Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Isaac da Costa als historicus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Isaac da Costa als historicus

24 minuten leestijd

1. Inleiding

Isaac da Costa staat veelal bekend als verbreider van de ideeën van zijn leermeester Bilderdijk. Zo schildert althans dr. M.E. Kluit hem in haar standaardwerk over het Reveil.1 Minder bekendheid geniet Da Costa als historicus met een eigen boodschap en een eigen interpretatie. Da Costa bouwde, evenals Groen, zelfstandig voort op de fundamenten van Bilderdijks geschiedbeschouwing. We willen in dit artikel aard en karakter van Da Costa's historische arbeid nader bezien. Sinds jaar en dag richt de aandacht voor de orthodox-protestantse historiografie van de 19e eeuw zich grotendeels op Groen van Prinsterer, zijn bronnenpublikaties in de Archives ou Correspondance inédite de la Maison d'Orange- Nassau en zijn Handboek van de Geschiedenis van het Vaderland. Hierdoor is de aandacht voor andere, met Groen verwante, historici en hun prestaties als het ware weggedrukt. Het Reveil werd onder meer gekenmerkt door een levendige historische belangstelling. Behalve Groen van Prinsterer begaven nog verschillende andere Reveilfiguren zich op het terrein van de historie. Te denken valt aan Dirk van Hogendorp, die overigens nooit iets publiceerde, aan de 'christelijk-liberale' H. J. Koenen, aan C.M. van der Kemp, wiens belangstelling vooral rondom de synode van Dordrecht cirkelde, en aan de man die in dit artikel centraal staat: Isaac da Costa. Bij deze historische belangstelling bestond er tussen de genoemde Reveilfiguren natuurlijk discussie over de opvatting en beschouwing van het verleden. Hun werken kan men zien deels als resultaat van en deels als standpunt in deze discussie. In een niet te miskennen reaktie op Da Costa schreef Groen in zijn Handboek: 'In hoeverre kan Nederland een tweede Israël worden genoemd? Niet bij gelijkstelling, maar bij vergelijking'2. En Da Costa had op zijn beurt veel kritiek op de afkeuring die Groen onder andere in zijn Archives over de geschiedschrijving (niet de geschiedbeschouwing) van Bilderdijk uitsprak. '

Hoewel er op de kritiek van Groen op bepaalde voorstellingen van Bilderdijk zakelijk niets af te dingen viel, deed elke schending van de erfenis van zijn leermeester Da Costa pijn. Bilderdijk had immers de weg gewezen waarop Groen en Da Costa, zij het op geheel eigen wijze, voortgingen. Wat hield dit voortgaan op de weg van Bilderdijk voor Da Costa in? En waarin onderscheidde hij zich daarbij van Groen? Wat is de betekenis van de historische arbeid van Da Costa geweest? De levensloop van Da Costa kan hier kort worden geschetst. De feiten zijn niet nieuw. In 1798 werd Isaac da Costa in Amsterdam uit een Sefardisch (Joods- Portugees) geslacht geboren. Hij bezocht het Athenaem Illustre, leerde Bilderdijk kennen en vertrok in 1816 naar Leiden om er Rechten te gaan studeren. In 1817 bezocht hij het privatissimum over de Vaderlandse Geschiedenis van Bilderdijk. Bilderdijk heeft een grote invloed op Da Costa gehad. Hij maakte hem bewust van zijn Joodse verleden en zette een stempel op zijn geest. Da Costa bleef zich een leven lang een leerling van Bilderdijk voelen. Zijn overgang naar het christendom staat hier niet geheel los van. In 1822 liet Da Costa zich met Capadose in de Pieterskerk te Leiden dopen. De verdere loopbaan van Da Costa was niet gemakkelijk. Zijn advocatenpraktijk in Amsterdam verliep. In 1823 schreef hij zijn befaamde Bezwaren tegen de geest der eeuw, een Bilderdijkiaanse aanval op de gematigd-rationalistische en zelfgenoegzame geest van zijn tijd. Het strijdschrift bezorgde hem een stigma. Hij werd zelfs een tijdlang als staatsgevaarlijk beschouwd. Intussen werd Da Costa de grote inspirator van het Amsterdamse Reveil. Door het geven van lessen en openbare voorlezingen probeerde hij in z'n levensonderhoud te voorzien. Daarnaast was hij aktief op journalistiek gebied en als dichter. In de jaren 1850 was hij de ziel van Het Seminarie van de Vrije Schotse Kerk te Amsterdam. Da Costa stierf op 28 april 1860 te Amsterdam.

2. Da Costa's historische arbeid

Da Costa's historische oeuvre is niet bijzonder omvangrijk. In 1825 verschenen een tweetal werkjes als resultaat van een aantal lezingen. Het ene ging over het karakter van prins Maurits en het andere over de rechtspleging in het proces tegen Van Oldenbarnevelt. In 1831 begon Da Costa, aangesticht door de vaderlandslievende stemming in die dagen als gevolg van de Belgische Opstand4, met openbare voorlezingen over de vaderlandse geschiedenis. Hij hield dit een zestal cursussen vol en behandelde daarin de geschiedenis van Nederland in chronologische volgorde. Deze voorlezingen vormen de belangrijkste aaneengesloten uiteenzetting over de vaderlandse geschiedenis van Da Costa. Hij heeft er wel over gedacht zijn lezingen om te werken tot een integraal geschiedverhaal, maar heeft dit plan laten varen toen Groens Handboek vanaf 1841 in afleveringen begon te verschijnen."1 In 1848 zag van Da Costa's hand Israël en de volken het licht, een geschiedenis van de Joden. Da Costa was een groot kenner van vooral de Sefardische geschiedenis. We kennen Da Costa's geschiedvisie voorts uit zijn brieven en zijn journalistieke werk. Hierin legde hij vele van zijn opvattingen en beschouwingen neer. Vanaf 1834 schreef hij als redacteur van de Nederlandse Stemmen over Godsdienst, Staat-, Geschied- en Letterkunde onder meer over historische onderwerpen. In 1839 werd het blad omgezet in Stemmen en Beschouwingen. In 1840 ging ook dit tijdschrift ter ziele. Da Costa's historische stukken in deze bladen werden na zijn dood door H.J. Koenen uitgegeven onder de titel Opstellen van Godgeleerden en Geschiedkundigen inhoud. Opgemerkt moet worden dat Da Costa zijn opvattingen en beschouwingen over de vaderlandse geschiedenis voornamelijk in de jaren 1830 formuleerde. Gedurende de laatste twintig jaren van zijn leven heeft hij zich in hoofdzaak op theologisch terrein begeven, Groen van Prinsterer, die in 1835 met het eerste deel van zijn Archives verscheen en in 1846 zijn Handboek voltooide, kon zodoende op de geschiedvisie van Da Costa reflecteren. In zijn brieven aan Groen vinden we de reactie van Da Costa op het historisch werk van Groen. Het kenmerkende van Da Costa's behandeling van de geschiedenis was dat deze zich bewoog binnen de door Bilderdijk aangegeven kaders. Dezelfde anti- Wagenaarse, anti-staatsgezinde, anti-Remonstrantse en Orangistische trek beheerst ook zijn historisch werk. Kritiek op de door H.W. Tydema postuum uitgegeven Geschiedenis des Vaderlands van Bilderdijk kon hij moeilijk verdragen. Hij beoordeelde Bilderdijk naar de geest waarin deze had gewerkt en niet naar zijn fouten. Da Costa gaf toe dat Bilderdijk stof tot terechtwijzing had gegeven, maar bleef hem prijzen — en terecht — om zijn verdienste de staatsgezinde hegemonie op het gebied van de geschiedschrijving met nieuwe voorstellingen te hebben doorbroken.6 Ook ten aanzien van de wetenschappelijke aanpak sloot Da Costa zich aan bij Bilderdijk. Zij hadden beiden een diepe afkeer van Verlichting en rationalisme. Van een autonome rede wilden zij niets weten. Ware kennis was niet het resultaat van een aantal verstandsoperaties, maar was veeleer een zaak van het voelende en gelovende hart.1 Het verzet tegen de mentaliteit, de geest van het rationalisme was hierbij fundamenteel. Da Costa spreekt met afkeer van historici 'die voor geen ding hart hebben dan voor het recht der wetenschap en der kritiek'. Aan de diepere vragen van de geschiedenis gaan zij voorbij. 'Dieu dans 1'histoire is bij deze lieden een vreemd en onkritisch element', merkt Da Costa op.s Da Costa wilde zijn deur sluiten voor de wetenschappelijke scepsis die geen oog had — en ook niet kon hebben — voor de magnalia Dei, de grote daden van God in de geschiedenis. In nog een ander opzicht bleef Da Costa dicht bij Bilderdijk, namelijk in zijn 'pragmatische' behandeling van de geschiedenis.9 De zogenaamde 'pragmatische methode' was aan het begin van de 19e eeuw in de Nederlandse geschiedbeoefening algemeen in zwang.10 Het wilde een opzettelijke en morele beoordeling geven van historische personen en gebeurtenissen. Het wilde het nuttige, verstandige, goede of slechte doen uitkomen. De geschiedenis werd daarbij als leermeesteres van het leven ('magistra vitae', naar het woord van Cicero) beschouwd. De pragmatische methode raakte in Nederland in de loop van de jaren 1830 en 1840 door de opkomst van de moderne geschiedwetenschap, met haar parool nicht urteilen, nur darstellen, meer en meer in diskrediet. Tegenover de belerende functie van de geschiedbeoefening, wilde de moderne geschiedwetenschap de studie van het verleden zien als doel op zichzelf." Ranke liet weten de geschiedenis niet te zien als reservoir van voorbeelden voor het heden, maar op zoek te zijn naar 'wie es eigentlich gewesen ist'. Nochtans liet Da Costa de hoofdgedachte van de pragmatische methode niet los. Hij wilde geen afgetrokken behandeling van de geschiedenis in moderne stijl. Hij wilde geen geobjectiveerde geschiedenis, hij zocht juist de ontmoeting met de geschiedenis en de God van de geschiedenis. Van de moderne geschiedwetenschap, die het feit en de (geestelijke) betekenis van dat feit scheidde, heeft Da Costa zich altijd afzijdig gehouden. Da Costa was niet een modern historicus met een sterke bronnenoriëntatie. Veel zelfstandig historisch onderzoek heeft hij nooit verricht. Hij bezat niet wat men noemt een 'wetenschappelijke geest'. Allard Pierson heeft hem zeer juist gekarakteriseerd als een profeet en getuige.12 Hij dacht niet strikt rationeel en wilde dat kennelijk ook niet. 'De onbevangenheid, de kalmte, de zelfsbeheersing van den kritikus ontbraken hem', schreef Pierson.13 Mede daarom was Da Costa als historicus, als wetenschapper, in later tijd veel minder in tel dan Groen van Prinsterer, die de nieuwe bronnenmatige geschied-beoefening met open armen ontving. Orthodox-protestantse historici van de 20e eeuw konden met Da Costa veelal niets aanvangen. Zijn gedachtengoed kon in de bestaande geschiedwetenschap moeilijk worden ingepast. Toch was het principiële verschil met Groen van Prinsterer niet groot. Beiden deelden de geschiedbeschouwing van Bilderdijk. Het verschil was dat Groen de methoden van de moderne geschiedwetenschap wist te hanteren en Da Costa niet. Groen, die een scherp analyticus was, probeerde eerst te komen tot een zo zuiver mogelijke vaststelling van de feiten en bescheen ze vervolgens met het licht van de Schrift; tot Groens onpartijdigheid was Da Costa klaarblijkelijk niet in staat.

3. Geloofsbeleving en pseudo-apocalyptiek

De orthodox-protestantse geschiedschrijving van de 19e eeuw is in wezen niet goed te verstaan als de geloofsbeleving, de spiritualiteit van de auteur niet in rekening wordt gebracht. In de kring van Bilderdijk en ten dele ook in de Reveilkring werd sterk de nadruk gelegd op de lijdzaamheid van de christen. Men was bang God voor de voeten te lopen en wilde ruim baan geven aan de Voorzienigheid. Zo keurde Bilderdijk het in de Reformatie af dat het teveel door menselijke plannen tot stand was gekomen. De reformatoren hadden minder 'dadelijk' en meer 'lijdelijk' moeten zijn.14 De medicus Capadose verzette zich fel tegen de koepokinenting. Toen Willem de Clercq voor het eerst met een stoomboot reisde vroeg hij zich af of dit geen verzoeken van de Voorzienigheid was. Da Costa had soortgelijke twijfels ten aanzien van de trein. Deze lijdzaamheid, onderworpenheid, dit besef van menselijke geringheid kwam ook tot uitdrukking in de geschiedbeschouwing van Da Costa. De geschiedenis was vooral één lange expositie van Gods daden. Da Costa doet herhaaldelijk een beroep op de Voorzienigheid ter verklaring van historische feiten en ontwikkelingen. Evenals bij Bilderdijk klinkt regelmatig het berustende 'De Heer regeert' uit zijn mond. 'Laat ons stil zijn en opmerken wat God doet'. '5, schrijft hij aan De Clercq in 1830 als de Belgische Opstand de Nederlanden uit elkaar scheurt. De zelfwerkzaamheid van de mens en de maakbaarheid van de geschiedenis worden in dit gedachtenklimaat dus niet erg hoog aangeslagen. Hier treffen we een gedachtencomplex aan dat een nauwe samenhang vertoont met het romantische verzet tegen liberale veranderingsgezindheid en rationalistische ontwerpen van een nieuwe maatschappij. Da Costa's geschiedbeschouwing moeten we plaatsen tegen deze achtergrond. In de rampen en tegenslagen die het land troffen zag Da Costa de straffende en waarschuwende hand van God. Tegelijk zag hij er een voorbereiding van de eindtijd in. Da Costa's denken werd gekenmerkt door een sterke eschatologische gerichtheid. Maar de 'tekenen der tijden', zoals de watersnoodramp van 1825, de Belgische Opstand van 1830 en de cholera-epidemie van 1832, werden in Nederland niet onderkend. 'Wij slapen aan den rand des afgronds', meende Da Costa in de jaren 1830.16 Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werd in orthodox-protestantse kring nogal eens gespeculeerd over de spoedig te verwachten jongste dag." Da Costa ging hierin mee en dat bracht hem een tijdlang onder het beslag van de opvattingen van de Engelsman Irving. Ook hield hij zich evenals Bilderdijk bezig met getallensymboliek en met berekeningen van de jongste dag. In Réveilkringen ging overigens Capadose in dit alles het verst. Wij moeten hier in navolging van Kamphuis spreken van pseudo-apocalyptiek, in zoverre bijbelse gegevens over de laatste dingen werden aangevuld met of geïnterpreteerd vanuit eigen apocalyptische speculaties.'8 Da Costa speurde voortdurend naar Gods hand in de gebeurtenissen, teneinde iets te weten te komen over de gang en de stand van de heilsgeschiedenis. Anders dan Groen van Prinsterer, die Gods hand vooral in de algemene leiding en besturing van de geschiedenis opmerkte, interpreteerde Da Costa specifieke gebeurtenissen en momenten om ze als 'tekenen des tijds' te kunnen lezen. We kunnen stellen dat Da Costa's belangstelling voor de geschiedenis metahistorisch georiënteerd was. Dat blijkt ook uit zijn commentaar op het Handboek van Groen. Hij schreef aan Groen: 'Uwe voorstelling is eenzijdig, niet in den zin van partijdig, maar met betrekking tot het ensemble der feiten, waarin het mij voorkomt dat gij bij uitsluiting de verkeerdheid der menschen en niet naar evenredigheid de regeering Gods (...) doet uitkomen'. Het ging Da Costa om die 'regeering Gods'. Hij had graag 'eenige wenken meer daaromtrent gewenscht'.19

4. Nederland en Israël
We treffen bij Da Costa in zeer sterke mate een besef van volksuitverkiezing aan. Nederland was voor hem een 'afgezonderd plekje grond' en een 'tweede Israël'. De vergelijking van Nederland met Israël was niet nieuw. Reeds in de 16e eeuw kwam deze gedachte voor bij orthodoxe calvinisten. Maar bij Da Costa zitten we in een extremer geestelijk klimaat. Da Costa vergeléék Nederland niet met Israël, hij stelde beide aan elkaar gelijk. Dat ging Groen te ver. Zoals we reeds zagen corrigeerde Groen Da Costa in zijn Handboek en wees een al te sterke identificatie van de hand.

In Da Costa's denken is er sprake van een zeker Joods-nationaal besef. In de periode kort vóór zijn bekering had hij zich op speciale manier rekenschap gegeven van zijn joodse afkomst. Hij paste daarbij de notie van het uitverkoren volk toe op de Sefardiem, de Portugese Joden, die volgens hem rechtstreeks afstamden van David.20 Zij waren na de Babylonische ballingschap naar het Iberisch schiereiland geëmigreerd. Later, na zijn bekering, zou Da Costa nog stellen dat zij zich dus ook niet aan de kruisiging van Christus hadden schuldig gemaakt.21 Aan het einde van de 15e eeuw werden de Sefardiem uit Spanje en Portugal verdreven en vonden ze vooral in Amsterdam een toevluchtsoord. Ze werden er rijk in de handel, stonden bekend als zeer Orangistisch en keken neer op de veel armere Asjkenazische, Oost-Europese Joden. Dit Sefardische superioriteitsbesef is bij Da Costa altijd, zij het verzwakt na zijn bekering, aanwezig gebleven. Na zijn bekering paste Da Costa dit uitverkiezingsdenken toe op Nederland. Zoals Israël in het Oude Testament en in de oude geschiedenis was gesteld als een bezielend beginsel en een voorbeeld voor de volken, zo was Nederland dat in de nieuwe bedeling. En zoals Israël een toonbeeld was van Gods verkiezende genade, zo was Nederland dat ook. Niet op grond van eigen verdienste, maar omwille van het verbond dat God met de vaderen had gesloten. De verbondsgedachte speelde in Da Costa's Joods-nationale denken een grote rol. Kort na zijn bekering schreef hij over de uitdrukking 'De God van Nederland' het volgende aan Bilderdijk: 'Ik weet niet dat eenig ander volk buiten Israël zich diergelijk een uitdrukking veroorloofd hebbe. De God van Frankrijk, van Engeland of iets diergelijks zoude eerder Heidensch en afgodisch, dan christelijk klinken'."Bilderdijk antwoordde hem: 'Het geen gy my zegt van den indruk der woorden de God van Nederland is inderdaad zeer aanmerkelijk. Ja, daar is een byzondere betrekking van ons vaderland tot God, welke zich in duizend gevallen van bezoekingen en reddingen getoond heeft, sedert Prins Willem I verklaarde 'tot ons behoud een verbond niet met aardsche vorsten, maar met den Koning dei- Koningen, voor ons land en volk gemaakt te hebben', en wij mogen dit niet als ijdele woordenpraal aanmerken'.23 Bilderdijk verwees daarmee naar de brief die Willem van Oranje in 1573 na de val van Haarlem aan de in het Noorderkwartier in het nauw zittende Sonoy schreef. Daarin zei hij geen troepen achter de hand of de steun van een buitenlands vorst te hebben, maar wel een vast verbond te hebben gemaakt met de 'Potentaet der potentaten'. In het denken van Bilderdijk en Da Costa was dit het bewijs van Gods verbond met Nederland. Als teken van dat verbond gold de grote ontwikkeling die de Hervorming in Nederland had kunnen doormaken. Dat het Da Costa ernst was met de identificatie van Nederland met Israël bleek wel uit zijn houding tijdens de Belgische Opstand. Zo heette het dat in 1815 de 'tien stammen van het Zuiden' weergebracht waren bij het 'Juda van het Noorden'.24 We moeten hier opmerken dat de Noordelijke Nederlanden, het 'oude' Nederland, geïdentificeerd werd met Juda, het bij uitstek uitverkoren deel van Israël. Toen de Belgische Opstand eenmaal was uitgebroken had Da Costa het er moeilijk mee. Hij kon Gods wegen in deze niet begrijpen. Nederland, dat een teken onder de natiën en een voorbeeld voorde volken had moeten zijn, werd door een goddeloze revolutie regelrecht verscheurd. Maar ook in deze catastrofe speurde hij naar tekenen en Gods bedoelingen. 'Let op de Goddelijke bewaring van de steden van ons Noordelijk Juda', schreef hij aan De Clercq.En nadat de scheuring een feit was geworden kon hij zeggen: 'De schepter zal van Judaas stam niet wijken'. Nederland, ofschoon gewaarschuwd en gestraft, bleef het uitverkoren volk. Het Joodse-nationale besef van Da Costa komen we eveneens tegen in de waardering van het Oranjehuis. Da Costa, die graag historische en bijbelse parallellen gebruikte, zag in Willem van Oranje de Mozes die het Nederlandse volk uit het Roomse diensthuis had geleid. De leus 'God, Nederland en Oranje' had voor hem een diepe betekenis. Hij zag in dit drievoudig snoer een waarborg en voorwaarde van Nederlands volksgeluk. Da Costa koesterde haast messianistische verwachtingen van het Oranjehuis. Hij had zijn hoop gesteld op de kroonprins, de latere Willem II (eigenlijk de zevende(!) Willem) voor wiens bekering hij vurig bad en onder wiens leiding hij een herstel van de Hervormde kerk en van de gereformeerde staat verwachtte. De troonsbestijging van Willem II in 1840 greep hem dan ook zeer sterk aan. Bij de intocht van de nieuwe koning in Amsterdam zei Da Costa tegen De Clerq: 'Ja, hij is toch de man, die het doen moet.26 Later, toen Willem II niet het gehoopte herstel had gebracht en er ook onder Willem III weinig ten goede veranderde, verdwenen de hooggespannen verwachtingen ten aanzien van het koningshuis.

5. Geschiedenis en openbaring

Da Costa zag de geschiedenis niet als geobjektiveerde historische werkelijkheid. Voor hem had de geschiedenis een ethisch-religieuze geladenheid. De geschiedenis betekende iets voor het leven. Hierin kunnen christen-historici natuurlijk met hem mee gaan, en tot zover kon ook Groen met Da Costa meegaan. Da Costa ging echter verder: de geschiedenis was als het ware een explicatie van de Schrift. Da Costa is er niet aan ontkomen de geschiedenis een zeker openbaringskarakter te geven.

Zijn zoeken en speuren naar de hand van God bracht hem er toe in bepaalde momenten en gebeurtenissen morele indicaties te zien. In het kader van het verbondsdenken konden rampen en tegenslagen een vermaning inhouden, terwijl uit voorspoed Gods goedgunstigheid viel op te merken. In het aanwijzen van morele indicaties was Da Costa stelliger dan Groen. Zoals Smitskamp heeft aangetoond sprak Groen over Gods hand vaak veronderstellenderwijs.27 Ook buiten Nederland zag Da Costa Gods hand in de gebeurtenissen. De Franse revolutie zag hij als de Nemesis (een term die hij aan de Duitse historicus Heeren had ontleend), de Godswraak, over de verdrukking en verwerping van het evangelie en over evident goddeloos gedrag.28 In de oorlog van Frankrijk en Sardinië tegen het Rooms-Katholieke Oostenrijk in 1859 zag Da Costa eveneens een Godsoordeel zich voltrekken over de verdrukking van de protestanten in Oostenrijk en Italië. 'Laissez passer la justice de Dieu' schreef hij aan Groen, die meende dat Oostenrijk het recht aan zijn zijde had.29 Zijn geschiedbeschouwing maakte Da Costa een tegenstander van het legitimistisch denken dat hij bij Groen van Prinsterer aantrof. Tegenover Groen, die evenals Bilderdijk sterk hechtte aan het erfrecht van het overheidsgezag, benadrukte Da Costa het direkte en absolute van de 'Souvereiniteit Gods, die boven alle Souvereiniteit en boven alle historische rechten staat'.30 God greep op bepaalde momenten onmiddellijk in, met terzijdestelling van bepaalde strukturen. Da Costa constateerde dat hij van Groen verschilde op het punt van het recht.31 Het verschil kwam in feite hier op neer dat Groen meende Gods sanctie te moeten verbinden aan de historische rechtsorde, terwijl Da Costa meende dat God op bepaalde momenten die rechtsorde terzijde stelde. Dat was bijvoorbeeld het geval tijdens de 80-jarige oorlog. Voor Da Costa was het recht van Opstand als zodanig geen probleem. Voor hem had het erfrecht van het gezag slechts beperkte betekenis. Hij zocht geen legitieme verdediging van de Opstand, zoals Groen dat deed. Voor Da Costa stond vast dat God hier had ingegrepen en de geschiedenis rechtstreeks had omgezet.

De betekenis van Da Costa's historiografie We moeten de betekenis van Da Costa als historicus niet afmeten aan de omvang en 'wetenschappelijke' kwaliteit van zijn historisch werk. De betekenis van Da Costa is gelegen in de invloed die hij op zijn omgeving uitoefende en daarmee op de orthodox-protestantse historiografische traditie in het algemeen. Da Costa heeft ervoor gezorgd dat de geschiedvisie van Bilderdijk ook na diens dood nog levendig en krachtig bleef. Groen van Prinsterer heeft zich van Bilderdijk gedistancieerd, ook al ontleende hij zijn geschiedbeschouwing voor een belangrijk deel aan hem. Da Costa was de conservator van de geschied voorstellingen van Bilderdijk. Hij liet zich gelden als waakhond bij de geestelijke nalatenschap van Bilderdijk, door telkens op te komen voor het uitgesproken monarchale, anti-republikeinse, anti-Wagenaarse, anti-patriotse en anti-liberale geschiedbeeld van zijn leermeester. Tegelijk ventileerde Da Costa binnen dit kader, waar ook Groen steeds aan refereerde, eigen, min of meer speculatieve, interpretaties van de geschiedenis. Hij wilde daarbij vooral de Godsregering doen uitkomen. In dat opzicht ging Da Costa verder en was hij concreter dan Groen. Zonder de invloed van Da Costa zou het historisch werk van Groen van Prinsterer er anders hebben uitgezien. Het is bijvoorbeeld opvallend dat Groen de verwijzing naar Israël in zijn Handboek opnam. Weliswaar hield hij het bij een vergelijking, maar hij ging daarmee al verder dan Bilderdijk. In diens Geschiedenis des Vaderlands speelde de Israël-analogie geen rol, ook al kwam de verwijzing naar Israël in de gereformeerde historiografie van de 16e, 17e en 18e eeuw regelmatig voor. Daarop teruggrijpend, de geschiedenis vergeestelijkend, stelde Da Costa Nederland met Israël gelijk. Groen corrigeerde vervolgens Da Costa in zijn Handboek, maar handhaafde de Israël-analogie. Op de feitelijke juistheid van de geschiedvoorstellingen van Bilderdijk en Da Costa had Groen nogal eens kritiek, maar hij was ontvankelijk voor hun geschiedfilosofische opvattingen. De hoofdlijn in Groens Handboek, de relatie tussen ongeloof en cultuurverval staat hiermee in verband. Da Costa was geen wetenschapper in de moderne zin van het woord. Als christen en als romanticus verzette hij zich tegen de pretenties van de in zijn tijd opkomende 'objectieve' wetenschap, die ware kennis zag als resultaat van zuivere verstandsoperaties. Bij wetenschap moest volgens Da Costa altijd het hart betrokken worden. Hij wees daarmee de zwakke stee aan in de methodologie van de moderne wetenschap. Da Costa zag het ontoereikende van de moderne wetenschap, met haar scepticisme en rationalisme. Voor 'Dieu dans 1'histoire' had zij en kon zij geen oog hebben. En daar ging het Da Costa nu juist om. Hij wilde geen feitenwetenschap, hij zocht de representatie van de Magnalia Dei. De moderne geschiedwetenschap kan geen antwoord geven op de metahistorische vragen die zich, hoe dan ook, aan de mensheid opdringen. Da Costa heeft dat van meet af aan gezien. Zijn pogingen om verder te zien dan wat voor ogen was mogen min of meer speculatief lijken, zij tonen evenwel de intentie van een christen-historicus die het wezen van de geschiedenis probeerde te doorgronden.


Drs. R. Kuiper (geboren in 1962) is docent geschiedenis aan de Evangelische Hogeschool te Amersfoort.
Adres: Zaaibak 43, 9932 AE Delfzijl.


Noten:
1. M.E. Kluit, Het protestantse Reveil in Nederland en daarbuiten, Amsterdam, 1970, 157.

2. G. Groen van Prinsterer, Handboek der Geschiedenis van het Vaderland, par. 105.

3. Brieven van Mr. I. da Costa, medegedeeld door Mr. Groen van Prinsterer, Amsterdam, 1872-1875, deel I, 17 en 92. In de Nederlansche Stemmen werd de kritiek herhaald bij de bespreking van het in 1835 verschenen eerste deel van de Archives. 'De schrijver ziet zich... dikwijls in staat gesteld om verscheiden onzer geschiedschrijvers op één of ander punt terecht te wijzen en te verbeteren. Het mag enigszins verwonderen dat hij daartoe het werk van Bilderdijk over onze Historie, thans door Professor Tydema wordende uitgegeven, bij voorkeur schijnt te hebben verkozen'. Vgl. M.E. Kluit, Nader over het Reveil, Kampen, 1977, 68.

4. Reveilarchief Amsterdam, Verzameling Koenen, autobiographie, 29. Volgens Koenen was dit de aanleiding van Da Costa's lezingen over de vaderlandse geschiedenis.

5. Brieven, deel III, 71-72.

6. Brieven, deel I, 92.

7. A.J. Rasker maakt voor wat betreft Bilderdijk interessante opmerkingen in zijn De Nederlands Hervormde kerk vanaf 1795, Kampen, 1974, 77.

8. Brieven, deel III, 163.164.

9. J. Breen, 'Bilderdijk als geschiedkundige', in: Mr. Willem Bilderdijk, Amsterdam, 1906, 138. Breen laat hier onder meer zien dat wat Bilderdijk wilde, namelijk een pragmatische behandeling van de vaderlandse geschiedenis.

10. Vgl. A.Th. van Deursen, 'Wijsgerige geschiedschrijving in Nederland', in: Serta Historica /, Kampen. 1967, 77e.v. Vgl. ook C. Tazelaar, De jeugd van Groen, 1801-1827, Amsterdam, 1925, 68.

11. Vgl. W.J. van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis, een inleiding, Muiderberg, 1986, 31-32, 108.

12. A. Pierson, I. da Costa, Haarlem, 1865, 28.

13. Pierson, a.w., 25.

14. H. Bavinck, Bilderdijk als denker en dichter, Kampen, 1906, 194.

15. Reveilarchief Amsterdam, Verzameling-De Clercq, I. da Costa aan W. de Clercq, brief 187.

16. Opstellen van Godgeleerden en Geschiedkundigen inhoud, door Mr. Is. da Costa, deel I, uitgegeven door Mr. H.J. Koenen, Amsterdam, 1861, 296.

17. Meer hierover bij A.A. de Bruin, Het ontstaan van de schoolstrijd, Barneveld, 1985, 84-90.

18. J. Kamphuis, Signalen uit de kerkgeschiedenis, Groningen, 1975, 20. Over het Irvingianisme schrijft Kamphuis op p. 79-80.

19. Brieven, I, 264.

20. J. Meyer, Isadc da Costa's weg naar het christendom. Amsterdam, 1946.

21. Ook H.J. Koenen maakt in zijn Levensschets van Mr. I. da Costa, z.p., 1860 op p. 20 melding van dit verhaal. Volgens hem waren de latere Sefardiem evenwel reeds na verwoesting van de tempel geëmigreerd.

22. J. Meyer, Isacic da Costa's weg, 110.

23. W. Bilderdijk, Brieven IV, Haarlem. 1837, 42.

24. Brieven, I, 2-4.

25. Reveilarchief Amsterdam, Verzameling-De Clercq, I. da Costa aan W. de Clercq, brief 187.

26. A. Pierson, Willem de Clercq naar zijn dagboek, Haarlem, 1888, deel II, 275.

27. H. Smitskamp, Groen van Prinsterer als historicus, Amsterdam, 1940, 47. Smitskamp stelt hier eveneens dat Groen in het aanwijzen van Gods raad en oordeel naar Da Costa's mening wel eens te schroomvallig was.

28. Brieven, I, 217.

29. Brieven, III, 215.

30. Brieven, II, 41.

31. Brieven, III,229.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 1 January 1989

Radix | 52 Pagina's

Isaac da Costa als historicus

Bekijk de hele uitgave van Sunday 1 January 1989

Radix | 52 Pagina's

PDF Bekijken