Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kyuper's wetenschapsleer*

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kyuper's wetenschapsleer*

36 minuten leestijd

Inleiding

We mogen zeggen, dat sinds de verschijning van Immanuel Kant's "Kritik der reinen Vernunft" in 1781 de theoretische bezinning op de eigen aard en struktuur, op de eigenlijke grondslagen van het theoretisch denken zelf, zich als noodzakelijk onderdeel van het wijsgerig bedrijf heeft gepresenteerd. Soms is dat zelfs in die mate gebeurd, dat wijsbegeerte en wetenschapsleer practisch werden vereenzelvigd. In de tegenwoordige tijd neemt dan ook de wetenschapsleer - de bezinning op de aard van de wetenschap alsook op de plaats die de wetenschap in het ruimer verband van de samenleving inneemt - terecht een belangrijke plaats in de studieprogramma's van de centrale interfakulteiten - en niet alleen van deze - in. Vakken als wetenschapsleer en wetenschap en samenleving worden steeds meer tot een verplicht onderdeel van de studie, ook buiten de centrale interfakulteit. En dat terecht. Het zou namelijk wel wonderlijk zijn, indien de beoefenaars der wetenschap zich in theoretische zin met vrijwel de gehele geschapen werkelijkheid zouden bezig houden, maar daarbij het verschijnsel van de wetenschap zelf buiten beschouwing zouden laten. Ook gelet op de zeer invloedrijke plaats die het wetenschappelijk bedrijf in al zijn geledingen in de samenleving heeft verkregen is het antwoord op de vraag naar het "wat" en het "hoe" van de wetenschap van vitaal belang. Deze bezinning op het "wat" en "hoe" van de wetenschap is ook daarom van belang, omdat de mensen van wetenschap zich in het verleden nogal eens hebben schuldig gemaakt aan overmoed. Men meende dan dat de wetenschap het meest geëigende instrument was om de problemen waarvoor wij gesteld worden met betrekking tot de natuur en de menselijke samenleving onder kontrole te krijgen. Daarin deed zich het humanistisch wetenschapsideaal gelden. Dat vond zelf weer zijn inspiratie-bron in het humanistisch persoonlijkheidsideaal, de idee van de volstrekt autonome persoonlijkheid welke aan geen enkele wet gebonden is dan alleen die welke hij zelf als zodanig ontworpen en aanvaard heeft. Het is bekend, dat het eigenlijke wijsgerig denken in reformatorische kring eerst laat op gang gekomen is. Dat geldt zelfs voor de Vrije Universiteit. Het laatste is enigszins verwonderlijk, omdat juist de Vrije Universiteit zich bij haar oprichting een integraal-christelijke wetenschapsbeoefening tot taak had gesteld.1 Er zijn natuurlijk wel verschillende pogingen ondernomen tot een eerste aanzet van christelijk-wijsgerig denken. Toch is eerst met de komst van de hoogleraren Dooyeweerd en Vollenhoven in 1926 het reformatorisch- wijsgerig denken zijn eigenlijke ontwikkeling begonnen. Tot die tijd had de theologie het overwegend voor het zeggen. In het bijzonder in het werk van Dooyeweerd neemt de zogenaamde transcendentale kritiek van het theoretisch denken-in de geest van o.a. Immanuel Kant en Edmund Husserl - , d.w.z. de theoretische bezinning op de grondslagen van het theoretisch denken zelf - daaronder begrepen de wijsbegeerte - een centrale plaats in. De door Dooyeweerd ontwikkelde gedachten zijn ook binnen de beweging voor reformatorische wijsbegeerte niet geheel onweersproken gebleven. In dit verband valt te wijzen op de kritiek welke is uitgeoefend door H. van Riessen en D. F. M. Strauss.2 Dooyeweerd en Vollenhoven hebben zelf bij herhaling gesteld, dat zij in hun wijsgerige arbeid voortbouwen op grondslagen die door Kuyper zijn gelegd, zij het dat zij de geestelijke erfenis van Kuyper kritisch hebben aanvaard, d.w.z. niet zonder daaruit naar vermogen datgene te schiften wat naar hun oordeel niet met het christelijk-reformatorisch uitgangspunt van Kuyper en de zijnen zelf overeenkwam. En dat niet, zoals Dooyeweerd opmerkt, uit "gebrek aan piëteit tegenover de baanbrekers van het Calvinistische denken van de vorige generatie", maar om juist daarin de reformatorische lijn van deze denkers te volgen.3 Dooyeweerd en Vollenhoven stellen zich dus uitdrukkelijk op in een bepaalde traditie. Maar dat wil ook zeggen, dat zij in de eigenlijke diepte van hun denken niet te verstaan zijn los van de traditie. En dat dwingt ons als vanzelf ook van deze traditie kennis te nemen. Dat willen wij, voor wat dit artikel betreft, doen met Kuyper's wetenschapsleer. Ook daarover heeft Kuyper namelijk - soms in meer populaire, soms in meer wetenschappelijke vorm - zijn gedachten laten gaan. Dat was voor hem, als één van de voornaamste bouwers van de Vrije Universiteit, trouwens onvermijdelijk.

De achtergrond van Kuyper's werk

Wanneer wij nu Kuyper's wetenschapsleer nader kritisch gaan bezien, moeten wij ons bewust zijn, dat dit niet mogelijk is los van het bredere kader waarbinnen Kuyper zijn arbeid verrichtte op het gebied van wetenschap, kuituur, politiek, maatschappelijk leven, journalistiek, enz., ook niet los van de meer algemene doeleinden die hij nastreefde. Zoals bekend, was het streven van Kuyper er op gericht de Gereformeerde volksgroep, zoals deze ten dele in de afgescheiden kerken en ten dele nog in de Nederlandse Hervormde Kerk te vinden was, bewust te maken van de roeping die zij met betrekking tot het maatschappelijke, politieke en kulturele leven had te vervullen. Kuyper was na zijn bekering tot het Evangelisch-Gereformeerde christendom in zijn gemeente diep onder de indruk gekomen van de grondmotieven van het Calvinisme, in het bijzonder van de belijdenis van de alomvattende souvereiniteit van God, welke in het Calvinisme zo'n centrale plaats innam. We kunnen Kuyper's leven kenmerken als een voortdurende worsteling om deze belijdenis in onze visie op en ons denken over de wereld en de plaats van de mens in deze wereld, alsook in de eigenlijke levenspraktijk op allerlei gebied gestalte te geven. Daarbij is Kuyper's aandacht er voortdurend op gespitst niet maar een elite, maar de brede Gereformeerde volksgroep in deze worsteling te doen delen. Hij wilde de Gereformeerde volksgroep daartoe op allerlei terrein mobiliseren. En dat niet alleen terwille van die Gereformeerde volksgroep zelf, maar terwille van de gehele kerk, zelfs voor het gehele Nederlandse volk, zo mogelijk ook voor de mensen buiten de Nederlandse grenzen. Daarbij speelde bij hem de droom van een herkerstening van Europa mee. Op dit doel was een groot deel van zijn schrijven gericht. Ik denk daarbij o.m. aan de lange reeks van artikelen in "De Heraut", zoals deze later in zijn driedelig werk "De Gemeene Gratie"4 bijeengebracht zijn, en aan zijn boek "Ons Program"5, waarin hij in brede lijnen een antirevolutionair beginselprogramma aangeeft en dat eveneens uit een verzameling van vroegere publikaties is ontstaan. Maar daarnaast kan een bijna onuitputtelijke reeks van andere publikaties worden genoemd. Het ging Kuyper om een principiële vorming alsook om een principiële onderheiïng van de levenspraktijk. Ook de wetenschap en daarmede de Vrije Universiteit hadden haar eigen funktie in deze strijd te vervullen, inzoverre met name de Vrije Universiteit het principiële kader, het officieren- en onder-officieren-corps voor het Gereformeerde leger diende te leveren. In dit verband is veelzeggend, dat Hoedemaker in de kerkdienst die op 19 oktober 1880, voorafgaand aan de opening van de Vrije Universiteit, werd gehouden preekte n.a.v. de bekende tekst uit Samuël: "Een smid was er niet te vinden in het gehele land van Israël, want de Filistijnen hadden gezegd: De Hebreeën mogen zich geen zwaarden of speren maken." (1 Sam. I3:i9). In Kuyper's leven zijn derhalve theorie en praxis, theoretische bezinning en het bezig zijn op niet-wetenschappelijk gebied, steeds nauw samengegaan. Zoals reeds opgemerkt, zeer veel werd door hem geschreven met het oog op de levenspraktijk. Daarbij had hij niet altijd de tijd om zelf geheel oorspronkelijk werk te verrichten of om bepaalde publikaties systematisch en geheel innerlijk konsistent op te bouwen, omdat deze publikaties in haar verschijning dikwijls over vele jaren gespreid werden.

Tweeërlei lijn

Globaal gesproken kunnen we bij Kuyper spreken van twee niet innerlijk te verzoenen lijnen, die ten dele min of meer zelfstandig ten opzichte van elkaar funktioneren, ten dele elkaar telkens weer kruisen, t.w. een radikaal en integraal Bijbels-reformatorische lijn en een lijn waarop zich duidelijk invloeden van het christelijk-scholastisch denken doen gelden. Dit geldt ook voor Kuyper's benadering van het verschijnsel van de wetenschap. Wanneer Kuyper nog op geheel rudimentaire wijze principieel positie kiest, komt het reformatorisch grondmotief in alle duidelijkheid door. Wanneer hij een poging waagt om de wetenschapsleer meer in het breed uit te werken, doet het scholastisch denken zijn invloed gelden. Daarmee wordt tegelijkertijd de deur geopend voor elementen uit het kritisch denken van Kant en de Neo-Kantianen, zij het dat deze zogenaamd kritische elementen in akkommodatie aan de Bijbelse scheppingsleer weer in realistische zin worden omgebogen. In de loop van het betoog hoop ik één en ander nader duidelijk te maken.

Gods souvereiniteit in Christus

Zoals reeds opgemerkt, staat in Kuyper's handelen en denken centraal de belijdenis van de volstrekte souvereiniteit van God. En deze souvereiniteit verstaat hij dan zo, dat God zowel de wereld om en in ons in volkomen vrijmacht uit het niets heeft geschapen en haar nu ook bij voortduur in stand houdt. Dat brengt mee, dat niets in de kosmos in zichzelf is te verstaan. Alles wijst boven en buiten zichzelf uit en vindt alleen in God zijn oorsprong en diepere eenheid. Ook de natuur wordt door deze voortdurende afhankelijkheidsverhouding bepaald. Zo eveneens ons denken. Dit is noodzakelijkerwijs religieus bepaald. Deze grondgedachte werkt Kuyper dan nader uit met betrekking tot de scheppingsorde, en dat in zijn eigen beeldende taal. Bij de schepping, zo merkt Kuyper op, heeft God tussen Zichzelf en Zijn schepsel, en zo ook op het gehele terrein van de schepping, lijnen getrokken, lijnen van begrenzing, onderscheiding en tegenstelling. Daarbij heeft God de meest scherpe grenslijn getrokken tussen de wereld en Zichzelf. Zodra we dit uit het oog verliezen, gaan ook alle overige grenslijnen in deze wereld vervagen. Anders uitgedrukt: alle onderscheidingen waarmee wij in deze wereld te maken hebben alsook het vermogen zelf van ons bewustzijn om te onderscheiden is gefundeerd in genoemde fundamentele grenslijn.

Het is duidelijk, dat Kuyper met deze lijnen Gods wetsorde op het oog heeft. God, zo stelt Kuyper, wijst binnen de kosmos aan ieder schepsel zijn eigen plaats, geeft het zijn eigen taak en bestemming, bindt het aan zijn eigen levenswet. Zowel de natuur als de menselijke samenleving zijn aan vaste ordinantiën onderworpen. Ook deze ordinantiën blijven in Kuyper's gedachtengang haar scheppingskarakter bewaren, d.w.z. haar onzelfgenoegzaamheid. Genoemde ordeningen zijn namelijk, zo merkt Kuyper in de geest van Psalm 119 op, Gods knechten, dat wil voor hem zeggen, dat zij geen algemene geboden zijn, welke het konkrete telkens, als het ware via de methode van de deduktie, aan de mens zelf ter beslissing overlaten. Zij dringen zich juist tot in de kleinste vraagstukken aan de mens op, zoals Kuyper het uitdrukt, "als de constante wil van den alomtegenwoordigen en almachtigen God".6 Bij Kuyper gaan zich nu evenwel de problemen voordoen, wanneer hij probeert de verhouding van de almacht van God als schepper van de werkelijkheid tot de verlossingsarbeid van Christus te bepalen. Dan gaan zich namelijk twee genoemde lijnen aftekenen. In zijn rede "Souvereiniteit in eigen kring" stelt Kuyper met nadruk, dat God Zijn souvereiniteit in haar volheid heeft opgedragen aan Christus als het vleesgeworden Woord. Er is geen enkele terrein in deze wereld, dat de Mens-Messias niet voor zich opeist. Om de macht van de uit Maria geborene koncentreert zich de strijd in het menselijk leven.7 In gelijke zin lezen wij in zijn "Locus de Christo" dat Christus als Middelaar zijn heerschappij uitoefent over alle niet menselijke schepselen, over alle autoriteiten en degenen die onder die autoriteiten staan en in Zijn kerk over een door zijn bloed verkregen volk. Christus heeft van God het voorzienigheidsregiment ontvangen over het gehele leven om de door Vader, Zoon en Heilige Geest geformeerde Raad uit te voeren. Deze zelfde grondgedachte wordt jaren later door Kuijper in zijn driedelige werk "Pro Rege" vertolkt.8 Ook in het driedelig werk "De Gemeene Gratie", dat tussen "Souvereiniteit in eigen kring" en "Pro Rege" verschenen is, vinden wij uitspraken terug, die in overeenstemming met het voorgaande zijn.9 Toch is de overheersende gedachtenlijn daar een andere. Hier doet zich namelijk de invloed van het scholastisch motief van "natuur" en "bovennatuur" gelden, zij het niet in specifiek Roomse zin. Van een eigenlijke tweedeling van de mens in Thomistische zin, welke haar grondslag zou vinden in de schepping, wil Kuyper dan ook niet weten. Kuyper houdt als gevolg hiervan vast aan de Bijbelse leer dat de menselijke natuur door de zondeval radikaal verdorven is, terwijl de mens in zijn val de schepping in haar geheel heeft meegesleept. De schepping zou dan ook radikaal in het verderf zijn gestort, als God niet tussenbeide was gekomen met zijn genade.10

De "terreinen" van algemene en bijzondere genade

Dat laatste heeft God nu op twee manieren gedaan, namelijk door de zogenaamde zaligmakende genade en door de tijdelijk bewarende. De eerste, zo stelt Kuyper, heft de zonde op en verijdelt haar gevolgen. Zij is als zodanig gebonden aan de uitverkorenen. Zij is bestemd voor het eeuwig leven en heeft dientengevolge alleen betekenis voor het innerlijke leven van de mens en voor de kerk. Door haar wordt primair de wortel van het menselijk geslacht als geheel en daarmee van de gehele schepping omgezet. De tijdelijk bewarende genade houdt alleen de doorwerking der zonde tegen. Zij breidt zich als zodanig over heel het leven uit. Zij is in die zin algemeen en omvat als zodanig gelovigen en ongelovigen. Zij is konserverend, niet vernieuwend. De algemene genade vindt daarom haar uitgangspunt in de oorspronkelijk geschapen dingen. Door haar is geen enkele kracht aan de natuur toegevoegd. De bijzondere, de vernieuwende genade is daarentegen "bovennatuurlijk". Zij komt niet op uit de "natuur", maar wordt daarin van buiten af ingedragen. Door deze tegenstelling wordt ook die tussen kerk en staat bepaald. En daar de "algemene genade" zich geheel op natuurlijk terrein beweegt, moet zij ook in haar zelfstandige positie tegenover de bijzondere genade worden gehandhaafd.11 Deze twee lijnen volgend, maakt Kuyper ook een duidelijk onderscheid tussen Christus als verlossingsmiddelaar en Christus als scheppingsmiddelaar. Het Koningschap van Christus als verlossingsmiddelaar, als Zoon des Mensen, beperkt zich in deze gedachtengang tot het terrein van de bijzondere genade. En nu is het wel zo, dat ook de algemene genade, zoals die zich op "natuurlijk" terrein openbaart, niet is te verstaan buiten het Kruis, maar niettemin oefent Christus op het wereldleven buiten de kerk Zijn heerschappij niet als verlossings- maar als scheppingsmiddelaar uit, d.i. als de Tweede Persoon van het heilig, drieënig, goddelijk wezen.12

"Natuurlijke" en "boven-natuurlijke" kennis

Het is te begrijpen, dat zich in deze tweede gedachtengang ook weer de scholastische tegenstelling tussen "natuurlijke" en "boven-natuurlijke" kennis doet gelden. Zo stelt Kuyper b.v., dat de mens geheel buiten de bijzondere openbaring om zich een zekere kennis inzake het recht kan verwerven uit het zg. natuurlijk bestand van het leven, waarin hij dagelijks verkeert, en door historie en wetenschap. Alleen moet deze kennis, om tot een zuiver rechtsbesef te komen, worden aangevuld en gekorrigeerd door wat ons in de Heilige Schrift over de rechtsorde is meegedeeld. De bijzondere openbaring doet ons de wet van God weer in haar centrale betekenis van gids voor het menselijk leven zien. In ander verband lezen we, dat een zondaar alleen bij het licht van de Schrift kan gezaligd worden, maar dat een land kan geregeerd worden bij het licht van de "natuur", waarbij het licht van het Woord van God slechts van terzijde bijkomt. Het Woord van God, dat in de Heilige Schrift tot de volken uitgaat, verheldert en versterkt het reeds schijnende licht van de algemene genade.13 Het is nu alleszins begrijpelijk, dat beide genoemde lijnen, zoals reeds opgemerkt, ook terug te vinden zijn in Kuyper's visie op en leer van de wetenschap.

Kuyper's reformatorische visie op de wetenschap

In het bijzonder in de rede "Souvereiniteit in eigen kring" volgt Kuyper de radikaal-reformatorische lijn. Daar stelt hij met nadruk, dat alle wetenschap van geloof, van een eigen beginsel uitgaat. En omdat wij in feite te maken hebben met verschillende beginselen of uitgangspunten, krijgen wij ook met verschillende gestalten van de wetenschap te maken. Zo is er, stelt Kuyper, een Griekse, een Arabische, een Scholastieke wetenschap geweest. Binnen de wijsbegeerte hebben wij met allerlei scholen te maken. Daarom zijn ook de christenen geroepen om op het gebied van de wetenschap op grond van hun eigen beginsel een eigen wetenschappelijk bouwwerk te ontwerpen.14 Deze lijn wordt door Kuyper ook doorgetrokken in zijn bekende Stonelezing over "Het Calvinisme en de Wetenschap". Ik citeer het nogal barok aandoende slot van deze lezing: "Er moet een systeem in elke wetenschap, samenhang in elk onderwijs, eenheid in elke opleiding wezen. Vrij is alleen wat streng aan zijn eigen beginsel gebonden, alle natuurlijke banden kan afwerpen. En zoo zal, dank zij den weg ons door het Calvinisme ontsloten, ook de vrijheid der wetenschap ten slotte daarin triumferen, dat elk beginsel de macht erlangt om een eigen wetenschap uit zijn wortel te doen opbloeien, maar ook, dat geen wetenschap het hoofd met eere zal kunnen opheffen, zonder voor aller oog het vizier te ontsluiten, en met gulden letteren op haar schild het beginsel te doen schitteren, waaraan ze haar kracht ontleent en waarvoor ze leeft."1 5

De funktie van het geloof

Geheel in overeenstemming met de hier aangegeven lijn zijn Kuyper's uiteenzettingen in zijn "Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid"16 inzake het geloof, dat daar niet wordt opgevat als een extra, als een donum superadditum, als een genadegave die aan het zg. natuurlijke menselijke bestaan wordt toegevoegd, maar als een aan de mens ingeschapen funktie. Kuyper spreekt daar over het geloof, de pistis, in formele zin en afgedacht van elke inhoud (wellicht ware hier beter te zeggen: afgedacht van elke bepaalde gerichtheid, D.). Kuyper bedoelt hier, zoals hij opmerkt, niet het geloof in Jezus Christus in zijn zaligmakend karakter voor de zondaar, en evenmin het geloof in God, waarop alle religie rust, "maar die formeele functie van ons zielsleven, die aan elk feit in ons menschelijk bewustzijn ten grondslag ligt. De gemeene tegenstelling tusschen "gelooven en weten" stelt den inhoud, die door het geloof is verworven, tegenover den inhoud, die ons door de kennis is aangebracht; en dan natuurlijk staat men voor twee ongelijksoortige grootheden. . . .Wil men dus ook met opzicht tot deze tegenstelling positie nemen, dan is het noodzakelijk, dat men op de formeele functie van de pistis terugga, en onderzoeke, of deze functie al dan niet een algemeen karakter vertoont. Immers, blijkt dit, dan bestaat er ook een invloed van deze algemeene functie der pistis op die bijzondere functie, waardoor het wetenschappelijk resultaat wordt verkregen, en kan worden nagegaan, tot hoeverre de functie van de pistis zich kan doen gelden, en waar ze de grens voor haar werking vindt."17 Even later18 omschrijft Kuyper dan het geloof als "die functie van onze psyche, waardoor ze, zonder eenig discursief bewijs te voeren, rechtstreeks en onmiddellijk zekerheid erlangt. Geloof komt daardoor te staan tegenover "bewijsvoering"; niet op zichzelf tegenover het weten. Dit zou wél zoo zijn, aldus Kuyper, zoo ons weten en zijn inhoud ons uitsluitend door waarneming en daarop gerichte bewijsvoering toekwam, maar gelijk wij poogden aan te toonen, is dit niet zoo. Weten en kennis, weten en verstand is niet hetzelfde. Ik weet al datgene, waarvan het bestaan met eenige relatie van dit bestaan, voor mij een voldongen feit is. . . . Een bewijs bewijst alleen dat-Geheel in overeenstemming met de hier aangegeven lijn zijn Kuyper's uiteenzettingen in zijn "Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid"16 inzake het geloof, dat daar niet wordt opgevat als een extra, als een donum superadditum, als een genadegave die aan het zg. natuurlijke menselijke bestaan wordt toegevoegd, maar als een aan de mens ingeschapen funktie. Kuyper spreekt daar over het geloof, de pistis, in formele zin en afgedacht van elke inhoud (wellicht ware hier beter te zeggen: afgedacht van elke bepaalde gerichtheid, D.). Kuyper bedoelt hier, zoals hij opmerkt, niet het geloof in Jezus Christus in zijn zaligmakend karakter voor de zondaar, en evenmin het geloof in God, waarop alle religie rust, "maar die formeele functie van ons zielsleven, die aan elk feit in ons menschelijk bewustzijn ten grondslag ligt. De gemeene tegenstelling tusschen "gelooven en weten" stelt den inhoud, die door het geloof is verworven, tegenover den inhoud, die ons door de kennis is aangebracht; en dan natuurlijk staat men voor twee ongelijksoortige grootheden. . . .Wil men dus ook met opzicht tot deze tegenstelling positie nemen, dan is het noodzakelijk, dat men op de formeele functie van de pistis terugga, en onderzoeke, of deze functie al dan niet een algemeen karakter vertoont. Immers, blijkt dit, dan bestaat er ook een invloed van deze algemeene functie der pistis op die bijzondere functie, waardoor het wetenschappelijk resultaat wordt verkregen, en kan worden nagegaan, tot hoeverre de functie van de pistis zich kan doen gelden, en waar ze de grens voor haar werking vindt."17 Even later18 omschrijft Kuyper dan het geloof als "die functie van onze psyche, waardoor ze, zonder eenig discursief bewijs te voeren, rechtstreeks en onmiddellijk zekerheid erlangt. Geloof komt daardoor te staan tegenover "bewijsvoering"; niet op zichzelf tegenover het weten. Dit zou wél zoo zijn, aldus Kuyper, zoo ons weten en zijn inhoud ons uitsluitend door waarneming en daarop gerichte bewijsvoering toekwam, maar gelijk wij poogden aan te toonen, is dit niet zoo. Weten en kennis, weten en verstand is niet hetzelfde. Ik weet al datgene, waarvan het bestaan met eenige relatie van dit bestaan, voor mij een voldongen feit is. . . . Een bewijs bewijst alleen dat-gene, wat het streng en bondig bewijst, en al wat in de uitkomst dit bondige karakter mist, is niet uit uw bewijsvoering maar van elders afkomstig; en juist op die andere bron van zekerheid komt het hier aan. Of liever, want ook zoo spreken we nog niet sterk genoeg, juist in dat andere, wat we geloof noemen, ligt de eenige bron van zekerheid, ook bij hetgeen ge door bewijsvoering streng en bondig maakt." Dooyeweerd merkt in dit verband in zijn artikel over Kuyper's wetenschapsleer op, dat deze voorlopige omschrijving het essentiële van de pistis nog niet raakt, inzoverre zij zich vrijwel dekt met de gebruikelijke opvatting der intuïtieve evidentie.19 Daarom is het van belang nog op een andere omschrijving van Kuyper te wijzen, die eveneens in zijn "Encyclopaedie" voorkomt. We lezen daar: "De pistis namelijk is in ons menschelijk bewustzijn de diepste grondwet van alle onderscheiding, waardoor eerst alle hoogere "Differenzirung" in ons bewustzijn tot stand komt. Het is het durven breken van onze eenheid in een tweeheid; het stellen van een ander ik tegenover ons eigen ik; en wel een aandurven van die scheiding, omdat ons eigen ik eerst in dat andere ik zijn steun- en rustpunt vindt. Deze algemeene betere kennis van het geloof maakt, dat er op elk terrein sprake kan zijn van geloof; maar tegelijk, dat het geloof primordiaal ontstaat, doordien ons ik God, als het eeuwige, oneindige Wezen tegenover zich plaatst, en zulks aandurft, omdat het juist hierdoor zijn eeuwig steunpunt vindt. Wijl we nu dit geloof niet zelf construeeren, maar God het in onze menschelijke natuur inschiep, is het niet anders dan het opendoen van het geestelijk oog en een nu ontwaren van een ander, ons in alles overtreffend wezen, dat in ons eigen wezen verschijnt."20 In dit citaat worden een aantal dingen heel duidelijk gezegd: - het geloof maakt deel uit van onze geschapen menselijke natuur; - het geloof is een typische grensfunktie van het menselijk bestaan, inzoverre wij in het geloof een steunpunt zoeken dat buiten dat menselijk bestaan gelegen is; - het kenmerkende van het geloof is het vast vertrouwen in iemand of iets; - het geloof als ingeschapen funktie funktioneert op elk terrein en derhalve in alle menselijke aktiviteiten. Vandaar dat Kuyper kan zeggen, dat ook alle wetenschappelijk denken uitgaat van geloof.

De taak van de wijsbegeerte

In deze visie past ook Kuyper's visie op de aard en plaats van de wijsbegeerte, zoals deze in zijn genoemde lezing over Het Calvinisme en de wetenschap is geformuleerd. Hij doet ons daar, evenals in de reformatorische wijsbegeerte, de filosofie zien als een op de totaliteit gericht denken, wanneer hij zegt: Ook wat de enkele wetenschappen vormden moet door resultaat of hypothese, groepsgewijze onder één hoofd, onder de heerschappij van één beginsel worden gebracht, en ten slotte treedt de philosophie uit haar tente, om al wat tot dusver groepsgewijze gevormd werd, als één organisch geheel in te denken.21

Konjlikt tussen Bijbels-reformatorisch en scholastisch scheppingsmotief

Het kenmerkende van de hier aangegeven radikaal-reformatorische lijn in Kuyper's denken bestaat hierin, dat daarin op integrale wijze het centrale Bijbelse scheppingsmotief doorwerkt. Deze Bijbelse scheppingsidee dreigt echter bij Kuyper telkens in scholastische zin te worden omgebogen. Het typerende voor de scholastische scheppingsidee bestaat in een akkommodatie van de Grieks-Aristotelische idee van de kosmos als een produkt van de goddelijke nous of rede als eerste, zelf onbewogen beweger van het heelal aan de Bijbelse scheppingsleer. Deze scholastische scheppingsidee verbindt Kuyper bovendien, in afwijking van zijn reformatorisch uitgangspunt, met kritisch-idealistische elementen. De scholastische scheppingsidee vindt haar uitdrukking in de idee van God als de scheppende Logos. Deze idee vinden wij letterlijk bij Kuyper terug, en wel in Deel III van De Gemeene Gratie.22 Daar spreekt hij over de zelfstandige positie van de wetenschap. Deze rust volgens hem in de schepping van de mens naar het beeld van God. Er is volgens Kuyper in God een zelfstandig goddelijk denken, dat niet tot hem gekomen is vanuit de geschapen dingen, maar dat aan de schepping van alle dingen voorafging. God denkt niet, omdat hij schiep, maar hij schiep na gedacht te hebben. Dit is het wat we, aldus Kuyper, belijden in het stuk van het Besluit. Al ligt in het Besluit ook de uitdrukking van de wil van God, toch staat het vast, dat deze wil van God zich richtte op wat Zijn wijsheid had uitgedacht. Een besluit, waaraan geen denken voorafging, is onbestaanbaar. We zien hier, hoe Kuyper in verband met de strijd die zich in de middeleeuwen heeft voorgedaan met betrekking tot het primaat van het denken of van de wil duidelijk kiest voor het denken. Al het geschapene mag derhalve slechts als uitvloeisel van het denken van God worden gezien. Alle dingen zijn tot stand gekomen en bestaan nog door de logos, d.i. de goddelijke rede of het Woord. In alle geschapen dingen ligt denken van God besloten. Zo is er niets in het geschapen heelal, dat niet de uitdrukking, de openbaring, de belichaming van een gedachte van God is. Het zijn deze gedachten van God die aan de geschapen dingen hun bestaanswijze, hun vorm, hun levenswet, hun bestemming en hun verloop voorschrijft. Alles is uit het denken, uit het bewustzijn, uit het Woord van God - let goed op de nevenstelling van deze drie woorden - voortgekomen en wordt daardoor gedragen. Daarom is geheel de schepping in haar oorsprong, bestaan en verloop, één rijke, samenhangende openbaring van wat God in eeuwigheid gedacht en in zijn Besluit vastgelegd heeft. Termen als logos uit de proloog van het Evangelie van Johannes, Rede en Wezen van God worden in dit verband in één adem genoemd.

Doorwerking van het scholastisch scheppingsmotief in Kuyper's wetenschapskonceptie

De mens heeft nu krachtens de scheppingsorde, d.i. als beeld van God, de wijsheid of het vermogen gekregen om de gedachten van God, die in de schepping belichaamd zijn, zo te begrijpen, dat hij kan nadenken uit de schepping, wat God al scheppende als gedachten in de schepping heeft neergelegd. Daarin onderscheidt de mens zich juist van alle andere schepselen. Zo zijn er volgens Kuyper drie op elkaar passende gegevens: - ten eerste, in God is van eeuwigheid zijn volle, rijke klaarheid van gedachten; - ten tweede, God heeft in de schepping een rijke volheid van zijn gedachten geopenbaard; - ten derde, God schiep in de mens, als zijn beelddrager, het vermogen, om deze in de schepping uitgesproken gedachte te verstaan, na te denken en tot een geheel samen te voegen.

De mensheid als subjekt en "al het bestaande" als objekt van de wetenschap

Deze van oorsprong scholastische scheppingsidee, werkt Kuyper nu in het tweede deel van zijn "Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid", in kritisch- idealistische zin uit, wanneer hij in algemene zin zijn visie op het verschijnsel der wetenschap nader uitwerkt.23 Kuyper begint daar op de in zijn tijd gebruikelijke wijze met het onderscheid tussen het subjekt en het objekt van de wetenschap. Daarbij is voor Kuyper het subjekt niet de individuele mens. De wetenschap is niet een optelsom van wat A weet, aldus Kuyper, en evenmin de bijeenvoeging van wat A, B en C weten. Het subjekt van de wetenschap is niet die of die mens, zijn niet die of die mensen. Het subjekt is voor Kuyper de mensheid, of anders uitgedrukt, het menselijk bewustzijn. De inhoud die reeds nu dit menselijk bewustzijn weet is zo onmetelijk groot, dat zelfs de meest rijk begaafde kop er nooit meer dan een klein stukje van te weten komt. Daarom kunnen we slechts tot een hoger begrip van wetenschap opklimmen, wanneer wij ons de mensheid als organisch geheel denken. De wetenschap gaat, aldus Kuyper, niet atomistisch te werk, maar organisch, d.i. "in dien zin, dat de behoefte om te weten in onze menschelijke natuur ligt; dat onze menschelijke natuur, binnen zekere grenzen, wetenschap kan verkrijgen; dat de aandrift, om zich aan deze taak te wijden, met de gaven, om aan die taak te kunnen arbeiden, vanzelf uitkomt; en dat deze corypheeën van ons geslacht op intellectueel gebied, zonder het te merken, schier onbewust, naar een plan te werk gaan, waardoor de menschheid verder komt." We hebben hier niet te maken met een wilswerking van het individu en ook niet met toeval. Er is hier een hogere faktor in het spel, aldus Kuyper, die in de loop der eeuwen en onder geheel verschillende volkeren, toch de eenheid van ons geslacht ook voor het leven van ons menselijk bewustzijn handhaaft. Deze hogere faktor kan niet de gepersonifiëerde "Gemeingeist" van onze menselijke natuur zijn, want deze hogere faktor moet, zo Kuyper, zelfbewust zijn, terwijl juist de "Gemeingeist" eerst door de wetenschap tot zelfbewustheid moet gebracht worden. Deze hogere faktor moet zelf weten, wat hij ons wil doen weten. En dat is dan blijkbaar de mensheid. Tegenover deze mensheid als het subjekt van de wetenschap staat dan het objekt der wetenschap, dat niet anders is dan al het bestaande, voor zover dit zijn bestaan aan ons menselijk bewustzijn reeds ontdekte, nog ontdekken zal, of vermoeden laat. Dit bestaande kan dan in drieën worden gesplitst: daartoe behoort niet alleen wat buiten het denkend subjekt is, maar ook het subjekt zelf en het bewustzijn van het subjekt. Deze kunnen alle voorwerp van wetenschappelijk onderzoek zijn. Nu zou er, volgens Kuyper, geen wetenschappelijke kennis van het objekt mogelijk zijn, indien dit alleen atomistisch bestond. Het denkbeeld van wetenschap veronderstelt samenhang. Eerst bij het vermoeden, dat de delen van het objekt organisch samenhangen, kan het onderscheid tussen het algemene en bijzondere ontstaan. Ook eerst dan leren we begrijpen, dat het algemene de samenbindende faktor voor het bijzondere is. Eerst door genoemd vermoeden van de organische samenhang leren wij ook verstaan, dat er orde in het objekt heerst. Zo sluiten bij Kuyper de idee van de organische samenhang van het subjekt en die van het objekt bij elkaar aan, ook in deze zin dat subjekt en objekt onderling organisch samenhangen

Zintuigelijke waarneming en logisch denken als de eigenlijke kennisfunkties

De eigenlijke kennis van het objekt verwerft het subjekt zich nu via twee zg. kennisfunkties, t.w. de zintuigelijke waarneming en het logisch denken. Kuyper gaat er namelijk van uit, dat in het objekt moet worden onderscheiden tussen de momenten en de relaties.24 Aan dit onderscheid beantwoordt in het menselijk bewustzijn als subjekt van de wetenschap een dubbele receptiviteit: enerzijds namelijk een vermogen de momenten in het objekt waar te nemen, anderzijds een vermogen om de relaties binnen het objekt waar te nemen, relaties welke (zie boven) logisch gekwalificeerd zijn. Door deze beide vermogens samen ontstaat de zg. actio intelligendi. Het eerste vermogen kan men nu gewaarwording noemen, het andere vermogen het indenken. Eerst echter door de kombinatie van deze beide komt de reflektie van het objekt in ons bewustzijn tot stand, aldus Kuyper. Daarom is het gevoelsvermogen, dat men dikwijls een plaats naast het vermogen tot begrijpen en het wilsvermogen geeft, niet anders dan een onderdeel van het vermogen om te begrijpen. Voor Kuyper zijn cogitare en intelligere, denken en begrijpen dan ook niet identiek. Bedenken kan men volgens Kuyper ook iets dat niet bestaat, terwijl het begrijpen alleen plaats kan vinden ten opzichte van een bestaand objekt, dat nooit alleen relaties bezit, maar steeds ook uit momenten bestaat, waartussen relaties bestaan.

De logische struktuur van de werkelijkheid

In genoemde relaties hebben we dus met een orde te maken, die haar konstantheid en kontinuïteit waarborgen. Dat geldt ook voor wat betreft de relaties tussen de relaties. Onze verwantschap met het objekt bestaat juist daarin, dat ons denkvermogen er geheel op is ingericht, dat het deze relaties, derhalve de relaties tussen de relaties, kan doorzien. Men kan zelfs zeggen, dat het voltooide menselijke denken gelijk zal zijn aan het voltooide organisme van deze relaties. Ons denken is geheel op deze relaties aangelegd, en deze relaties zijn de objektivering van het denken.25 "De mogelijkheid, zo Kuyper, om zich den kosmos als object te assimileren, ontstaat voor het subject, doordien het mikrokosmische èn de typen van deze momenten, èn het kader van deze relatiën in zich draagt. En eindelijk, de mogelijkheid, om niet slechts tot aggregatorische, maar tot organisch samenhangende kennis, en alzoo tot actieve beheersing, van den kosmos te geraken, spruit voort uit het feit, dat in dezen kosmos een noodwendige orde heerscht, die logisch ontkiemt uit een beginsel, dat ook in ons eigen mikrokosmisch aangelegd bewustzijn werkt."26 Kuyper zoekt derhalve in deze gedachtengang de wet of wetmatigheid voor de zintuigelijke waarneembare momenten in de zg. relaties, terwijl hij deze relaties zelf op haar beurt weer in logische zin duidt. Deze logische relaties vinden dan weer haar weerspiegeling in het blijkbaar eveneens logisch gestruktureerde menselijke bewustzijn.

De onderlinge kongenialiteit en afhankelijkheid van subjekt en objekt der wetenschap

Objekt en subjekt staan derhalve, aldus Kuyper, tegenover elkaar als volkomen aan elkaar verwant. En hoe dieper het ons menselijk bewustzijn gelukt in de kosmos in te dringen, des te inniger blijkt die verwantschap te zijn. Men zou kunnen spreken van een wederzijdse afhankelijkheid

Kuyper stelt daarbij uitdrukkelijk dat noch het objekt het subjekt produceert, noch het subjekt het objekt. Daarmee wijst Kuyper derhalve uitdrukkelijk de in humanistische kring overwegende gedachte af, dat de orde in de werkelijkheid het resultaat zou zijn van het ordenend ingrijpen door middel van het menselijk denken. Kuyper gaat er van uit, dat de werkelijkheid - derhalve al het bestaande waarmede de wetenschap bezig is - geordend is: Zoals wij zagen, liggen in de schepping reeds gedachten van God belichaamd die wij slechts kunnen na-denken. De macht die objekt en subjekt samenbindt moet volgens Kuyper dan ook buiten beide gezocht worden. En dat kan volgens hem slechts zijn de auteur van de kosmos, die in de kosmos de mens als mikrokosmos naar zijn beeld en naar zijn gelijkenis schiep. "Aldus opgevat, zo Kuyper, komt "de wetenschap" derhalve voor ons te staan, als het product van een te zijner tijd met noodzakelijkheid opgekomen, en steeds voortgaanden drang in den menschelijken geest, om den kosmos, waarmee hij in organische verwantschap staat, plastisch naar zijn momenten in ons af te spiegelen, en logisch in zijn relatiën door te denken."27

Blijvende innerlijke tegenstelling

We zien derhalve, dat Kuyper op de tweede, niet-radikaal-reformatorische gedachtenlijn de Bijbelse scheppingsidee in scholastische zin interpreteert, inzoverre hij voor wat betreft de zg. natuurlijke werkelijkheid God laat optreden als scheppende logos, waarbij het woord logos inderdaad geduid wordt als rede. Bovendien geeft hij deze scholastische scheppingsidee, onder invloed van waarschijnlijk de kritische wijsbegeerte van Kant en de Neo-Kantianen nog een kritisch-realistische wending. Dit blijkt in de eerste plaats door zijn tegenoverstelling van het "denkend bewustzijn van de mensheid" als subjekt van de wetenschap en "al het bestaande" als objekt van de wetenschap. Ook al erkent Kuyper, dat beide krachtens hun logische struktuur aan elkaar verwant zijn en dientengevolge op elkaar aangelegd, zo verhindert dit niet, dat wij in het "denkend bewustzijn" en "al het andere" (de wereld?) toch met betrekkelijk zelfstandige grootheden te maken hebben, die ondanks haar onderlinge afhankelijkheid als zodanig toch tegenover elkaar kunnen gesteld worden. Kuyper ziet daarbij ten enenmale over het hoofd, dat ook de wetenschappelijk denkende mensen, zowel in hun individuele als in hun kollektieve wetenschappelijke aktiviteiten, intrinsiek, d.w.z. met al de vezelen van hun bestaan, met al de funkties van hun menselijke existentie, in die bestaande werkelijkheid zijn in gebed, daarmee zijn vervlochten. In de tweede plaats doet de kritisch-realistische wending in Kuyper's denken over de wetenschap zich hierin kennen, dat hij het menselijk ken- (of ervarings-) vermogen beperkt tot de psychische en logische of denk-funktie. Daarmee miskent hij, dat het steeds de volle mens is die ook in het wetenschappelijk bedrijf werkzaam is, d.i. de konkrete mens met al zijn funkties, vanaf de getals-matige, ruimtelijke, fysische en biotische tot aan de geloofsfunktie toe, geen enkele uitgezonderd. Daarmee gaat ook Kuyper's door en door Bijbelse gedachte van het geloof als ingeschapen funktie van de menselijke "natuur" in haar vruchtbaarheid voor het wetenschappelijk denken weer verloren, alsook de idee van het hart als het eigenlijk geestelijk centrum van het menselijk bestaan, waaruit heel het leven opkomt. Eén en ander heeft tot gevolg dat Kuyper's visie op de scheppingswerkelijkheid en zijn denken over deze werkelijkheid alsook zijn konceptie van de wetenschap een typisch logicistische trek krijgen. En dat in radikale tegenstelling tot zijn eigenlijk Bijbels-reformatorisch uitgangspunt, dat juist inhoudt dat het logische slechts één van de oorspronkelijke sferen van de werkelijkheid is naast alle andere.28

Hoe verder? Enkele richtingwijzers

Teneinde niet te blijven staan bij een kritische analyse, zal tot slot een poging worden ondernomen om - mede met gebruikmaking van enkele grondgedachten van Kuyper - enkele aanwijzingen te geven met betrekking tot de principiële richting die wij dienen te gaan, willen wij verder komen met het theoretisch verstaan van de eigen aard en struktuur van de wetenschappelijke bezigheid.

1 Het wetenschappelijk denken is evenals elke andere aktiviteit van de mens gebonden aan Gods wet, aan Gods orde voor de werkelijkheid. 2 Ook het wetenschappelijk denken vertoont een bovenwillekeurige struktuur. 3 Het wetenschappelijk denken is naar zijn aard logisch gekwalificeerd, terwijl in het proces van wetenschappelijke kennisverwerving de psychische (zintuigelijke) waarneming een onmisbare rol vervult. 4 De wetenschappelijke aktiviteit is een bezigheid, waarbij de mens met zijn gehele ikheid en met al zijn funkties is betrokken. Zij gaat derhalve niet in de logische en de psychische funktie op. 5 Gelet op het voorgaande fungeert de wetenschappelijke aktiviteit krachtens haar innerlijke struktuur ook in de geloofsfunktie, welke inhoudelijk gevoed wordt door het hart als het geestelijk centrum van de mens. Dientengevolge is alle wetenschappelijke aktiviteit via de geloofsfunktie van de mens religieus gericht, hetzij door de goddelijke Woordopenbaring, zoals in de Heilige Schrift gegeven, hetzij door een pseudo-openbaring (als bv. de vermeend autonome menselijke rede). 6 Bij kritisch doordenken naar de fundamenten van het wetenschappelijk bedrijf zal elke beoefenaar van de wetenschap antwoord moeten geven op de vragen naar de aard en oorsprong van de in de werkelijkheid gekonstateerde verscheidenheid aan verschijnselen en (modale) aspekten; van de onderlinge samenhang tussen deze verschijnselen en (modale) aspekten alsmede van hun diepere eenheid. 7 De beoefenaars der wetenschap hebben tot taak een verdiept theoretisch- analytisch inzicht te verschaffen in de strukturen (struktuurwetten) van de werkelijkheid - zowel de grondleggende als de aktuele strukturen - en in de binnen deze strukturen funktionerende individuele verschijnselen, één en ander in hun onderlinge relatie, alsook in de plaats welke het wetenschappelijk bedrijf in de werkelijkheid inneemt. 8 De wetenschap is één van de bovenwillekeurige strukturen der werkelijkheid, waarbinnen de mens voldoet aan de opdracht waarmede hij in de schepping is geplaatst, namelijk om heerschappij te krijgen over de aarde en deze te bebouwen en te bewaren. Deze taak is als zodanig een innerlijk begrensde. 9 Ook de mensen van wetenschap staan als zodanig onder het centrale liefdegebod, zoals dat in de Heilige Schrift hernieuwd is geopenbaard. Wetenschap is als zodanig dienst aan de naaste, daarin ook dienst aan de andere samenlevingsverbanden van niet-wetenschappelijke aard. Om werkelijk als zodanig te kunnen dienen, zal dit evenwel een dienen moeten zijn naar eigen aard, zoals elk ander levensverband slechts werkelijk kan dienen naar eigen aard.

i Zie A. Kuyper, Souvereiniteit in eigen kring. Rede ter inwijding van de Vrije Universiteit, den 20sten October gehouden in het Koor der Nieuwe Kerk te Amsterdam, J. H. Kruyt, Amsterdam 1880.

2 H. van Riessen, Wijsbegeerte, J. H. Kok, Kampen 1970, blz. 109-139; D. F. M. Strauss, Begrip en idee, diss. Vrije Universiteit, Van Gorcum & Comp., Assen 1973, blz. 89-129. Voorts wordt verwezen naar een studie van de schrijver van dit artikel dat binnenkort zal verschijnen in Philosophia Reformata, onder de titel: Ontisch en/of intentioneel? Een bijdrage tot de discussie inzake de aard en structuur van het wetenschappelijk denken binnen de reformatorische wijsbegeerte

3 H. Dooyeweerd, Kuyper's wetenschapsleer, in Philosophia Reformata, 4e jrg. (1939), blz. 194

4 A. Kuyper, De Gemeene Gratie, drie delen. Gebruik wordt gemaakt van de 3e druk, J. H. Kok, Kampen 1932

5 A. Kuyper, Ons Program (met bijlagen), Amsterdam 1879.

6 A. Kuyper, Het Calvinisme, Zes Stone-lezingen in October 1898 te Princeton, N.J., gehouden, Amsterdam - Pretoria, z.j. Gebruikt wordt de tweede druk, J. H. Kok, Kampen, eveneens zonder jaartal, blz. 60/61.

7 A. Kuyper, Souvereiniteit in eigen kring, blz. 8, 10.

8 A. Kuyper, Pro Rege, drie delen, J. H. Kok, Kampen 1911/2, blz. 322, 323, 332, 355/6, 359, 362.

9 A. Kuyper, De Gemeene Gratie, Deel III, blz. 124, 281.

10 A. Kuyper, De Gemeene Gratie, Deel II, blz. 84-86.

11 A. Kuyper, De Gemeene Gratie, Deel I, blz. 222, 255, 322/3; Deel II, blz. 52, 98, I37> 183, 224, 631, 632, 639; Deel III, blz. 108, 110

12 A. Kuyper, De Gemeene Gratie, Deel II, blz. 189; Deel III, blz. 123.

13 A. Kuyper, De Gemeene Gratie, Deel III, blz. 133, 142; idem, Antirevolutionaire Staatkunde, 2 delen, J. H. Kok, Kampen 1916-1917, i.h.b. Deel I, blz. 31, 35, 57, 70/1, 81, 84.

14 A. Kuyper, Souvereiniteit in eigen kring, blz. 29/30.

15 A. Kuyper, Het Calvinisme, blz. 126.

16 A. Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid, 3 delen, J. H. Kok, Kampen 1908-1909, i.h.b. Deel II, blz. 72W.

17 A. Kuyper, a.w., blz. 72.

18 A. Kuyper, a.w., blz. 75.

19 H. Dooyeweerd, Kuyper's wetenschapsleer, in Philosophia Reformata, 4e jrg. (1939), blz. 228.

20 A. Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid, Deel II, blz. 218/9.

21 A. Kuyper, Het Calvinisme, blz. 100.

22 A. Kuyper, De Gemeene Gratie, Deel m , blz. 489W.

23 A. Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid, Deel II, blz. 8vv.

24 A. Kuyper, a.w., blz. 25W.

25 A. Kuyper, a.w., blz. 22/3.

26 A. Kuyper, a.w., blz. 36. (kursivering van ons, D.).

27 A. Kuyper, a.w., blz. 27.

28 A. Kuyper, Het Calvinisme, blz. 135.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 1 April 1976

Radix | 60 Pagina's

Kyuper's wetenschapsleer*

Bekijk de hele uitgave van Thursday 1 April 1976

Radix | 60 Pagina's

PDF Bekijken