Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rondom de kansel van Benschop

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondom de kansel van Benschop

Deel 58 van een serie over kerkendienaars en hun spreekplaatsen

23 minuten leestijd

Benschop was ooit een grote wildernis, toebehorend aan de bisschop van Utrecht. Toen deze aan het eind van de tiende eeuw een tekort aan graan had, keek hij uit naar uitbreiding van land om dit gewas te verbouwen. Hij verkoos daartoe het ‘wilde westen’. Daarbij behoorde ook Benschop. Een van zijn ambtenaren, Bernard van Aemstel, in de volksmond Benno genaamd, kreeg een contract om het land te ontginnen. Men noemde zo’n overeenkomst vroeger een cope. De combinatie Benno en cope leidde tot de naam Benschop. Het hele polderlandschap dat het kenmerkt, is destijds met de hand tot stand gebracht. Echter in afhankelijkheid van de hand des Heeren, vandaar dat al vroeg in Benschop een kerk verrees.

Rond 1200 moet de eerste kerk gebouwd zijn, die gewijd was aan de heilige Nicolaas, de beschermheilige van alles wat met handel en arbeid te maken had. Daar was de familie Van Aemstel nauw bij betrokken. Zij financierden de kerkbouw en hadden het recht om een pastoor te benoemen. Het eenvoudige kerkje was oorspronkelijk niet groter dan het huidige kerkschip zonder koor en transepten. Het gebouw heeft in de loop der eeuwen diverse verbouwingen en uitbreidingen ondergaan voordat het de huidige vorm kreeg.

De opvolgers van de heren Van Aemstel waren de Van Egmonds, die heer waren van IJsselstein, maar ook zeggenschap hadden in de buurgemeente Benschop. Blijkbaar had de Reformatie al in 1532 belangstelling gewekt in Benschop, want Floris van Egmond bepaalde ‘dat van nu af niemand van onze ondersaten, op enige manier die Scriften te preken, dan alleen die dat bevolen is op ten Stoel (preekstoel MvK), dit op straffe van 10 pond’. Niet alleen Luthers leer kreeg invloed, maar nog meer de stoorzender daarvan, namelijk de extreme stroming van de wederdopers, waar in de Nederlandse Geloofsbelijdenis zo tegen geageerd wordt. In Benschop was Gerrit Ghijsen hun voorganger. Hij bediende de overdoop bij zichzelf in huis. Rond 1535 moeten er volgens de geschiedschrijver Hortensius ongeveer driehonderd ‘herdoopten’ zijn geweest in Benschop, die betrokken waren bij het beruchte oproer in Amsterdam waar de wederdopers een greep naar de macht deden. Zij wilden een stad realiseren overeenkomstig de christelijke gemeente van Handelingen 2. Verschillende Benschoppers (mannen en vrouwen) zijn na mislukking van die poging op vreselijke wijze omgebracht door verdrinking, vierendeling of verbranding.

Mocht aanvankelijk de ‘lutherije’ verdrongen worden door de extreme opvattingen van de wederdopers, ruim veertig jaar later mocht het licht toch doordringen. In 1577 moet in Benschop de Reformatie hebben plaatsgevonden. Werd de kerkmeester voor die tijd gevraagd zijn ambt te aanvaarden met: ‘sekerlick moet mij God helpen ende alle sijne heyligen’, nu werd het ‘sekerlick moet mij God helpen ende sijn heylig woort’. De eerste predikant, Gerrit Adriaansz van Zijll,

De eerste predikant, Gerrit Adriaansz van Zijll, die de gemeente diende van juni 1578 tot aan zijn overlijden in april 1597, blijkt niet op ordelijke wijze predikant te zijn geworden. Hij werd namelijk nog als pastoor benoemd, maar ontpopte zich al spoedig als aanhanger van de ‘nije leer’. Op de particuliere synode van Zuid Holland –waaronder Benschop destijds ressorteerde – die in september 1579 te Schoonhoven werd gehouden, kwam de kwestie Benschop ter sprake. Er werd gesteld dat Van Zijll ‘onordentlick in syn kerke gecomen ys’. Een en ander bracht ‘onraet en schade’ aan. Het bleek achteraf allemaal mee te vallen, want de kwestie Van Zijll kwam niet meer ter sprake. De opvolger van Van Zijll was Everhardus Wittius, die van 1597 tot 1599 in Benschop stond en vervolgens naar IJsselstein vertrok. Afkomstig uit Zaltbommel (waarom hij ook wel Bommelius geheten werd), was hij aanvankelijk werkzaam als predikant in de Palts, maar hij moest daar in 1576, na het overlijden van Frederik de Vrome, die daar heer en meester was, het veld ruimen. Frederiks zoon Lodewijk, die hem opvolgde, was luthers en tolereerde per se geen gereformeerde predikanten. Met attest van onder anderen Petrus Datheen werd hij predikant in ons land. Trigland gaf in zijn Kerkelijke geschiedenissen een bijzonder goed getuigenis van hem. Hij noemde hem ‘een man van gesonden gheloove in de welcke hy oock stantvastigh is ghebleven tot den eynde toe’ waarbij hij met name doelde op de Goudse periode van Bommelius. Omdat hij zijn plaatselijke collega Herbertsz, die weigerde uit de catechismus te preken, niet steunde, werd hij door het stadsbestuur gesommeerd elders een heenkomen te zoeken. Dat werd Voorschoten. Helaas kwam daar openbaar dat hij moeilijk van de fles af kon blijven. Afzetting volgde en noodgedwongen moest hij Holland verlaten en zo werd hij predikant in het Groningse Noordwolde. Na schuldbelijdenis en belofte van betering des levens aan de particuliere synode van Zuid Holland was het mogelijk dat hij weer predikant werd in Holland en zodoende kon hij een beroep naar Benschop aannemen. Hij vertrok na korte tijd naar de buurgemeente IJsselstein, alwaar hij in 1609 overleed. Een van zijn zoons werd predikant in het nabijgelegen Schoonhoven, maar werd in 1619 afgezet vanwege zijn remonstrantse gevoelens.

Bommelius’ opvolger Regnerus Stangerus, die Benschop diende van 1599 tot 1602, had een hele geschiedenis achter zich voor hij naar de Utrechtse provincie vertrok. Hij was rond 1550 in Groningen geboren en werd daar in 1574 tot priester gewijd. Het lezen van geschriften van de lutheraan Johannes Brenz deed hem breken met de Rooms Katholieke Kerk en met de roomse leer. Hij werd luthers predikant in Egmond aan Zee. Omdat sedert 1587 geen lutherse predikanten werden geaccepteerd in ons land en hij ‘niet met goed geweten’ de calvinistische geloofsartikelen kon ondertekenen, werd hij werkzaam in Duitse Lutherse gemeenten. Toch neigde hij meer en meer naar het calvinisme, want hij werd ‘van weghen des calvinismi’ uit Duitsland verdreven. Na door de kerkenraad van Deventer onderzocht te zijn op zijn leer, werd hij beroepbaar gesteld en diende hij een poosje de gemeente Goor. Vervolgens nam hij in Benschop de herdersstaf op.

Van zijn opvolger Lambertus Arnoldsz van Gardijn, die van 1602 tot 1610 Benschop diende, lezen we in de classicale acta van Dordrecht dat hij ontslagen werd omdat hij ‘de gemeynte van Benschop een quaet vergenougen heeft gehadt aen zijn gaven van prediken’ alhoewel tevens werd opgemerkt dat er met leer en leven niets mis was. In Goudriaan, zijn volgende gemeente, bleek men daarentegen over zijn prediking ‘seer goet vergenougen daerinne’ te hebben.

Van de vijfde predikant, Jonas Timmerman, weten we niets meer dan dat hij van 1610 tot aan zijn dood in 1644 de gemeente diende. Eén ding mag bij deze dorre opsomming van feiten duidelijk zijn, hij behoorde niet tot de remonstranten die in 1619 her en der in de wijde omgeving afgezet moesten worden vanwege hun onschriftuurlijke opvattingen. Ook vermeldenswaard is dat in datzelfde jaar Benschop een nieuwe kansel kreeg, die tot op de dag van vandaag nog functioneert. De re-den was omdat de oude preekstoel ‘door outheyt geheel vergaen ende vervallen was’.

Opmerkelijk is dat de rooms-katholieken tot 1640 blijkbaar gewoon de Hervormde Kerk bezochten en er hun kinderen lieten dopen. Daarna bezocht men de schuilkerk te IJsselstein, totdat ten tijde van de Franse overheersing alle godsdiensten gelijk gesteld werden. In 1810 werd een kerkje gebouwd en een pastoor benoemd. In 1887 werd de eerste steen gelegd van de huidige kerk, die door architect Tepe was getekend. Stuwende motor was pastoor Van Rossum. Hij bezocht in die tijd enige rijke vrijgezelle dames, die de kerk in hun testament goed bedacht hadden en zei tegen hen: ‘Ik heb niks aan jullie geld na je dood, ik heb het nú nodig’. Met een grote buit kwam hij thuis, bestemd voor de bouw van de nieuwe, aan de heilige Victor gewijde kerk.

De opvolger van Jonas Timmerman was Jodocus van Laren, die de gemeente diende van 1645 tot 1650. Hij was een kleinzoon van ‘de oude’ Joos van Laren, die maar liefst acht zonen had die hem met stichting volgden in het wondere ambt en verwant waren aan de beginselen der Nadere Reformatie. Daniël, de vader van de Benschopse predikant, was een van die acht.

Uit de vele voorgangers die Benschop in de achttiende eeuw dienden, willen we de aandacht vestigen op Bernardus Elikink, die in 1732 de herdersstaf daar opnam en in 1734 voor de rest van zijn leven naar Papendrecht trok. Van Elikinks hand is een lied opgenomen in de Evangelische gezangbundel die in 1806 werd ingevoerd. Het is Gezang 132; de verzen zijn te zingen op de wijs van Psalm 73.

Nooit viel mijn Heiland ’t kruis te zwaar

Hoe drukkend dan dat kruis ook waar’,

Hij bleef altijd met welbehagen

Wat Hem Zijn Vader opleidragen.

Geen enkel onbetaamlijk woord

Werd ooit uit Zijnen mond gehoord.

Hij Die nooit kwaad met kwaad vergold,

Hij zegendelk, wie Hem ook schold.

Och! volgd’ ik steeds dat voorbeeld na,

Dat voorbeeld zonder wederga’.

Och mocht ik steeds dat spoor betreden

Al is ’t met ongelijke schreden. ’k Weet dat mijn vlees daar tegen streeft

’k Weet dat mijn vlees daar tegen streeft

En mij gans and’re wetten geeft. Maar geef o Heer’ mij lust en kracht.

Maar geef o Heer’ mij lust en kracht.

Dat ik kloekmoedig die veracht.

In zijn volgende gemeente mocht hij een geweldige opwekking meemaken. Of er in de korte periode die hij in Benschop gediend heeft ook een opwekking heeft plaatsgevonden, daarvan is niets bekend. Elikink was een bewonderaar en aanhanger van de prediking van Abraham Hellenbroek. Diens Nuttige Mengelstoffen, dat postuum verscheen in 1742, werd door Elikink voorzien van een aanbevelend gedicht. Ik citeer een gedeelte daaruit.

Dus geeft de drukpers ons al wederom een boek

Van vader Hellenbroek:

Waarin de weg van heil, die zondaars brengt ten leven

Nauwkeurig wordt beschreven.

Hier wordt de waarheid aan ’t geweten openbaar Gans duidelijk en klaar.

Gans duidelijk en klaar.

Hier schuilt geen slang in ’t gras, hier hoeft men niet te vrezen

Hier kan men veilig lezen: Geen vreemde leringen en worden hier gehoord.

Geen vreemde leringen en worden hier gehoord.

Het is des levens woord

Dat hier geopend wordt en recht wordt voorgesneden;

Met kracht en klem van reden.

Genade en natuur die worden in dit schrift Zeer net vaneen geschift.

Zeer net vaneen geschift.

En beide aangetoond, wat er eens na dezen

Van hunne staat zal wezen.

’t Natuurlijk volk, gelijk ’t in soorte zich verdeelt

Wordt levende afgebeeld En ernstig aangemaand om toch bij tijd te ontvluchten

En ernstig aangemaand om toch bij tijd te ontvluchten

’t Geen anders staat te duchten.

Gods volk ontvangt hier troost en onderwijs en raad

Een ieder naar zijn staat….

De kunstzinnige Elikink heeft niet meegemaakt dat er een orgel in de kerk kwam. In 1755 werd het orgel in gebruik genomen. Menno Mentens, die maar liefst 41 jaar Benschop gediend heeft, was toen predikant. Het orgel was een gift van de secretaris van de Staten van Utrecht, Baron de Milan Visconti, die in het zomerseizoen de weekenden op het buitengoed Snellenburg doorbracht. De reden tot schenking was ‘omdat het Psalmgezang alhier door onkunde der kerkgangeren seer gering was en het dus voor een voorsanger seer difficiel (moeilijk MvK) was om een goede en stigtelijke melodie te houden’.

Van 1816 tot 1822 werd de gemeente gediend door Vincent van Gogh, de grootvader van de gelijknamige beroemde kunstschilder.

De Afscheiding van 1834 ging aan Benschop bijna geruisloos voorbij. Acht personen –waaronder een huisvader met zijn gezin – werden genoemd in de rapporten van de hervormde classis Utrecht, die in 1836 werden opgemaakt om het aantal ‘separisten’ te tellen. Dit kleine getal zegt niet dat de goegemeente vrede had met de prediking, want op den duur kwam er ook alhier een vereniging van ‘Vrienden der waarheid’ die geen afscheiding wensten, maar wel verbreiding der gereformeerde waarheid in de vaderlandse kerk voorstonden. Dat was met name in de periode dat Hugo van Manen predikant was, van 1848 tot 1861. Hij behoorde tot de moderne theologen en zette veel vraagtekens bij de bijbelse geschiedenissen, al ging hij niet zo ver als zijn zoon Willem Christiaan, die hoogleraar werd en de opstanding van Christus uit de dood loochende. In zijn tijd werd er een ‘vereeniging’ van manslidmaten van de Hervormde Gemeente opgericht, die op zondagavond vergaderde alsmede in de winteravonden op de woensdagavond. Toen in het blad De wachter op Sions muur, dat opgericht werd door ds. A.G. van Dijkhuizen uit Ouddorp, ds. W. Kraijenbelt te Overschie, ds. A.P.A. du Cloux te Oldebroek en ds. J.D.B. Brouwer te Ede, predikanten en lidmaten werden opgeroepen hun stem te laten horen tegen allerlei verderfelijke maatregelen in de kerk, waaronder ‘het laatdunkend verachten en verwerpen van rechtmatige klachten van getrouwe gemeenteleden, omtrent ongelovige ongereformeerde leeraars (bedoeld werd dat de protesten van lidmaten tegen de komst van de vrijzinnige ds. Meijboom in Amsterdam en Zaalberg in Den Haag terzijde gelegd werden) betuigden zij in 1854 adhesie. Over hun bijeenkomsten verklaarden zij het volgende: ‘Deze bijeenkomsten worden aangevangen en gesloten met Psalmgezang, en het zich gemeenschappelijk stel-len voor den Drie-enigen God, die in Zijne genade, om des Heeren Christus zoenverdiensten, van ellendige vragers, Hem behagelijke bidders kan maken; terwijl het overige van den avond doorgebragt wordt met het lezen en bespreken van leerredenen, welke door godvruchtige, vroeger ontslapen dienstknechten des Heeren zijn nagelaten. Zij toch achten het voor een groot voorregt, dat de Heer der Gemeente, het tegenwoordige diep verval onzer Kerk voorziende, door Zijne barmhartigheid in Zijn wijsheid gezorgd heeft, dat een schat van goede predicatien is bewaard gebleven voor het nageslacht, zonder echter de leerredenen van thans nog in leven zijnde getrouwe en vrome Leeraren der Kerk minder hoog te schatten’. Betreffende de oproep van het blad om voor de dag te komen schreven zij het volgende: Bekend geworden zijnde met de Wachter op Sions Muur hebben zij zijne stem gehoord, en erkend, te midden van het verward en ijdel-geroep van zoovele menschelijke wijsheid-leeraars, die dwaasheid-predikers zijn bij God. Hoe zwak in zichzelven, verklaren zij in ’s Heeren kracht te willen leven en sterven bij het vasthouden van de Leer onzer Kerk, uitgedrukt in derzelver zuivere Belijdenisgeschriften, geene verouderde Leer, maar altijd nieuw, en gegrond op het eeuwig blijvend woord van God’.

Naast het enige kerkenraadslid diaken P.J. Bloed – waren er ondertekenaars van wie de namen na anderhalve eeuw onder de ‘behoudende’ Benschoppers of zelfs thuislezers nog terug te vinden zijn, zoals Roodenburg, Rietveld, Van Ieperen en De Gier. Het voornemen van deze mannen was zeker geen afbreuk te doen aan de kerk maar ’opdat verwarring en verval plaats mogen maken voor eendragt in den Heere en hoogen bloei onzer Nederlandsche Gereformeerde Kerk’.

In diezelfde tijd werden er alternatieve diensten gehouden op de deel van de boerderij van diaken Bloed, waarin ds. L.G.C. Ledeboer en later ook Wulfert Floor voorgingen. Onder de bezoekers van die diensten zullen er geweest zijn die het herstel van de Hervormde Kerk bepleitten. Ook zullen er geweest zijn die later, in de tijd van de Doleantie, het synodale juk wensten af te werpen. Er wordt beweerd dat de zonen van Van Manen ook wel bij Ledeboer kerkten. Bij Willem Christiaan liet het blijkens diens theologie niets na.

Onder Van Manens opvolger A.G. Reede, die in Benschop stond van 1862 tot 1871 en de Groninger richting was toegedaan, werd er in 1869 een evangelisatieschool opgericht, waar op zondag ene meester Van ’t Land oefende. In die tijd vond ook een opmerkelijke wending plaatst in het kerkbestuur. In 1867 was namelijk in de Hervormde Kerk de mogelijkheid gekomen om kiescolleges te vormen uit gemeenteleden. Daardoor kwam er in diverse gemeenten een geweldige koersverandering. De gemeente had nu ook invloed op de verkiezing van kerkenraden. Ook in Benschop was dat van betekenis, want er kwam een verschuiving in kerkvoogdij, kerkenraad en op de kansel, van de Groninger richting naar Heidelberg en Dordt, tot op de huidige dag. Dit wordt nog eens onderstreept door de vele publicaties over de Heidelberger van dr. W. Verboom, die er stond van 1968 tot 1973 en de huidige predikant C. Bos, die in 2014 een boekje het licht deed zien getiteld Bevrijdend geloven, waarbij de Heidelberger beschreven wordt als een pastorale gids. Na het vertrek van ds. Reede die ‘het licht der rede’

Na het vertrek van ds. Reede die ‘het licht der rede’ preekte, werden dan ook rechtzinnige predikanten beroepen. Benschop werd zo onder anderen ge-diend door ds. J.F.W. Troostenburg de Bruijn, van 1871 tot 1874. Later zou hij in de buurgemeente Montfoort de herdersstaf opnemen. Toen deze predikant overkwam, werd de evangelisatie opgeheven. Voorts werd de gemeente gediend door de kohlbruggiaan J.C. Eijkman, van 1874 tot 1877, en J.H. Wiersma, van 1883 tot 1885. De laatstgenoemde was ooit begonnen als Christelijk Gereformeerd predikant en diende als zodanig de gemeenten Amersfoort, Zierikzee, ’s-Hertogenbosch en Schiedam. Daarna vertrok hij naar België, waar hij werkzaam was voor de zending in Brussel. Hij gaf daar ook les aan de zendingsschool. Een van degenen die hij onderwijs gaf, was de latere schilder Vincent van Gogh, die een roeping in de dienst des Heeren meende te hebben. Vervolgens nam hij de herdersstaf op in de Belgische protestantse conclave Maria Horebeke.

Toen hij veertig jaar was, ging hij over naar de Nederlandse Hervormde Kerk, vanuit het oogpunt dat dit een ruimere vijver was om het Evangelienet in uit te werpen. Zodoende kwam hij na colloquium te hebben afgelegd in Benschop terecht. Na zijn vertrek naar Rheden heeft hij ruim 35 jaar in Amsterdam gestaan. Diverse geschriften liet hij na, die we zeker bijbels mogen noemen, zij het met een wat evangelische inslag. Hij kwam in botsing met leden van de jongelingsvereniging waaraan hij leiding gaf. Het begon met een twist over het tempo van het zingen op de vereniging. Volgens enkele jonge vrienden zong Wiersma te snel. Verschillende jonge mannen gingen vervolgens ter kerke in IJsselstein bij ds. S.H. Buytendijk, in Montfoort bij ds. G. Klaarhamer (die met de Doleantie meeging) en zelfs in Zegveld bij ds. E.A. Lazonder. Zij sympathiseerden met Abraham Kuyper en namen een abonnement op De Heraut, waarop hun verboden werd om voortaan als jongelingsvereniging in de consistoriekamer te vergaderen. De jongelingsvereniging werd toen gehouden bij een van de leden thuis. Dat was bij Peter Vermaat, in wiens huis later diensten gehouden werden nadat de Doleantie in Benschop een feit werd. Overigens was ds. Buytendijk – bij wie men ging luisteren – wars van doleren. Toen hij na het vertrek van ds. Wiersma consulent werd en de jongelingen de kerkenraad wilden overtuigen van de noodzaak van doleantie, moet hij gezegd hebben: ‘Gooi die muiters er uit!’ De jeugd nam toen de toevlucht tot ds. Ringnalda te Harmelen, die in doleantie was gegaan en met de jonge mannen vergaderde. Toen de nieuwe predikant Johan Herman Wensinck, die in 1887 vanuit Neerlangbroek naar Benschop kwam, door de mannen benaderd werd om de Doleantie in Benschop gestalte te geven, vingen zij bot. Daarop werd op 4 januari 1888 ten huize van Peter Vermaat onder leiding van ds. W. Ringnalda gebro-ken met de Benschopse kerk. In het notulenboek van de Gereformeerde Kerk lezen we dat als volgt: ‘Door ’s Heeren trouw en goedheid kwam het op Woensdag 4 januari 1888 tot reformatie van de kerk van deze plaats; de Heere God gaf een breken met de ongoddelijke banden der Synodale Hiërarchie in het Nederlands Hervormd kerkgenootschap en een wederkeren tot de paden der gehoorzaamheid. Des Heeren naam zij geprezen; Hem alleen komt hiervoor de Eere toe; Hij betone Zijne goedkeuring en schenke een milde uitstorting van den Heiligen Geest’. Op die vergadering, waar vijftien manslidmaten aanwezig waren, werd besloten ambtsdragers te verkiezen en werd besloten een schrijven te richten aan kerkenraad en kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente waarin men aangaf dat zij voortaan de wettige kerkenraad waren. Zelfs werd het verzoek gedaan om de goederen en gelden aan hen over te dragen. Het gevolg was dat ze als lid geschrapt werden.

Na zeven jaar ten huize van Vermaat te hebben gekerkt, kon op 31 oktober 1895 een nieuwe kerk in gebruik worden genomen, die in 1977 vervangen werd door het huidige kerkgebouw. Omdat de gemeente niet zo groot was, werd aanvankelijk een predikant beroepen in combinatie met de Gereformeerde Kerk van IJsselstein. Die situatie duurde van 1911 tot 1974. Daarna werd zelfstandig beroepen.

Enkele opmerkelijke punten uit de notulen van de Gereformeerde Kerk te Benschop zijn dat in 1901 besloten werd de catechismuspreken van Smijtegelt te lezen wanneer er geen oefenaar of predikant beschikbaar was. In 1932 werd verboden om preken te lezen van ds. A.P.A. du Cloux. Het zouden voortaan de catechismuspreken van G.F. Gezelle Meerburg moeten zijn. Bekend is ook dat de later zo bekende dr. J.J. Buskes er in 1922 als kandidaat voorging. Daarbij herinnerde Buskes zich dat de ouderling van dienst bad: ‘Ach Heere, U hebt ons vanmorgen een jongsken gezonden met vijf broden en twee visjes. Wilt U ze vermenigvuldigen, opdat de gehele schare er door mag worden gevoed’.

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde er veel in de Benschopse Gereformeerde Kerk. In 1957 werd de Nieuwe Bijbelvertaling in gebruik genomen. In 1965 werden de 119 gezangen ingevoerd – terwijl een van de grieven tegen ds. Wiersma destijds was dat er gezangen gezongen werden in de Hervormde Kerk. In 1970 werd besloten dat ook vrouwelijke predikanten op de kansel toegelaten mochten worden. Een jaar later ging men de nieuwe berijming gebruiken en het zwarte pak bij het dienst doen voor de ambtsdragers was niet langer verplicht. In 1974 kwam de eerste vrouwelijke ambtsdrager, een jaar later werd het Liedboek der Kerken ingevoerd. In 1977 werd het kerkgebouw van de Rooms-Katholieke Kerk gerestaureerd. Na tevergeefs de Hervormde Gemeente gevraagd te hebben om gebruik van hun kerk, stelde de Gereformeerde Kerk hun kerkgebouw ter beschikking. De ambtsdragers fungeerden als toerbeurt als koster bij de roomskatholieke diensten. In 1983 werd de gemeente gediend door een vrouwelijk predikant.

Vermeldenswaard is dat lange tijd de heer Ernst van Oosterom (1894-1981) ouderling was in de Gereformeerde Kerk te Benschop. Deze eenvoudige boer gaf lange tijd leiding aan de gemeente, maar moest met lede ogen aanzien dat de oude beginselen werden losgelaten. Van Oosterom is bekend geworden door een aantal romans die hij schreef, waarvan Boerenbruiloft de bekendste is geworden. In dat boek komt de Doleantie in Benschop uitgebreid aan de orde. Tevens zette Van Oosterom de Heidelberger Catechismus op rijm en schreef hij een boekje met 365 Bijbelse raadsels op rijm (inclusief antwoorden), waarvan minstens een negende druk verscheen. Na het verschijnen van de Nieuwe Vertaling deed hij een brochure het licht zien getiteld Ernstige critiek op De Nieuwe Bijbelvertaling. Hij maakt daarin de opmerking: ‘Die in de kanttekening van de Statenbijbel thuis is, weet heel goed dat onze vaderen dikwijls moesten kiezen tussen tweeërlei vertaling van de tekst. De zuiverste vertaling werd aanvaard en de andere, die men niet geheel verwierp, heeft men dan op de kant geplaatst. Nu is het mij opgevallen dat bijna in alle plaatsen waar ik dit aantrof, de tekst die op de kant geplaatst was, door de nieuwe vertalers is gekozen als de beste. Wat onze vaderen dus minder juist geacht hebben, wordt nu gekozen (…) Moge ook dit eenvoudig schrijven er toe bijdragen dat de ogen van alle Schriftgelovigen geopend mogen worden voor het gevaar van deze vertaling’. Hoewel Van Oosterom zijn kerk trouw bleef,

Hoewel Van Oosterom zijn kerk trouw bleef, maakte hij er geen geheim van ook wel preken te beluisteren van rechtzinnig hervormde predikanten alsmede van predikanten behorend tot de Gereformeerde Gemeenten.

Na de komst van de Gereformeerde Kerk was er onder ds. S. van Daalen, die de Hervormde Gemeente 22 jaar diende, verarming in de prediking in de dorpskerk gekomen. Niet in het minst op het gebed van hen die bidden hadden geleerd, werd in 1918 de gemeente verrast met de overkomst van ds. I. Kievit uit Garderen. Ondanks de korte periode dat hij er stond, is het wel een zeer zegenrijke tijd geweest. We mogen gerust spreken van een geestelijke opwekking. Hoewel de mobiliteit onvergelijkbaar was met hoe het tegenwoordig is, kwam men uit de wijde omgeving regelmatig onder zijn gehoor. Met de predikanten J.J. Timmer uit Montfoort en IJ. Doornveld uit IJsselstein heeft ds. Kievit destijds een kerkblad uitgegeven, genaamd De Weegschaal des Woords, hetwelk helaas geen lang leven was beschoren. Over de periode dat hij Benschop diende, schreef hij in het Gereformeerd Weekblad, waarvan hij jarenlang hoofdredacteur was: ‘Benschop staat bekend als wat lastig, maar dat is niet waar! Zo spreken alleen die het niet kunnen dienen en vaak Sion gram zijn. Neen, het is een leraarlievende gemeente, die alles voor ons over had’. De band met Benschop bleef, tot aan het eind van zijn leven. Een van zijn laatste tochten naar Benschop was om afscheid te nemen van ouderling Haaksman, die aldaar overleden was. Van deze markante ouderling die van 1924 tot 1954 voorlezer was, is ook bekend dat hij bij het voorlezen van een preek er soms zo in meekwam, dat hij zijn handen ophief, waarbij de gemeenteleden konden zien dat hij deze niet schoon had gekregen nadat hij teen had geschild.

Ook Kievits opvolger ds. N.C. Bakker mocht zijn sporen trekken. Gezien de vele gemeenten die hij diende (dertien in getal), was het achttal jaren dat hij in Benschop doorbracht, van 1922 tot 1930, een lange periode. Er zijn verschillende preken van hem in druk verschenen. Van hem is ook bekend dat hij liever had dat de kinderen naar de openbare school gingen, dan naar de School met de Bijbel, waar de gereformeerde meester hun de veronderstelde wedergeboorte voorhield. Liever een hele leugen dan een halve waarheid. Ds. Bakker ligt begraven in Maartensdijk, zijn laatste gemeente, die hij tot zijn emeritaat in 1942 eveneens acht jaar diende.

Een opmerkelijk predikant was dr. J.C. Hooykaas, die van 1939 tot 1942 de gemeente diende. Hij kwam van Dussen en Hank en vertrok naar Arnemuiden. Hoewel hij kerkelijk een omstreden man was en zelfs in later jaren als lid van de Boerenpartij in de gemeenteraad van Den Haag plaatsnam, kunnen zijn publicaties gelezen worden. Te denken valt aan de brochure over de nieuwe ontwerpregeling in de Nederlandse Hervormde kerk, alsmede zijn inaugurale rede over Calvijns leer van het huwelijk waarmee hij zich verbond aan de Academia Theologiae Reformatae te Sliedrecht, een theologische opleiding voor predikers van vrije gemeenten die slechts een kort leven beschoren was. Een noemenswaardig feit is dat tijdens de periode dat dr. Hooykaas in Benschop stond godsdienstonderwijzer C. Hegeman (1914-1981) in januari 1941 zijn eerste preek hield in de Hervormde Kerk te Benschop. Twee jaar daarna bedankte hij als lid – na een onverkwikkelijke aanvaring met de classicale besturen wegens het voorgaan in een evangelisatie buiten de Nederlandse Hervormde kerk – en meldde hij zich aan bij het curatorium van de Gereformeerde Gemeenten. In januari 1944 werd hij toegelaten tot de theologische studie. Vervolgens diende hij diverse gemeenten in Amerika en Nederland.

In 1959 vond de laatste ingrijpende restauratie plaats van de oude kerk. Toen werd het koor, dat na de reformatie werd dichtgemaakt, weer geopend en de kerk in oude luister hersteld. Namens de classis Utrecht sprak ds. E. Schroten uit Harmelen de hoop uit dat het Evangelie weer in de kerk zou worden gepreekt en dat de gemeente meer verwonderd zou zijn over het ‘Het is volbracht’ van Christus dan over ‘Het is klaar!’ van de architect.

Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft gedurende tientallen jaren een evangelisatie bestaan ten behoeve van hen die ’s zondag thuis een preek lazen en zich in de plaatselijke kerken niet thuis voelden. Deze kwam wekelijks bijeen in een schuur achter het pand Dorp 69. Naast vele (vrij) oud gereformeerde predikanten ging ds. P.J. Dorsman uit Staphorst daar veelvuldig voor.

De kerkscheuring van 2004 ging aan Benschop bijna geruisloos voorbij. Zij die het ontstaan van de PKN niet mee konden maken, weken uit naar buurgemeenten waar Hersteld Hervormde Gemeenten kwamen. Overigens zijn de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente eerder uit elkaar dan naar elkaar gegroeid.

Ten slotte wil ik wijzen op de klokken in de toren van de monumentale Hervormde kerk. Deze klokken zijn in de oorlog ondanks de historische waarde door de Duitsers verwijderd en niet meer teruggevonden. Ze zijn ongetwijfeld omgesmolten tot kanonnen. Op de klok uit 1783 stond deze tekst, waarmee ik dit artikel wil besluiten, omdat dat nog steeds de boodschap van de kerkklokken is:

Mijn helder toon roep luid o mens, Gebruik die genaede tijd,

Gebruik die genaede tijd,

Kom hore Godes Woord

Bedenke dood en eeuwigheid.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 2018

Oude Paden | 48 Pagina's

Rondom de kansel van Benschop

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 2018

Oude Paden | 48 Pagina's