniveau. Een heel interessant aspect van de theorie van Smith is dat deze goede uitkomst wordt bereikt door mensen die enkel vanuit het motief van eigenbelang handelen. Onbedoeld dienen zij door hun op eigenbelang gerichte handelingen de welvaart van anderen. Alhoewel de gedachte niet geheel nieuw was2, heeft Adam Smith deze gedachte het meest systematisch uitgewerkt in zijn theorie over het prijsmechanisme. De theorie van de onbedoelde gevolgen kan worden geïllustreerd met enkele bekende uitspraken uit de WN:

“He [the businessman] generally, indeed, neither intends to promote the public interest, nor knows how much he is promoting it [...] he intends only his own gain, and he is in this, as in many other cases, led by an invisible hand to promote an end which was no part of his intention [...]. By pursuing his own interest he frequently promotes that of the society more effectually than when he really intends to promote it.” (1776: 351- 352)

Deze uitspraak laat zien dat Adam Smith gelooft dat een ondernemer die enkel uit is op het maken van winst het algemeen belang veel meer dient dan een ‘sociale’ ondernemer die uit goede bedoelingen probeert zijn onderneming ten dienste van de samenleving te laten zijn. De op eigenbelang gerichte ondernemer zoekt naar de gaten van de markt en voorziet daarmee de producten waarnaar de meeste vraag bestaat. Door producten aan te bieden gaat de prijs daarvan dalen en wordt de welvaart van de consumenten verhoogd. Alhoewel de ondernemer alleen zijn eigenbelang voor ogen heeft, dient hij onbedoeld de belangen van anderen. Er is daardoor harmonie tussen de zogenaamde werkende oorzaak – het streven naar vergroting van het eigen inkomen - en de finale oorzaak vanuit een teleologisch perspectief3 – de welvaart van de samenleving als geheel. Adam Smith gebruikt de metafoor van de onzichtbare hand om het idee weer te geven dat als mensen vrij met elkaar interacteren, het nastreven van hun eigenbelang niet onverenigbaar is met het algemeen belang (Peil 1995).

Deze gedachte is tot aan de dag van vandaag gemeengoed onder economen. Zoals Arrow en Hahn stellen:

“There is by now a long and fairly imposing line of economists from Adam Smith to the present who have sought to show that a decentralized economy motivated by self-interest and guided by price signals would be compatible with a coherent disposition of economic resources that could be regarded, in a well-defined sense, as superior to a large class of possible alternative dispositions.” (Sen 1977: 321)

Terwijl wij chaos zouden hebben verwacht als mensen zich enkel door hun eigenbelang laten leiden, zien wij tot onze verbazing dat het marktmechanisme een harmonieuze en coherente samenleving mogelijk maakt. Daaraan hebben latere economen toegevoegd dat de markt een zeer efficiënt mechanisme is om informatie door te geven. Een individuele vrager of aanbieder hoeft alleen maar op de prijs/kwaliteit-verhouding te letten van enkele goederen die hij of zij met elkaar vergelijkt. Indien een sociale planner een optimale afstemming van vraag en aanbod zou moeten bewerkstelligen in plaats van de markt, zou deze oneindig veel meer informatie nodig hebben om een vergelijkbaar efficiënte afstemming te kunnen bepalen.4

3. Theory of Moral Sentiments

De TMS wordt tot de klassieke moraalfilosofie gerekend, maar kan eveneens als een voorloper op de meer positieve menswetenschappen als sociologie en psychologie worden beschouwd (Van Erp 1986). De TMS (met als subtitel An essay towards an analysis of the principles by which men naturally judge concerning conduct and character, first of their neighbors, and afterwards of themselves, die Smith overigens pas toevoegde bij de zesde druk ervan) handelt namelijk over twee vragen: 1. Wat is gepast gedrag? 2. Hoe komt dit gedrag tot stand? De eerste vraag is een morele vraag, waar ik in het bestek van dit artikel niet op inga.5 Het kernbegrip dat Smith gebruikt om antwoord te geven op deze vraag is het gevoel van gepastheid. De tweede vraag is een sociaal-psychologische vraag, waarop wij nu onze aandacht zullen richten. Het kernbegrip dat Smith hiervoor gebruikt is sympathie.

Sympathie

Alhoewel Smith een vrij optimistisch mensbeeld had, stelt hij toch niet een al te groot vertrouwen in de rationaliteit van de mens. Mensen zijn vaak juist niet rationeel. De rationaliteit van de mens kan daarom niet de basis zijn voor de harmonie in de samenleving. Alleen God heeft de wijsheid om ervoor te zorgen dat mensen gelukkig worden (Berns/Van Stratum 1986). De Auteur van de Natuur heeft daarom de mens begiftigd met een meer direct instinct dat het menselijk geluk verzekert, namelijk het sentiment van de sympathie.6 Net zoals het eigenbelang een werkende oorzaak is in het economisch handelen, is sympathie een werkende oorzaak in de intermenselijke verhoudingen die de doeloorzaak van geluk en menselijke perfectie dient. Al gelijk in de eerste zin van de TMS start Smith met een beschrijving van sympathie:

“How selfish so ever man may be supposed, there are evidently some principles in his nature, which interest him in the fortune of others, and render their happiness necessary to him, though he derives nothing from it, except the pleasure of seeing it.” (1759: 1)

Smith definieert sympathie als medegevoel met de gevoelens van anderen. Wij voelen bijvoorbeeld mee als wij in Irak een onschuldige westerling zien die gevangen genomen is door radicale moslims, gemarteld wordt en grote kans loopt geëxecuteerd te worden. Wij voelen medelijden en huiveren bij de gedachte aan wat deze man moet doormaken. Dit gevoel is zo direct, dat zij niet afgeleid kan worden van overwegingen van eigenbelang. Mensen ervaren dit medegevoel door zich in verbeelding te verplaatsen in de positie van de ander. Alleen door ons te verplaatsen in de situatie van de ander kunnen wij ons inleven in wat de ander voelt en een medegevoel met zijn gevoelens ontwikkelen.

Behoefte aan sympathie van anderen

Het menselijk vermogen om zich te verplaatsen in de situatie van anderen bevordert de harmonie in de samenleving, omdat wij hierdoor een beter begrip van de ander krijgen. Ook op een andere manier komt het de harmonie ten goede. Een van de sterkste motieven in het menselijk handelen is volgens Smith de behoefte om sympathie van anderen te krijgen:

“Nothing pleases us more than to observe in other men a fellow-feeling with all the emotions of our own breast; nor are we ever so much shocked as by the appearance of the contrary.” (1759: 10)7

Daarmee komen wij weer dichter bij het mensbeeld uit de WN, waarin het nastreven van het eigenbelang de boventoon voert. Ook de behoefte om gewaardeerd te worden door anderen interpreteert Smith als een voorziening van de Natuur:

“Nature, when she formed man for society, endowed him with an original desire to please, and an original aversion to offend his brethren. She taught him to feel pleasure in their favorable, and pain in their unfavorable regard.” (1759: 170)

En elders merkt hij op:

“The all-wise Author of Nature has, in this manner, taught man to respect the sentiments and judgments of his brethren, to be more or less pleased when they approve of his conduct, and to be more or less hurt when they disapprove of it.” (1759: 185)

De wens om gewaardeerd te worden zorgt eveneens voor harmonie, want het stimuleert mensen om datgene te doen wat andere mensen goed en respectabel achten. Om te weten hoe anderen over je zullen oordelen, is wederom het vermogen om zich in de ander te verplaatsen noodzakelijk. Door zich in verbeelding in de ander te verplaatsen kan men nagaan welke indruk het eigen handelen op de ander zal maken. Wij worden bij wijze van spreken dan waarnemer van ons eigen gedrag door de ogen van de ander en stellen ons vervolgens voor welk oordeel de ander daarover zal vellen.

Interessant is nu dat de behoefte om de goedkeuring van anderen te verkrijgen ook in de economie tot uitdrukking komt, namelijk in de menselijke eigenschap om handel te drijven. Smith illustreert dit in de WN met het bekende voorbeeld van de slager, de bakker en de brouwer: “ […] it is not from the benevolence of the butcher, the baker and the brewer that we expect our dinner, but from their regard for their own self-interest.” (1776: 20) In de handel gaat het niet alleen om het eigenbelang, maar ook om het verkrijgen van de goedkeuring van de ander. Mensen verplaatsen zich daarom in de positie van de ander en ontwikkelen zo argumenten die aansluiten bij het belang van de ander. Elke handelspartner is zich bewust van de noodzaak dat hij de ander moet overtuigen dat de transactie ook het belang van de ander dient. De transactie dient in het wederzijds belang te zijn. De markt is daarom niet een onpersoonlijk systeem, maar een plaats waar mensen met elkaar omgaan uit een behoefte aan wederkerige sympathie (Peil 1995).

Smith verklaart ook de zucht naar rijkdom uit de behoefte aan sympathie van anderen. Volgens Smith neigen mensen ernaar – helaas – meer mee te leven met de gevoelens van de rijken dan met de gevoelens van de armen. Het is om deze reden dat mensen graag rijk willen zijn, niet vanwege de behoefte aan de noodzakelijke materiële goederen:

“From whence, then, arises that emulation which runs through all the different ranks of men, and what are the advantages that we propose by that great purpose of human life which we call bettering our condition? To be observed, to be attended to, to be taken notice of with sympathy, complacency and approbation, are all the advantages which we can propose to derive from it.” (1759: 70-71)

En elders stelt Smith:

“The desire of becoming the proper object of this respect, of deserving and obtaining this credit and rank among our equals is, perhaps, the strongest of all our desires, and our anxiety to obtain the advantages of fortune is accordingly much more excited and irritated by this desire, than by that of supplying all the necessities and conveniences of the body, which are always very easily supplied.” (1759: 310-311)

Overigens is Smith zelf van mening dat geld niet gelukkig maakt. Mensen die dag en nacht werken om op te kunnen klimmen, offeren vaak datgene op wat werkelijk rust en geluk schenkt. Toch heeft de Natuur een bedoeling met de misleidende gedachte dat geld gelukkig zou maken. Hierdoor wordt de mens namelijk aangezet tot hard werken en dit komt uiteindelijk de welvaart op macroniveau ten goede:

“It is this deception which rouses and keeps in continual motion the industry of mankind. It is this which prompted them to cultivate the ground, to build houses, to found cities and commonwealths, and to invent and improve all the sciences and arts, which ennoble and embellish human life.” (1759: 263)

De rechtvaardiging van deze jacht naar rijkdom, macht en aanzien is gelegen in de welvaart van de gewone man. In de achttiende eeuw kende Engeland een ontstellend groot aantal armen, anderhalf miljoen op een totale bevolking van twaalf of dertien miljoen. En volgens Smith kan geen samenleving gelukkig en voorspoedig zijn als het overgrote deel van haar leden arm en ellendig is. Het einddoel van de werking van de onzichtbare hand is die armoede op te heffen. Een citaat dat dit illustreert handelt over de rijke grootgrondbezitter die:

“[…] is led by an invisible hand to make nearly the same distribution of the necessaries of life which would have been made had the earth been divided into equal portions among all its inhabitants; and thus, without intending it, without knowing it, advance the interest of the society, and afford means to the multiplication of the species. When providence divided the earth among a few lordly masters, it neither forgot nor abandoned those who seemed to have been left out in the partition. These last, too, enjoy their share of all that it produces. In what constitutes the real happiness of human life, they are in no respect inferior to those who would seem so much above them.” (1759: 265)

Het geweten Toch laten mensen zich volgens Smith niet enkel leiden door hun behoefte aan waardering. God heeft de mens ook een geweten gegeven dat een kompas biedt dat zelfs tegen de mening van anderen kan ingaan:

“We can be more indifferent about the applause, and, in some measure, despise the censure of the world.” (1759: 164)

Ook dit is een voorziening die de Natuur getroffen heeft:

“Nature, when she formed man for society, endowed him with an original desire to please […] his brethren [...] But this desire of the approbation (by his brethren) […] would not alone have rendered him fit for that society for which he was made. Nature, accordingly, has endowed him, not only with a desire for being approved of, but with a desire for being what ought to be approved of; or for being what he himself approves of in other men.” (1759: 170)

Wat de mens behoort te doen, kan hij weten door de ‘onpartijdige toeschouwer’ (Van Leeuwen 1984). Het idee van de onpartijdige toeschouwer start met de notie dat het makkelijker is om te sympathiseren met de gevoelens van andere toeschouwers – het publiek – dan met de gevoelens van degenen die in een bepaalde zaak direct betrokkenen zijn, omdat de toeschouwers de situatie meer van een afstand beoordelen. De sympathie van het publiek is daarom een betere standaard om de gepastheid van de gevoelens te beoordelen dan de gevoelens van de direct betrokkenen. In de laatste editie van de TMS verbindt Smith dit idee met het subjectieve morele geweten van mensen. Het individu maakt zich de onpartijdige toeschouwer eigen in zijn geweten:

“The all-wise Author of Nature has […] made man [...] the immediate judge of mankind [...] and appointed him […] to superintend the behavior of his brethren [...]. But though man has, in this manner, been rendered the immediate judge of mankind, he has been rendered so only in the first instance; and an appeal lies from his sentence to a much higher tribunal, to the tribunal of their own consciences, to that of the supposed impartial and well-informed spectator, to that of the man within the breast, the great judge and arbiter of their conduct.” (1759: 185)

Het is deze innerlijke mens die verlangt werkelijk prijzenswaardig te zijn. Op deze wijze heeft God volgens Smith verzekerd dat het geluk van de mensen bevorderd wordt, zoals Hij dat bedoeld heeft toen Hij hem schiep.

4. Das Smith Problem

Hoe verhoudt de TMS zich nu tot de WN? Op het oog doen zich immers belangrijke verschillen voor. In de TMS schetst Smith de mens als een wezen dat sympathie heeft voor die mensen wiens gevoelens hij goedkeurt. Mensen lijken om veel meer te geven dan enkel materieel gewin. Zij putten vreugde bij het zien van het geluk van anderen. Bovendien worden zij in hun handelingen ook geleid door een innerlijke stem die hen aandrijft om datgene te doen wat men behoort te doen, zelfs als dat ingaat tegen de heersende mening. Wijst dit er niet op dat Smith de morele lessen die hij in de TMS biedt overboord heeft gezet in zijn verhandeling over de economie (Collard 1978)? De reden daarvoor zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat het domein van de economie om heel andere omgangsvormen vraagt dan andere domeinen van menselijk verkeer. Menselijke sentimenten als sympathie zijn belangrijk in sociale relaties maar misplaatst in het zakenleven.

Toch kan bezwaar worden gemaakt tegen deze strikte scheiding tussen de TMS en de WN. Allereerst blijkt ook in de TMS het eigenbelang een zeer grote rol te spelen. Zo interpreteert Sen (1977) het sentiment van de sympathie in hoge mate als een egoïstisch sentiment, omdat het bijdraagt aan het geluk van degene die sympathiseert met de gevoelens van anderen. Sen illustreert dit met het voorbeeld van marteling. Het maakt een groot verschil of je daartegen protesteert omdat het zien van een marteling je misselijk maakt (door het meevoelen met de gemartelde door sympathie voor diens gevoelens), of omdat je principieel tegen martelen bent en je denkt dat het je morele plicht is om martelen te stoppen, ook al voel je je er persoonlijk niet slechter door als je weet dat sommige mensen gemarteld worden. In het laatste geval is de motivatie niet gelegen in het eigenbelang, maar in een commitment aan de moraal.

Ook anderszins sluit het mensbeeld uit de TMS aan bij dat in de WN. De zucht naar rijkdom omwille van aanzien en de behoefte aan goedkeuring in de TMS zijn consistent met het op eigenbelang gericht economisch handelen in de WN. Mensen begeren niet alleen rijkdom, maar ook status. Een andere overeenkomst is dat Smith in de TMS ervan uitgaat dat echt altruïstisch toch betrekkelijk weinig voorkomt. Alhoewel mensen meevoelen met anderen, is men hoofdzakelijk solidair met degenen die men goed kent. In plaats van echte liefde om niet is veeleer sprake van wederkerigheid. Dat wil zeggen: wij zijn vooral goedgezind jegens degenen die ons in het verleden goedgezind zijn geweest (en kwaadgezind jegens hen die ons kwaad hebben aangedaan). Hoewel wij ook enigermate betrokken zijn op het ongeluk van mensen die wij niet persoonlijk kennen, zijn deze gevoelens veel minder sterk dan de gevoelens voor onszelf en voor degenen met wie wij een nauwe relatie hebben. Adam Smith ziet universele welwillendheid daarom veeleer als een heilige deugd, waartoe de mens vanwege zijn imperfectie niet in staat is. Het behoort tot het domein van God:

“[…] the care of the universal happiness of all rational and sensible being, is the business of God and not of man. To man is allocated a much humbler department […] the care of his own happiness, that of his family, his friends, his country.” (1759: 348)

Dit gebrek aan vertrouwen in de welwillendheid van mensen wordt ook uitgedrukt in een zinsnede in de WN die direct volgt op het citaat over de slager, bakker en de brouwer: “Nobody but a beggar chuses to depend chiefly upon the benevolence of his fellow-citizens.” (1776: 20) Het is riskant om te vertrouwen op de welwillendheid van andere mensen, als deze deugd maar zo beperkt aanwezig is onder de mensen.

Maar ook op een andere manier kunnen de verschillen tussen de TMS en de WN worden gerelativeerd. Aangrijpingspunt is dan dat de mens ook in zijn economische handelingen de goedkeuring van anderen zoekt. Er is sprake van wederkerigheid in de handelsrelatie. Alhoewel iedere partij gemotiveerd wordt door het eigenbelang, is het najagen daarvan wel afhankelijk van de goedkeuring of sympathie van de anderen en dus onderworpen aan de waarden en normen in de gemeenschap. Het najagen van het eigenbelang in de WN wordt begrensd door de normen van rechtvaardigheid, zoals Smith definieert in de TMS. Smith (1759: 319) verstaat onder de deugd van rechtvaardigheid een heilige zorg om het geluk van de naaste niet te storen of te schaden. Mensen ervaren deze plicht sterker dan de morele plicht om weldadig te zijn. Dit is ook nodig, want als mensen geen moeite zouden hebben om elkaar schade toe te brengen, zou de samenleving niet kunnen voortbestaan.

“Men, though naturally sympathetic, feel so little for another with whom they have no particular connection, in comparison of what they feel for themselves […] they have it so much in their power to hurt him and so many temptations to do so, that if this principle (of justice) did not stand up within them in his defense, they would like wild beasts, be at all times ready to fly upon him.” (1759: 125)

Zonder dit morele sentiment van de rechtvaardigheid kan de economie zoals Smith die schetst in de WN niet functioneren. De analyse van de menselijke psyche in de TMS wordt dus ook impliciet verondersteld in de economische analyse in de WN.

Een laatste overeenkomst tussen beide boeken is de werking van de onzichtbare hand. In beide boeken staat de gedachte centraal dat de op eigenbelang gerichte strevingen van de mensen toch naar de bedoeling van God zijn, omdat zij bijdragen aan de welvaart van allen en dus ook van de armen.8

Mijn conclusie is derhalve dat de Wealth of Nations en de Theory of Moral Sentiments toch een hoge mate van overeenstemming vertonen. In beide boeken wordt het nastreven van eigenbelang als een belangrijk motief van het menselijk handelen beschouwd. Niet alleen als een descriptief beginsel dat een goede beschrijving geeft van het feitelijke gedrag van mensen en hun intenties, maar ook als normatief beginsel in de zin dat het nastreven van het eigenbelang ook bedoeld is door God, omdat het tot welvaart leidt en het lot van de arme verbetert. Tegelijkertijd is het nastreven van dit eigenbelang ingekaderd in een breder mensbeeld, waarin ook het menselijke geweten, de deugd van de rechtvaardigheid en wederkerigheid een belangrijke sturende rol hebben.

5. Slotbeschouwing

De actualiteit van de Wealth of Nations en de Theory of Moral Sentiments behoeft in een tijd waarin (internationale) marktwerking alom steun krijgt nauwelijks enige toelichting. Het zijn niet alleen fervente verdedigers van de vrije markt en globalisering, zoals Norberg (2000), die veelvuldig verwijzen naar Adam Smith. Ook komt in toenemende mate empirisch economisch onderzoek beschikbaar, waaruit blijkt dat er een positief verband tussen economische vrijheid en economische groei bestaat (Dawson 1998; Sturm/Haan 2001; Doucouliagos/Ulubasoglu 2006).9 Een open markteconomie kan meer profiteren van de aanwezige kennis in de wereld dan een afgeschermde economie (Van de Klundert 2005). Zelfs lijkt er enige empirische steun te bestaan voor de stelling dat een markteconomie niet tot grotere inkomensverschillen maar veeleer tot een meer gematigde welvaartsverdeling leidt, zoals Smith verdedigde. Berggren (1999) indiceert dat een voortdurende en geleidelijke toename in economische vrijheid een positieve invloed heeft op gelijkheid, maar dat het absolute niveau van economische vrijheid in sommige gevallen negatief gerelateerd is aan economische gelijkheid. Scully (2002) vindt eveneens dat economische vrijheid niet alleen economische groei bevordert, maar ook economische gelijkheid.

Het lijkt mij voor een christelijk lezerspubliek belangrijk om de lessen van Smith serieus te nemen. De wereld waarin wij leven wijkt sterk af van een ideale wereld, waarin ieder ‘onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom’ kan zitten. Deze feitelijke situatie daagt christenen uit om zich in te zetten voor de heling van de gebroken werkelijkheid. Maar voor het ontwerp van macro- en micro-ethische richtlijnen dient men wel een juiste voorstelling te hebben van hoe de werkelijkheid ten goede kan worden veranderd. Ook als christen denk ik dat het eigenbelang in de praktijk een van de belangrijkste motieven is van het menselijk handelen (zonder een eenzijdig streven ernaar daarbij ook te legitimeren). Dat betekent dat men soms instituties moet bevorderen die steunen op het eigenbelang, ook al dreigt daarmee een spanning te ontstaan met christelijke principes zoals het principe van de naastenliefde. Je hebt in een complexe economie het prijssysteem nodig om mensen in staat te stellen datgene te doen wat de welvaart van anderen bevordert.

Tegelijkertijd dient men zich ook te realiseren dat de vrije markteconomie waarvoor Smith pleitte, niet zonder meer als leidraad voor het huidige economisch beleid en de inrichting van de economische orde kan worden genomen. Een van de punten waar Smith bijvoorbeeld weinig oog voor had, is dat de markt onderhevig is aan zogenoemde externe effecten. Externe effecten zijn kosten of baten van een keuze die niet gedragen worden door of ten goede komen aan degene die deze keuze maakt en ook niet aan hem of haar kunnen worden toegerekend vanwege een ontbrekende markt. In een vrije markt waarin individuen of organisaties enkel gedreven worden door hun eigenbelang, zullen zij deze neveneffecten niet in hun overweging betrekken. Externe effecten liggen bijvoorbeeld ten grondslag aan de schade die een vrije markt toebrengt aan het milieu. Neem bijvoorbeeld het gebruik van de auto. Een individuele automobilist merkt niets van de uitlaatgassen die de auto uitstoot. Die verdwijnen in de lucht en vormen dus geen enkele belemmering voor hem- of haarzelf. Op geaggregeerd niveau is de uitstoot van autogassen echter uitermate schadelijk voor het milieu en de leefbaarheid in Nederland. Het verkeer is verantwoordelijk voor 59% van de uitstoot van koolmonoxide (broeikaseffect), 51% van de uitstoot van benzeen (kankerverwekkend), 41% van vluchtige organische stoffen (ozonafbraak) en 64% van de stikstofoxide (zure regen en vermesting). Op macroniveau leidt keuzegedrag gedreven door eigenbelang vanwege het bestaan van externe effecten dus tot een inefficiënte uitkomst. Er is dus wel degelijk een rol voor de overheid om door middel van belastingen en subsidieregelingen of door andere maatregelen het gedrag van mensen te corrigeren.

Ook is een belangrijke rol voor de overheid weggelegd in het toetsen van de uitkomsten van de markt aan de norm van een redelijke inkomensverdeling en zo nodig te corrigeren middels het belasting- en socialezekerheidsstelsel. Dat marktwerking een gelijkmatige inkomensverdeling kan bevorderen, lijkt mij vooral van toepassing op arme landen waar de eigendomsrechten nauwelijks beschermd worden. Voor de rijkere landen lijkt het echter ook wenselijk om de uitkomst van de vrije markt te corrigeren via collectieve-herverdelingcorrecties. Dit hoeft niet ten koste te gaan van de algehele welvaart. Illustratief daarvoor is het verschil tussen de Scandinavische landen en de Verenigde Staten.

De economie in Scandinavië kent een veel grotere mate van collectieve herverdeling dan de economie in de Verenigde Staten. Dit is van grote invloed op de inkomensverdeling en de positie van de minst bevoordeelden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de Gini-index. Deze index is gelijk aan nul bij een volkomen gelijke inkomensverdeling en gelijk aan 100 bij een volkomen ongelijke inkomensverdeling. Tabel 1 laat zien dat de Scandinavische landen een veel gelijkere inkomensverdeling kennen dan de Verenigde Staten, terwijl de economische productiviteit op macroniveau niet lager is. Een dergelijke model verdient om die reden mijns inziens de voorkeur boven het Amerikaanse model.

Leesadvies

Wie naar aanleiding van dit artikel geïnteresseerd is geraakt in het denken van Adam Smith, zou ik als leesadvies willen aanraden om de Theory of Moral Sentiments te lezen. Niet alleen omdat dit boek erg leuk is om te lezen, maar ook omdat men dan een breder begrip van het denken van Adam Smith krijgt. Om de normatieve theorie van Adam Smith goed te begrijpen is het overigens raadzaam om daarbij ook enige secundaire literatuur te raadplegen (zie onder andere de verwijzingen in dit artikel). Wie meer specifiek geïnteresseerd is in het economisch denken van Adam Smith, kan de Wealth of Nations of een selectie van enkele hoofdstukken overwegen. 10

Noten

1 Naast An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations en The Theory of Moral Sentiments schreef Adam Smith Essays on Philosophical Subjects, Lectures on Jurisprudence en Lectures on Rhetoric and Belles Lettres.

2 Al in 1656 beweerde de predikant Joseph Lee in zijn boek A Vindication of a Regulated Enclosure dat het algemeen belang ermee gediend is als ieder voor zichzelf kan bepalen wat hem het grootste voordeel oplevert. (Tawney 1964) En toen ik laatst het International Symposium of Catholic Social Thought bijwoonde, beweerde één van de sprekers, professor Magatti, dat al in 1546 een Duitse geleerde de sociale effecten van het streven naar eigenbelang had belicht.

3 Teleologie betekent dat men de eigenlijke verklaringsgrond der dingen zoekt in hun finale doelen, de zogenaamde eindoorzaken. (Störig 1990: 158)

4 De optimistische visie van Smith wordt soms in verband gebracht met zijn deïstische theologie. Volgens deze theologie heeft God (Smith spreekt ook vaak over Natuur) als een goede klokkenmaker de samenleving voorzien van een aantal mechanismen die harmonie en geluk verzekeren. Het deïsme was populair in de achttiende eeuw. Ook Newton, van wie Smith een groot bewonderaar was, verklaarde de regelmatige bewegingen van de planeten uit de verordeningen van een almachtig wezen. In de laatste druk van de TMS verdwijnt bij Smith de deïstische visie echter meer op de achtergrond. (Kerkhof 1986b)

5 Zie daartoe Graafland 2006, paragraaf 10.2

6 Daartoe heeft God volgens Smith ook nog andere gevoelens in de mens geplant, zoals het gevoel van honger om te blijven leven en seksuele gevoelens met het oog op de voortplanting (Kerkhof 1986a).

7 In de Lectures on Jurisprudence spreekt Smith ook over de keerzijde, namelijk dat de mens voortdurend bang is om door anderen veracht te worden.

8 Goudzwaard (1982) stelt dat dit de reden is waarom Smith kritiek heeft op de ‘De fabel van de bijen’ van Mandeville, die als strekking heeft dat menselijke ondeugden tot publieke baten leiden. Het verschil is volgens Goudzwaard dat Mandeville een dilemma aanbrengt tussen de welvaart en de menselijke moraal, terwijl Smith weigert als pleitgever van menselijke ondeugden te worden beschouwd. Daar kan tegenin worden gebracht dat Smith de zucht naar rijkdom eveneens onder kritiek stelt. Hij beschouwt de neiging om meer mee te voelen met de rijken dan met de armen als een corruptie van de moraal, alhoewel hij tegelijkertijd deze corruptie weer als een voorzienigheid van de Natuur beschouwt om de mens aan te jagen tot economische prestaties.

9 Economische vrijheid wordt daarbij gemeten met een index die vijf elementen van economische vrijheid samenvat: de wettelijke structuur en zekerheid van eigendomsrechten; de toegankelijkheid van de kapitaalmarkt; de vrijheid van de internationale handel; de regulering van krediet, arbeid en bedrijven; en (negatief) de omvang van de overheid.

10 Bijvoorbeeld boek 1; boek 2:1; boek 2:3; boek 4:1-4:3.

Literatuur

Berggren, N. 1999. ‘Economic freedom and equality: Friends or foes?’. Public Choice 100: 203-234.

Berns, E.E., Stratum, R. van. 1986. ‘De plaats van de economie in Adam Smith’s ‘Moral Philosophy’. In: Berns G. (red.). Adam Smith: Ethiek, politiek en economie. Tilburg: Tilburg University Press.

Collard, D. 1978. Altruism & Economy: A Study in Non-Selfish Economics. Oxford: Martin Robertson.

Dawson, J.W. 1998. ‘Institutions, investment and growth: New cross-country and panel data evidence’. Economic Inquiry 36: 603-619. Doucouliagos, C., Ulubasoglu, M.A. 2006. ‘Economic freedom and economic growth: Does specification make a difference?’. European Journal of Political Economy 22: 60-81.

Erp, H. van. 1986. ‘De moraal van Adam Smith’. In: Berns G. (red.). Adam Smith: Ethiek, politiek en economie. Tilburg: Tilburg University Press.

Etzioni, A. 1988. The Moral Dimension: Towards a New Economics. New York: The Free Press.

Goudzwaard, B. 1982. Kapitalisme en vooruitgang: Een eigentijdse maatschappijkritiek. Assen/Amsterdam: Van Gorcum.

Graafland, J.J. 2006. Economics, Ethics and the Market: Introduction and Applications. London: Routledge.

Heilbronner, R.J. 1986. De Filosofen van het Dagelijks Brood. Amsterdam: Maarten Muntinga.

Kerkhof, B. 1986a. ‘Adam Smith en het achttiende-eeuws denken over de sociale werkelijkheid’. In: Berns G. (red.). Adam Smith: Ethiek, politiek en economie. Tilburg: Tilburg University Press.

Kerkhof, B. 1986b. ‘Systemen zijn als machines. Een opmerkelijke theorie over theorieën’. In: Berns G. (red.). Adam Smith: Ethiek, politiek en economie. Tilburg: Tilburg University Press.

Klundert, T. van de. 2005. Vormen van kapitalisme: Markten, instituties en macht. Utrecht: Lemma.

Leeuwen, A.Th. van. 1984. De nacht van het kapitaal: Door het oerwoud van de economie naar de bronnen van de burgerlijke religie. Nijmegen: SUN.

Norberg, J. 2002. Leve de Globalisering. Antwerpen/Amsterdam: Houtekiet.

Peil, J. 1995. Adam Smith en de economische wetenschap: Een methodologische herinterpretatie. Tilburg: Tilburg University Press.

Scully, G.W. 2002. ‘Economic freedom, government policy and the trade-off between equity and economic growth’. Public Choice 113: 77-96.

Sen, A. 1977. ‘Rational fools: A critique on the behavioral foundations of economic theory’. Philosophy and Public Affairs 6: 317-344.

Smith, Adam. 1759. The Theory of Moral Sentiments. New York: Prometheus Books.

Smith, Adam. 1776. An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations. New York: Prometheus Books.

Störig, H.J. 1990. Geschiedenis van de filosofie 1. Utrecht: Het Spectrum.

Sturm, J.E., Haan, J. de. 2001. ‘How robust is the relationship between economic freedom and economic growth’. Applied Economics 33: 893-933.

Tawney, R.H. 1964. Religie en de opkomst van het kapitalisme. Hilversum: De Boer.

Verwest, H. 1986. ‘De werken van Adam Smith’. In: Berns G. (red.). Adam Smith. Ethiek, politiek en economie. Tilburg: Tilburg University Press.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.