Door Het Licht Dat Nu Ontstoken Is -2-
Het begin van de Reformatie in Frankrijk
In het vorige nummer hebben we u laten zien hoe de dageraad van de Reformatie lichtte in de Abdij van St. Germain door de prediking van Faber, die door het lezen van de Bijbel en de bedauwing van Gods Geest tot ontdekking was gekomen dat de door de roomse kerk voorgestane leer en levenswandel op tal van punten afweken van de Schrift en daarom reformatie behoefden. De prediking van Faber werd ook in het Franse paleis gehoord, door moeder Louise van Savoye, door haar zoon, de latere koning Frans I, en door haar dochter Marguerite. De vorige keer hebben we u het een en ander verteld over moeder Louise. Ditmaal willen wij u meer vertellen over haar dochter Marguerite, over haar geloof, haar leven en haar werk ten gunste van de Hervorming.
O Waarheid, onbekend aan vele volken,
Ach, het wordt tijd dat deze zwarte wolken,
Waarin Gij schuilt, voor Uw gezicht verbreekt.
Hoe verlangend wordt Uw komst verbeid.
Kom, Heere Jezus, kom tot ons op aarde,
Maak ons de duisternis tot Licht. 1
Deze verzuchting slaakte Marguerite d’Angoulême, de zuster van koning Frans I van Frankrijk, in haar gedicht ‘Gebed van een vrome ziel’. Zij was het die, zo mogen we aannemen, door het licht van Gods Geest beschenen werd, zodat zij acht nam op de prediking van Faber in het koninklijk paleis. Zij was het die veel betekend heeft voor de voortgang van het Evangelie in Frankrijk.
Zij was het ook die ervoor zorgde dat de geschriften van Luther vertaald en gedrukt werden in het Frans. Veel van die geschriften kwamen uit Straatsburg, nu een stad in het oosten van Frankrijk, toen een zelfstandige stad. Het licht van Gods Geest was namelijk ook daar beginnen te schijnen.
Een grote verandering
In de stad Straatsburg woonde een pastoor Matthias Zell (1477-1548) geheten, die in 1517 door de bisschop benoemd was. Door de geschriften van Luther was hij tot bekering gekomen. Toen begon hij, net als Luther, in de volkstaal te preken uit en volgens de Heilige Schrift. Hij leerde dat de mens nooit door goede werken, maar alleen door het bloed van Christus gerechtvaardigd kan worden.
In de kapel van de grote kathedraal van Straatsburg ging hij de brief van Paulus aan de Romeinen uitleggen. Toen dit bekend werd, stroomden de mensen naar de kapel. Zijn redevoeringen maakten diepe indruk. Wat ze nu hoorden, was geheel nieuw! De kapel werd te klein voor de stroom mensen die hem kwam beluisteren. Vanzelf kwam daar de roomse parochie tegen op. Maar de Raad van Straatsburg koos de zijde van Zell.
De roomse kerk liet het er echter niet bij zitten. Dat kon zomaar niet doorgaan! In 1522 werd Zell beschuldigd dat hij te gemakkelijk absolutie, vergeving, gaf voor het niet uitvoeren van bepaalde liturgische taken en zich niet hield aan de verering van de maagd Maria. Hij moest verschijnen voor de bisschoppelijke vicaris. Hij kreeg niet langer toegang tot de preekstoel van de kapel. Maar dat weerhield hem niet door te gaan met prediken. Hij voelde zich daartoe gedrongen en wist ook de Raad van de stad achter zich. Een paar timmerlieden bouwden voor hem een preekstoel die verplaatsbaar was. Als hij dan niet op de preekstoel van de kapel en zeker niet op die van de kathedraal mocht, dan preekte hij maar op een provisorische preekstoel in het schip van de grote kathedraal. En de mensen verdrongen zich rond deze preekstoel om Gods Woord te horen.
‘Christliche Verantwortung’
Zell schreef een Christliche Verantwortung, die gepubliceerd werd in 1523. Hierin verantwoordde hij zich waarom hij tegen vele roomse gebruiken was. Als we het inleidend woord van dit boekje lezen, komen we te weten wat hem bewoog tot het uitgeven van een boek in de begintijd van de Hervorming. Hij was een zachtaardig man die de strijd liefst ontweek. Helemaal geen man die op de voorgrond wilde treden. Maar Gods Geest drong hem zich te verantwoorden tegenover de roomse kerk. We laten een klein gedeelte van het inleidend woord van zijn boek van ruim 400 bladzijden volgen:
“Alle liefhebbers van de evangelische Waarheid wens ik, Matthias Zell von Keysersberg, prediker in de domkerk Sint-Laurens te Strassburg, genade en vrede in Christus Jezus, onze Heere. Het is nooit in mij opgekomen een boek te schrijven en deze zelf in druk uit te geven. Ik acht mij daarvoor onvoldoende kennis te hebben. (…) Maar ik ben met geweld daartoe gedrongen, zodat ik er niet onderuit kon komen (…). Omdat anders Gods eer geschonden en de gelovigen geërgerd zouden worden.
Ik weet wel hoe een groot geschreeuw het land is doorgegaan dat ik een schadelijke leraar ben. Als het alleen om mijn smaad zou gaan, zou ik mij er weinig om bekommeren. Omdat hierdoor echter de Waarheid Gods geërgerd en tot leugen gemaakt wordt, wil ik recht daaraan doen en doorgeven wat God ook door mij, arme ongeleerde, zeggen wil. De zaak van de Goddelijke waarheid wordt meestal slechts door arme en ongeleerde mensen (zoals in het begin van de Christelijke kerk) weer vernieuwd. Als de grote geleerden het niet doen, zouden de stenen haast moeten spreken, omdat God Zijn Woord niet wil verzwegen hebben. Welaan, laat mij dan ook maar een steen van God zijn, ja, een dwaze, dan nog blijf ik Zijn schepsel met wie Hij naar Zijn welgevallen doet. Wie weet waartoe Hij mij ook nu gebruiken wil en wat Hij door mij wil doen. Want ik breng mijzelf niet, maar de zaak van het Evangelie van Christus, die openlijk gepredikt moet worden. Wij bidden u, lezers en toehoorders, u niet te laten verdrieten over mijn ongeordende rede (…).
Dit is echter mede een kleine oorzaak dat ik door de ijverige vermaning van de rechter teveel haast gemaakt heb met het antwoord (dat ik eerst in het Latijn en daarna in het Duits gemaakt heb, met de bedoeling beide gelijk uit te geven), maar de echte oorzaak is mijn onbekwaamheid. Het is niet sierlijk of mooi, maar ik hoop toch dat het waarachtig bevonden wordt, wat voor mij voldoende zal zijn, wat ik ook van iedereen hoop. Amen.” 2
Het geluid van het Evangelie klonk in de roomse kerk. Wie zal zeggen hoe velen er door de prediking van Matthias Zell tot het inzicht gebracht werden dat alleen Christus’ bloed, toegepast aan de ziel door het geloof, reinigt van alle zonden en geen roomse aflaat? De Heere werkte met het licht van Zijn Geest in duistere harten. De begerigheid waarmee de bevolking van Straatsburg de woorden van het Evangelie indronk, en de goede invloed die daarvan uitging op heel het openbare leven, hadden tot gevolg dat de magistraat op 1 december 1523 besloot dat alle predikers zich moesten houden aan het Heilig Evangelie.
Reformatie te Straatsburg
Zell werd bijgestaan door zijn studiegenoot Wolfgang Capito en door Martin Bucer, die wel de vergeten her- vormer van Straatsburg genoemd wordt. Bucer was een bestudeerd man, maar hij had niet de welsprekendheid van Zell. Toch luisterde de magi straat van Straatsburg graag naar zijn praktische adviezen. Hij ijverde voor meer controle op de leefwijze van de bewoners van Straatsburg. De kerkelijke tucht moest aangescherpt worden. Drinkgelagen, ontucht, luxe en spelen stempelden het klimaat van de stad. Daar moest paal en perk aan worden gesteld. Gods Woord werd meer en meer het richtsnoer om de stad te besturen. In 1529 werd de mis afgeschaft, tot grote woede van de roomse kerk. Kostbare priestergewaden waren niet meer in tel. Zij hadden hun betekenis verloren. Zilveren en gouden vaatwerk werd opgeborgen. De beelden werden weggehaald, crucifixen werden niet meer gedragen.
Zo was ook de Reformatie te Straatsburg begonnen zonder luidruchtigheid, zonder opzienbarende gebeurtenissen. De roomse kerk begreep dat haar oppositie tegen de Reformatie vruchteloos zou zijn, daar zij de magistraat niet op haar hand had. Op zijn beurt scheen de magistraat nog een zekere mate van verdraagzaamheid te tonen, omdat sommige gebouwen voor de roomse eredienst bleven bestaan.
Er is nog veel meer te vertellen over de Reformatie in Straatsburg. Maar dan dwalen we van ons doel af.
Graaf Sigismund von Hohenlohe
Hoe kwamen nu de reformatorische gedachten en geschriften in Frankrijk terecht bij Marguerite d’Angoulême? Ook daarvoor zorgde de Heere! Want de deken (een kerkelijke functionaris die boven de priesters staat) van het Domkapittel of kerkelijk bestuurscollege van Straatsburg, graaf Sigismund von Hohenlohe (1485-1534), werd getroffen door de predicaties van pastoor Zell en door de geschriften van Luther die de stad bereikten.
In het jaar 1525 gaf hij, evenals Zell, een boekje uit, het Creütz Biechlinn (Kruisboekje), zo genoemd naar het titelblad dat een door drie handen vastgehouden kruis toonde. Dit boekje van maar 25 bladzijden was helder van inhoud. Duidelijk kwam hierin uit wat hij als zijn roeping beschouwde en wat zijn gedachten over de ware godsdienst waren. Hij eindigde als volgt:
“Kortom, dit betuig ik voor God en alle engelen en mensen hier met dit geschrift, dat ik met mede weten van mijn goede Christelijke broeders heb laten uitgeven, en dat niet tot mijn roem of eer, want God moet alle eer gegeven worden. (…) Mijn gemoed en hart staan voor ieder open, in het bijzonder echter voor hen over wie ik gesteld ben om alle ware godsdienst te bevorderen en te vermeerderen. En als ik zie dat u hieraan gevolg geeft, zal dit mijn grootste vreugde zijn, waartoe ik mij steeds zal inspannen. (…). Ik zeg, en God weet dat wat ik zeg, waarheid is, dat ik mij zo veel ik kan, wil inspannen om onze abdij te hervormen naar het Goddelijke Woord, zodat de ware godsdienst verkondigd wordt.
Wij allen die Zijn eer zoeken, willen God bidden dat dit moge geschieden. Hij moge ons allen Zijn uitverkoren wegen leren (…), tot op de toekomst van Jezus Christus.” 3
Sigismund hield zijn onderdanen de zonden en zwakheden van de geestelijkheid voor: hun hebzucht, ergerlijk leven, aanbidding, ceremoniën, bedevaarten en vasten. De mis, die werd misbruikt tot het verkrijgen van geld, moest weer het Heilig Avondmaal worden volgens Gods Woord. Het celibaat moest opgeheven worden als zijnde een uitvinding van mensen. Als enige richtlijn voor het Christelijk geloof en leven erkende hij Gods Woord. Noch de paus, noch alle roomse voorschriften waren dat. Hij bewees zich dus door Gods genade als een trouwe volgeling van de Reformatie.
Sigismund besloot niet te rusten voordat geheel Frankrijk doordrongen was van de leer van vrije genade. Hij was een middel in Gods hand om het Evangelie in Frankrijk te verspreiden. Nauwelijks had hij een geschrift van Luther ontvangen of hij liet het in het Frans overzetten en drukken. Vervolgens zond hij het naar Marguerite d’Angoulême, die een nicht van hem was, in de hoop en verwachting dat deze het wel verder zou brengen. En daarin werd hij niet teleurgesteld. We hebben al iets gehoord van Marguerite. Het is daarom tijd dat we nader met haar gaan kennismaken.
Marguerites geboorteplaats Angoulême
Daarvoor gaan we in gedachten naar het stadje Angoulême, de geboorteplaats van Marguerite. Het stadje ligt in het zuidwesten van Frankrijk aan de snelstromende rivier de Charente. Het stadje kent een lange geschiedenis vanaf de tijd van de Romeinen. Het oude stadsgedeelte met prachtige oude gebouwen is geheel op de rotsen gebouwd. Als we aan de rivier staan, zien we boven alle huizen een burcht uitsteken. Daar is Marguerite geboren. Het is een hele klim naar het kasteel, maar het is de moeite waard. We wanen ons hier honderden jaren terug in de tijd, vooral als we door de smalle straatjes met aan weerszijden hoge huizen lopen. Huizen die er al in de tijd van de Reformatie stonden. Het stadje is omringd met een muur en bij de muur gekomen zien we beneden ons de snelstromende rivier de Charente. Hier kunnen we de hele omgeving overzien.
Als we het kasteel naderen, zien we ineens de naam van een zijstraat: Rue de Genève. Waarom zou die straat zo heten? Zou het met Calvijn te maken hebben? Inderdaad is dat het geval. We lopen in gedachten even vooruit op de geschiedenis. Calvijn heeft hier gewoond in het huis van Louis Tillet, waarheen hij gevlucht was na de reformatorische rede van de rector van de universiteit van Parijs, Nicolas Cop (ca. 1501-1540), op Allerheiligen (1 november 1533). Het huis staat er nog tot op de huidige dag en is nu een museum over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. We hopen nog terug te komen op enkele facetten uit het leven van Calvijn. In gedachten lopen we verder naar het kasteel. Een prachtige omgeving hier. Het oude gebouw met de zware toren staat op een plein met veel groen en bloemen. Het kasteel doet nu dienst als stadhuis. In de loop der tijden zijn verschillende gedeelten van het kasteel vernieuwd en aangebouwd. Maar het oudste gedeelte, de toren, gedeeltelijk bedekt met weelderig klimop, is nog goed te zien.
Het geloof van haar onderdanen
Als we rond het gebouw lopen, zien we een standbeeld van een vrouwspersoon. Dat is ze! Marguerite d’Angoulême, de Valois, gravin van Alençon, prinses van Frankrijk, later zelfs koningin van Navarre. Vele namen heeft ze gehad. Daar staat ze nu met een boek in haar hand. Het is de Bijbel! Nu, dat is zeker van toepassing geweest op haar leven. Gods Woord werd haar richtsnoer, ze werd een arme zondares.
We lopen verder en komen bij een prachtig bloemperk waarin het wapen van Angoulême is aangebracht met verschillende kleuren. Rondom het wapen is ook weer met bloemen en planten een Latijnse tekst uitgebeeld: ‘Fortitudo Mea Civium Fides’. Dat betekent: ‘Mijn kracht ligt in het geloof van mijn onderdanen’. We hoeven niet te vragen wie dit gezegd heeft. Het is Marguerite zelf geweest. Het was haar lijfspreuk. En deze tekst wordt anno 2016 nog in ere gehouden! Zou hier ook iets bekend zijn van haar geloof? We zijn bang van niet. Het zal meer een ereteken voor haar zijn. Zij is voor de moderne mens meer een voorbeeld van Renaissance, van vooruitgang op allerlei gebied. Maar zij wilde niet geëerd worden, daar komen we wel achter als we ons gaan verdiepen in haar levensgeschiedenis. Maar het geloof van haar onderdanen was heel belangrijk voor haar. Dat blijkt uit haar lijfspreuk. En welk geloof was dat? Dat was niet de roomse leer van goede werken, maar vrije genade alleen voor een alles verzondigdhebbend mens.
Haar jeugd, huwelijk en hofleven
Marguerite werd geboren op 11 april 1492 op het kasteel van Angoulême. Ze werd genoemd naar haar oma van moederszijde en van vaderszijde: Marguerite. Op 12 september 1494 kreeg ze een broertje Frans of François (1494-1547), de latere koning van Frankrijk. Ze is maar kort op het kasteel van Angoulême gebleven.
Charles d’Angoulême (1459-1496), de vader van Marguerite en François, had zijn vrouw met de kinderen zijn kasteel in Amboise gegeven, ten zuidwesten van Orleans in Midden-Frankrijk. De opvoeding werd daar aan een gouvernante toevertrouwd. Voor Marguerite werd ook speciaal een jonge vrouw, Louise de Montmorency Damville (1490-1547), aangesteld, om haar te onderwijzen in alle bezigheden die vereist zijn voor een koninklijke prinses. Marguerite hield veel van deze vrouw, die ook één van de eersten was die met de Hervorming in aanraking kwam. Zij werd later de moeder van Gaspard de Coligny (1519- 1582), de leider van de hugenoten en de schoonvader van Willem van Oranje (1533-1584). Het leidt geen twijfel of zij heeft Marguerite de beginselen van de nieuwe leer bijgebracht.
Reeds in 1509 op zeventienjarige leeftijd trouwde Marguerite met hertog Charles d’Alençon of d’Angoulême (1489-1525). Het huwelijk met Charles d’Alençon was eigenlijk een mislukking. Het was een verstandshuwelijk. Haar man gaf totaal niet om haar. En zij werd daardoor erg neerslachtig. Ze ontliep hem zo veel mogelijk. Maar zij mocht toen al enig uitzicht hebben op een andere Man:
“Ik zal mijn hart dan voortaan geheel alleen aan God en mijn Heiland wijden, daar ik mij buiten staat gesteld zie om het aan mijn echtgenoot te schenken.” 4
Marguerite verkeerde vanwege allerlei verplichtingen regelmatig aan het Franse hof in Parijs. Ze had daarmee een goede reden om haar man te ontwijken. Door haar geestige conversatie en kordate optreden was zij een opvallende verschijning in het wereldse hofleven. Zij had een groot verstand en dichterlijke gaven. Satirische toneelstukken door haar geschreven werden in het paleis tot groot vermaak van de hofhouding opgevoerd. Ook schreef zij een bundel verhalen onder de titel Heptaméron. Door de letterkundigen wordt die tot op de dag van vandaag geprezen als typisch voortbrengsel van de Renaissance, maar dit geschrift toont veelal een wereldse sfeer, die soms stotend is. Na haar bekering zal zij zich er over bedroefd hebben.
De vader van Marguerite had later koning van Frankrijk moeten worden, maar dit was niet voor hem weggelegd omdat hij al jong overleed (1494).
De toenmalige Franse koning, Louis of Lodewijk XII (1462-1515), was in 1494 koning geworden in zijns vaders plaats (koning Karel VIII), maar hij was zwak en ziekelijk. In oktober 1514 hertrouwde hij op 55-jarige leeftijd met een jeugdige bruid van negentien, Mary Tudor (1496-1533), de jongste zuster van de Engelse koning Hendrik VIII (1491-1547). Mary gold als ‘la plus belle princesse de l’Europe’, de mooiste prinses van Europa. In haar gevolg had de bruid een aantal jeugdige hofdames meegebracht. Eén ervan was Anna Boleyn (1501-1536). Tussen haar en Marguerite klikte het meteen.
Drie maanden na zijn tweede huwelijk met Mary Tudor van Engeland blies Lodewijk XII op 1 januari 1515 de laatste adem uit. Zijn vrouw keerde als prille weduwe naar Engeland terug. Anna Boleyn mocht nog een tijdlang aan het Franse hof blijven. Daar begonnen al gauw de kroningsfeesten voor de opvolger van Lodewijk XII. Dat was, zoals we in de vorige aflevering hebben kunnen lezen, Frans I, de broer van Marguerite. Kort voor zijn dood had Lodewijk XII zijn dochter Claude nog aan Frans I gekoppeld. Deze bruiloft gaf aanleiding tot groot feestgedruis. Bijna ieder jaar baarde Claude een kind, terwijl Frans I zich helaas ook met zijn liefjes vermaakte. Nee, de geneigdheid van hem tot de Hervorming ging niet diep. Er was, naar het zich laat aanzien, geen hartvernieuwing bij hem te vinden.
Zielenspiegel van een zondares
Door haar omgang met haar gouvernante, de moeder van Gaspard de Coligny, was Marguerite al bekend gemaakt met het Evangelie van vrije genade. Pas na haar huwelijk met Charles d’Alençon schijnt zij door Gods Geest meer en meer ontdekt te zijn aan haar zondige bestaan. Zij ontdekte toen in eigen hart een wereld van ongerechtigheid, waarvan zij voorheen nooit het geringste denkbeeld had gekoesterd.
Als ze vanwege haar verplichtingen in Parijs aan het Franse hof verkeerde, luisterde ze met groot genoegen naar de prediking van Faber in het Louvres, het koninklijk paleis in Parijs aan de oever van de Seine. Zoals we gezien hebben, werden deze predicaties in plaats van met de roomse zuurdesem te zijn doortrokken, een boodschap van zonde en genade in de lijn van Gods Woord. Het is waar, Faber was geen Luther. Hij probeerde nog zoveel mogelijk mee te gaan met de roomse eredienst. Hij vermeed de geschilpunten van de roomse leer met de leer der Hervorming en dacht de roomse kerk vanbinnen uit te kunnen hervormen. Niettemin klonk daar in het paleis uit de mond van Faber een reformatorische prediking vanuit de Schrift.
Zijn prediking werd dus regelmatig aangehoord door Marguerite d’Angoulême, samen met haar vriendin Anna Boleyn. Het standpunt van Faber dat de roomse kerk vanbinnen uit gereformeerd moet worden, bracht hij ook over op Marguerite. Ook zij brak niet met de roomse kerk. Maar latere uitspraken, brieven en gedichten van haar geven aanleiding om te denken dat de prediking van Faber geheiligd werd aan haar hart. Ze leerde de ware troost en vergeving vinden in het alleenreinigend bloed van de Heere Jezus. In de door haar geschreven gedichten komt dat alles uit. Het is moeilijk om de juiste bedoeling van haar weer te geven bij de vertaling van haar gedichten uit het Frans. Maar er zijn daarin toch duidelijke passages te vinden.
In haar ‘Zielenspiegel van een zondares’ begint Marguerite de grootte en de veelheid van haar zonden te ontdekken:
Waar wordt een poel van jammer, diep genoeg, gevonden,
die, zelfs voor ’t tiende deel van mijne zonden,
voor zulk een aantal, mij tot straf kan zijn?
Wat geeft de oneindigheid daarvan zijn donkere schaduw,
Zodat ik ze in het geheel niet kan overzien.
’k Ontdek alom in mij der zonden diepen wortel.
Wij die gevangen zijn in onze zonden,
Vol van onwetendheid, zo blind en ziek,
Die het gevaar niet kunnen ontkomen,
Wij zijn snel en haastig om kwaad te doen.
En wij negeren Uw grote goedheid en genade,
Zodat wij ons brood der smarten eten.
Er is er maar Eén Die haar van de zonden kan verlossen:
Wie kan mij van mijn zonden verlossen?
Geen sterfelijk mens zal ooit dat kunnen doen,
Maar de vrije gunst van de Almachtige alleen,
Die nooit laat varen het werk van Zijn handen;
Door Jezus Christus, Die het op Zich nam
Ons te verlossen door Zijn verdiensten,
Gewerkt door de Heilige Geest
Onwederstandelijk in mijn hart.” 5
In haar gedicht: ‘Gebed van een vrome ziel’ is er ruimte gekomen:
O Heere, in U bestaat geheel mijn geloof.
Gij zijt mijn God, mijn Heere en mijn Koning
Mijn Goedheid, Wijsheid en mijn Kracht.
O, Heere Jezus, in U zie ik mijn God.
Door dit geloof ontvang ik U alleen.
Gij zijt mijn Alles en mijn werkelijke Onschuld. 6
O Christus, eeuwig Woord, des mensen Zaligheid,
Des Vaders enige Zoon, Die is van eeuwigheid;
Gij d’ Eerst’ en Laatste, Die ons aller heil bereidt,
Gij Priesterkoning, Gij Verwinnaar in de strijd,
Die ons door Uwen dood hebt van den dood bevrijd.
De mens wordt ’s Scheppers kind, als hem ’t geloof geleidt.
Hij wordt rechtvaardig, goed, geheel aan God gewijd,
In onschuld weer hersteld, verwacht hij blij de tijd,
Dat hij met Christus eens als koning zal regeren.
’k Heb Christus door ’t geloof
’t Is al wat ik kan begeren. 7
De koning gevangengenomen
Haar broer, koning Frans I, had veel met haar op. Hij noemde haar ‘sa mignonne’, zijn schat. Toen hij in 1515 koning werd, schonk hij haar het hertogdom Berry in midden Frankrijk met de inkomsten daarvan, zodat zij onafhankelijk van haar man, die er veel geld doorbracht, een flink inkomen had. Zij verkreeg ook het recht van beschermvrouwe van de Universiteit van Bourges, in de buurt van Berry. Zij maakte flink gebruik van deze rechten, want zij liet weten dat de studenten die de nieuwe leer gunstig gezind waren, bij haar welkom zouden zijn, als zij er in Parijs problemen mee kregen.
In 1525 brak er een oorlog uit met keizer Karel V. In 1519 had Frans zich als tegenkandidaat van Karel opgeworpen voor de post van keizer over het Heilige Roomse Rijk. Frans verloor dit. De keurvorsten van Duitsland gaven de voorkeur aan de jonge koning van Spanje. Tussen beiden bleef echter rivaliteit bestaan. Regelmatig kwam het tot een treffen. Zo ook in 1525. De man van Marguerite kreeg vanwege zijn rang het bevel over een legerkorps. Door de laffe vlucht van hem en zijn legerkorps verloor Frans de slag tegen keizer Karel V bij Pavia in Italië. Frans werd gevangengenomen en in triomf naar Madrid gevoerd. Charles d’Alençon kwam, met smaad en schande overladen, ziek van het slagveld terug. Marguerite minachtte haar man om zijn laffe vlucht en wilde hem eerst niet ontmoeten, maar toen ze hoorde dat hij ernstig ziek was, ging zij direct naar hem toe om hem te verzorgen. Maar haar verzorging mocht helaas niet meer baten. Zij sprak wel met hem over het ene noodzakelijke, om geborgen te mogen zijn in het alleenreinigend bloed van haar Zaligmaker. Of dit gezegend mocht worden aan zijn hart, is niet bekend. Wel is duidelijk dat de losse band tussen hen als man en vrouw weer een nauwe band mocht worden. Nog hetzelfde jaar stierf Charles d’Alençon. Marguerite bleef kinderloos en eenzaam achter. Haar man gestorven, haar broer gevangen, wat zou er van Frankrijk worden?
Geestelijke raadgever
In al deze omstandigheden had zij een geestelijke raadgever, Guillaume Briçonnet (ca. 1472-1534), de bisschop van Meaux. 8 Maar ook een hofprediker Michel d’Arande. Bij hen kon zij haar hart uitstorten. En meer en meer werd haar sympathie gewekt voor de voortgang van de Hervorming. Zij deed zoveel zij kon om die te bevorderen. In een brief van de predikant Pierre de Sébiville aan een edelman in Zürich is het te lezen:
“Heden ten dage is in Frankrijk niemand méér evangelisch gezind dan Madame d’Alençon [Marguerite; CV]. Zij heeft een Parijse doctor, ‘Maître Michel, de aalmoezenier’ [Michel d’Arande; CV] geheten, die voor haar het Evangelie niet anders dan zuiver preekt en alle andere lieden heeft zij terug gezet.” 9
Briçonnet had haar het Nieuwe Testament in het Frans, vertaald door Faber, geschonken. Daar vond zij troost in om de wil van God aangaande haar ongelukkig huwelijk en de dood van haar echtgenoot te aanvaarden.
Ze begon daarna een uitgebreide briefwisseling met Briçonnet. Briçonnet vertelde haar hoe leken in de roomse kerk door de priesters misleid waren en hoe zij door de prediking van het Evangelie tot bekering waren gekomen:
“De arme dwalende schapen zijn in Hem en door Hem en voor Hem veranderd en geheel bevrijd van verderf, dood en duisternissen, hernieuwd op de ware weg der Waarheid, in onverderfelijkheid, onsterfelijkheid, leven en licht. O, bijzondere, hoogwaardige en weinig (…) genoten vernieuwing.” 10
En op 22 december 1521 schreef Briçonnet aan Marguerite:
“Helaas, mevrouw, zijn er velen die de bron en ader van het levend water verlaten hebben en uit verachting daarvoor bakken hebben gemaakt die geen water houden. (…) De anderen zijn zij die de sleutels bewaren van de onpeilbare bron des levens, mensen die door onwetendheid en blindheid niet kunnen en willen binnengaan en het ook anderen niet toestaan. Daaruit ontstaat de verdorring van de arme schapen, die verkwikkend water en geestelijke onderwijzing vragen. (…) Ach, mevrouw, wanneer zal de tijd komen dat het levende water zal uitgaan van Jeruzalem en zal stromen (…), zodat het bomen besproeit, die op rijen en in Goddelijke rechtlijnigheid geplant staan, opdat ze vruchten zouden kunnen voortbrengen die de goede God aangenaam en welbehaaglijk zijn? Waarlijk, wij kunnen de profeet wel nazeggen, dat we geworden zijn als een beek in het dorre Zuiderland. De kerk is heden schraal en droog als een rivierbedding in de verschroeiende hitte van het Zuiden. De gloed van gierigheid, eerzucht en wellustig leven heeft haar levenswater, onderwijzing en voorbeeldigheid doen opdrogen. Een dergelijke wind maakt losbandig en onontvankelijk voor alle genade. Ieder zoekt zijn eigen voordeel en eer. Van de eer van God is geen sprake meer. Wij zijn allen aards, wij die geheel geest moesten zijn. En dit komt uit gebrek aan water van kennis en evangelische lering, dat niet stroomt en niet wordt uitgedeeld gelijk het behoorde. (…)
Nochtans is er maar één Heere, Die Zijn boodschap uitzendt en door Wiens stem zij zich verspreidt, en wie haar anders dan door Gods stem en om Diens eer verkondigt, is een vervalser van het woord van het Evangelie. Want het is alleen de stem van de Heere Die spreekt bij de uitdeling van het Evangelische water en daarom moeten wij het tot ons nemen van Hem Die het in waarheid verkondigt. Niet als het woord eens mensen, maar als het levende Woord van God. (…) Alle andere leringen en vreemde wetenschappen zijn bitter en die zich daarmee voeden, zijn de naam ‘Christen’ niet waard.” 11
Briçonnet eindigt dan zijn brief als volgt, en hiermee willen we ook dit tweede artikel besluiten:
“Mevrouw, u weet dat mijn onderdanigheid onbaatzuchtig is en dat ik niet zou kunnen nalaten te beminnen wat God mij bevolen heeft in u lief te hebben. Ik smeek Hem zeer deemoedig dat het Hem behage door Zijn goedheid zulk een vuur te ontsteken in de harten van de koning, van Madame [de koningin; CV] en van u, dat ik u door Zijn onweerstaanbare en meeslepende liefde zó getroffen en verbrijzeld moge zien dat van u drieën als levensvoorbeeld vuur kan uitgaan, dat het overige van het koninkrijk verwarmt en verlicht en vooral de stand [de roomse kerk; CV], door wiens kilheid al de anderen zijn bevroren.” 12
Noten
1) Marguerite d’Angoulême, ‘Oraison de l’âme fidèle’, in: Marguerites de la Marguerite, Paris 1873, p. 97
2) Matthes Zell von Keysersberg, Pfarrer und Prediger im Münster zu Strassburg, Christliche Verantwortung, Strassburg 1523, p 1-2
3) Sigismund von Hohenlohe, Creütz Biechlinn, Strassburg 1525, p. 1
4) Elisabeth Johanna Hasebroek, Vrouwen der Hervorming, Amsterdam 1865, p. 235
5) Marguerite d’Angoulême, ‘Miroir de l’âme pècheresse’, in: Marguerites de la Marguerite, Paris 1873, p. 15 e.v.
6) Marguerite d’Angoulême, ‘Oraison de l’âme fidèle’, in: Marguerites de la Marguerite, Paris 1873, p. 98 e.v.
7) M. Dankers, ‘Marguerite d’Angoulême, Vorstin tussen Reformatie en Renaissance’, in: Terdege, 2 augustus 2000, p. 38
8) In het vorige artikel is per abuis een portret geplaatst van zijn gelijknamige vader (1445-1514), die in Frankrijk kardinaal en staatsman was. Zie: In het spoor, oktobernummer 2016, p. 219.
9) H. Hasper, Calvijns beginsel voor de zang in de eredienst, verklaard uit de Heilige Schrift en uit de geschiedenis der kerk, dl. 1, ’s Gravenhage 1955, p. 294 (herspeld). Hierna: Hasper.
10) Hasper, p. 291
11) Hasper, p. 292
12) Hasper, p. 292
Fotoverantwoording:
a t/m e: Foto’s C. Verdouw
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 2016
In het spoor | 68 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 2016
In het spoor | 68 Pagina's