Bekijk het origineel

H. Bavinck over de achtergrond van de kwestie-Netelenbos

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

H. Bavinck over de achtergrond van de kwestie-Netelenbos

19 minuten leestijd

Inleiding

De generale synode van de Gereformeerde Kerken te Leeuwarden bevestigde in 1920 de afzetting van de Middelburgse predikant J.B. Netelenbos (1879- 1934). Daarmee kwam een einde aan een zaak, die haar oorsprong had in 1917. In dat jaar ging Netelenbos voor in een dienst van de Hervormde Kerk en sprak hij voor de Algemene Predikantenvergadering. Binnen gereformeerde kring leefden sindsdien in hoofdzaak twee bezwaren tegen de predikant: ten eerste, dat hij bij zijn bevordering van de oecumene de kerkelijke verhoudingen niet beschouwde conform de confessie, en ten tweede, dat zijn opvattingen bedenkelijk leken op die der sinds Kuypers dagen daar fel bestreden ethische richting. Netelenbos' opvattingen pasten niet binnen het kader van de gereformeerde denktrant van die dagen. Omdat hij een predikant was, viel daartegen betrekkelijk eenvoudig op te treden. Na een aanklacht werd Netelenbos in 1919 als predikant geschorst en afgezet, waarna in 1920de reeds vermelde bevestiging daarvan volgde. Netelenbos sloot zich daarop aan bij de Hervormde Kerk, waar hij opnieuw predikant werd. Met deze afloop zou dit incident gesloten zijn, ware het niet, dat het standpunt van Netelenbos bijval had gevonden binnen de kerken. Een aantal gereformeerden, aangeduid met de verzamelnaam jongeren', meende, dat de nieuwe, jongere' tijd van de gereformeerden een andere mentaliteit vroeg. Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog kwam het geestelijk leven in Nederland in een stroomversnelling. De oorlog tussen christelijke volken wekte tot bezinning op het verband tussen christendom en cultuur. Bracht het christendom werkelijk beschaving en bood de wereld de christenen nog zoveel schoons en goeds als men in de vorige eeuw wel had gemeend? Moesten de christenen in plaats van de wereld te veroveren, niet veeleer oog hebben voor haar gebreken, en compassie met haar tonen ? Het besef groeide bij de jongeren' dat de verhouding tussen christendom en cultuur anders zou moeten worden gedacht dan Kuyper het had gedaan. Niet alleen het christendom scheen anders van karakter dan de jongeren' was geleerd, ook de cultuur leek in de jaren rond de oorlog aan veranderingen onderhevig. In de negentiende eeuw leek het alsof de wetenschap zo ver doordrong in de structuur van de werkelijkheid, dat ze deze begrijpen en verklaren kon. God en godsdienst werden gemakkelijk terzijde gesteld als een vorm van onwetendheid. De wetenschap bracht de systematische kennis, die nodig was om de levensstandaard te verhogen en de mens gelukkig te maken. Maar gaandeweg bleek, dat de wetenschap wel steeds meer kennis vergaarde omtrent de werkelijkheid, maar haar verklaringsgrond niet vond. Er bleef een mysterie, dat ook bij analyse van de kleinste elementen van de materie onopgelost bleef. Sterker nog, nieuw onderzoek wees uit, dat de werkelijkheid volgens andere wetten werd geregeerd dan sinds Newton was aangenomen. Albert Einstein en Max Planck deden kort na de eeuwwisseling met hun ontdekking van de relativiteitstheorie en de quantum-mechanica het mechanische wereldbeeld van de verlichting wankelen. Van een andere zijde werd aandacht gevraagd voor de irrationele aspecten van het menselijk bestaan. Sigmund Freud vond het onbewuste uit en bracht daarmee onder woorden, dat het menselijk bestaan zich althans voor een deel aan de redelijkheid onttrok. Deze veranderingen in christendom en cultuur werden door de jongeren' aangevoeld. Aan een analyse van deze ontwikkelingen waren zij nog niet toe, maar wel begrepen zij dat zij ook betekenis hadden voor het gereformeerde volksdeel. Zij vroegen daarom aandacht voorde moderne cultuurvragen, opdat de gereformeerde overtuiging niet uit de tijd zou raken. De jongeren' werden in hun optreden gestimuleerd door de publikaties van de dogmaticus van de Vrije Universiteit, dr. Herman Bavinck (1854-1921). Zij verwachtten van hem eigenlijk ook een analyse van de culturele en kerkelijke situatie, die hun streven zou kunnen funderen en stimuleren. Hiertoe liet Bavinck zich echter niet verleiden. Hij onderhield wel contacten met jongerenliet zich op de hoogte houden over de oprichting van het oorspronkelijk als jongeren'-orgaan opgezette kerkelijke weekblad De Reformatie en voerde gesprekken met Netelenbos tijdens diens procedure. Een leidende positie in de jongerenbeweging wenste hij echter niet in te nemen. Hij steunde hun streven achter de schermen, maar achtte zich geroepen in het publiek als samenbindende kracht binnen de Gereformeerde Kerken als geheel te fungeren. Des te opmerkelijker is het, dat in zijn archief-dat berust bij het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) van de Vrije Universiteit - zich de ontwerp-tekst bevindt van een brochure over de procedure en de achtergronden van de kwestie-Netelenbos. Kennelijk heeft Bavinck toch met de gedachte gespeeld zich uit te spreken in deze actuele zaak. Hoe het zij, in deze tekst biedt hij wat de jongeren' van hem verwachtten: een analyse van de vragen waarvoor het gereformeerde volksdeel zijns inziens gesteld werd. Hieronder wordt het gedeelte van de ontwerp-tekst gepubliceerd, dat de achtergronden van de kwestie-Netelenbos beschrijft. Binnenkort zal de gehele tekst publiek worden gemaakt, voorzien van een toelichting en aantekeningen. De tekst is overgezet in de huidige spelling en hier en daar omwille van de leesbaarheid en de verstaanbaarheid op ondergeschikte punten gewijzigd.

Tekst

Het zou oppervlakkig zijn, te menen, dat het geval-Netelenbos geheel op zichzelf staat. Veeleer is er een uiting in te zien van wat reeds lang in het hart van velen is omgegaan. Er zijn een reeks van verschijnselen, die op een andere tijd, ander milieu, andere richting in het denken wijzen. Men heeft gesproken van kritiek der 'jongeren', maar de benaming is maar ten dele juist. Want onder die 'jongeren' zijn vele ouderen begrepen. Maar het zijn vooral de jongeren, die er uiting aan hebben gegeven. Ouderen hebben altijd meer of min een verlangen naar rust, naar behoud van het bestaande; zij hebben zich een positie verworven, zitten door allerlei draden vast aan hun omgeving, en neigen er onwillekeurig toe, om quieta non movere. Hervorming gaat altijd van de jongeren uit. Jezus trad op in de kracht van zijn leven, en evenzo de apostelen, vooral Paulus. Calvijn was geboren in 1509 en gaf zijn Institutie uit in het jaar 1536. De vaders der Afscheiding waren allen jonge predikanten. Dr. Kuyper was in 1837 geboren en begon zijn actie op politiek en kerkelijk terrein nog voor zijn dertigste jaar, enz. (zo ook Rousseau, Marx, Napoleon) We hebben hierin met een zekere wet in de historie te doen. Na vloed komt ebbe, en na ebbe weer vloed. Er is rythmus, golfslag in de gebeurtenissen. Op inzinking volgt reveil, en elk reveil daalt weer af. Intellectualisme maakt voor mysticisme en voluntarisme plaats, en omgekeerd. De geschiedenis beweegt zich niet rechtlijnig, maar zigzagsgewijze vooruit. Er zijn ups and downs, bergen en dalen, feest- en gewone dagen. Dwaas is wie meent, dat wij er op een gegeven ogenblik zijn en rust kunnen nemen en op lauweren rusten. Panta rhei. Leven is voortdurende strijd. Alles streeft naar rust, maar vindt ze in deze bedeling niet. Het evenwicht, de harmonie is er niet. Er zijn bijzondere oorzaken, waardoor er onrust kwam, in onze gelederen. De periode die aan de tegenwoordige voorafging, was een periode van strijd en overwinning: kerkelijk, politiek, op schoolterrein, sociaal. Kerkelijk: Afscheiding en Doleantie hebben een harde strijd moeten strijden en hebben in die strijd de zege behaald. De vrije kerk werd veroverd op de tegenstand van politieke en kerkelijke machthebbers. En de kerken uit Afscheiding en Doleantie verenigden zich na allerlei strijd, kwamen tot rust; actie hield op; het leven werd stationair. Van eigenlijke voortgaande hervorming was geen sprake. De Gereformeerde Kerken kwamen naast de Hervormde Kerk te staan, en personen uit beide kerkengroepen zochten en naderden elkaar. Men kan niet voortdurend in vijandschap leven. Men ging samenwerken, hield conferenties bijvoorbeeld inzake de zending. Zelfs de actie naar binnen hield op; evangelisatie werd door velen principieel veroordeeld, evenals ook zending onder de Joden. Het leven ging geleidelijk voort; men had geen harde stoten meer te verduren. De stroom bruiste niet meer, maar vloot voort in stille bedding. 't Zelfde verschijnsel deed zich voor op politiek en sociaal terrein. Ook daar trad na jarenlange strijd een zekere pauze in. Aan Groen en Kuyper is het te danken, dat de antirevolutionairen niet meer als paria's worden beschouwd, dat ze meetellen, voor allerlei ambten en betrekkingen in aanmerking komen, dat ze als gleichberechtigt, ebenbürtig worden beschouwd. Wij maaien juichende, wat zij onder tranen hebben gezaaid. De jongeren kunnen het zich niet meer voorstellen, hoe enkele tientallen van jaren de 'fijnen' veracht en gehaat werden. Er was van hen alleen een karikatuur. Tegelijk met de politieke verheffing kwam er in onze kringen een sociale vooruitgang. De arbeidzaamheid, vlijt en eerlijkheid is beloond. Uit de geringere buurten verhuisden er steeds meer naar de betere gedeelten der stad. Er vormde zich uit hen in stad en dorp een welvarende, welgestelde burgerij. Kleine onaanzienlijke kerkjes maakten plaats voor flinke, ruime, min of meer artistieke kerkgebouwen, niet meer achteraf, in een verscholen buurt, maar in de hoofdstraat der plaats, in het oog vallend en niet meer zich schamend voor hun bestaan. De politieke strijd ging vooral, jaren aaneen, over de vrije, bijzondere, christelijke school. En hier vooral werd de strijd met zegen bekroond. Jaar op jaar breidde het aantal christelijke scholen zich uit. Van 1889 af werd staatssubsidie verleend, en deze steeg voortdurend, totdat thans financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs bij de laatste grondwetsherziening verkregen werd. Indien ergens, kan men hier met voldoening op het verleden terugzien en zich verheugen in het heden. Eindelijk niet alleen in het lager, maar ook in het middelbaar en gymnasiaal onderwijs valt grote vooruitgang te boeken. Het aantal van zulke scholen nam toe, het Rijk verhoogde de subsidie, christelijke HBS-sen verrijzen er in de laatste tijd haast al te veel, leerkrachten zijn er te weinig. Zelfs de Vrije Universiteit, in 1880 opgericht, verkreeg in 1905 de effectus civilis, werd meer en meer als van gelijke rechte erkend met de openbare hogescholen, en ook zal zij op den duur in groter financiële steun van het Rijk zich kunnen verheugen. Mein Liebchen, was willst du noch mehft?

En toch, er is niet ondankbaarheid, gebrek aan waardering van wat onder veel strijd verkregen werd. Maar wel is er een zekere onvoldaanheid. Er groeit een overtuiging, dat wij, hoeveel ook verkregen werd, er toch nog niet zijn. Zoals ik reeds zei, tal van verschijnselen wijzen daarop. Denk maar aan de literatuur, Grosheide, Aalders jr., Veltenaar, Netelenbos, enz.1

a) op politiek gebied. Hier ging de strijd jaren aaneen om de school. Op dit gebied was men vrij eenstemmig, had men één program. Toch is dit in de loop der tijden belangrijk gewijzigd, vooral op het punt van de subsidie. Subsidie is voor jaren zo sterk mogelijk bestreden en veroordeeld, in naam van het christelijk beginsel en in het belang van de vrije, zelfstandige school. Maar de feiten hebben hier de beginselen opzij gezet. De financiële steun was te nodig voor bestaan en bloei van het christelijk onderwijs. Van fiere weigering was geen sprake. Thans is er zelfs financiële gelijkstelling, de openbare school werd eigenlijk als gleichberechtigt erkend. 'Bijzondere school regel, openbare uitzondering' - werd verzaakt. Nog ernstiger was, dat op politiek terrein zich andere vraagstukken naar de voorgrond drongen, waarop men niet zo gemakkelijk en zo eenstemmig een antwoord kon geven. Ja, men gaf wel een antwoord in het program van beginselen. Maar: de vrije verzekering werd voor de verplichte verzekering prijsgegeven, het staatspensioen werd aanvaard, het algemeen kiesrecht droeg boven het huismanskiesrecht de zege weg, het vrouwenkiesrecht werd aangenomen. Van de zogenaamde beginselen bleef er niet één ongeschonden, bleek er niet één bestand voor de macht der werkelijkheid. Dit gaf een gevoel van malaise, van ongeloof aan de beginselen. En zo ging het met lijkverbranding, armenzorg, zondagswet, enz.
b) op kerkelijk terrein. Er kwamen hier kwesties aan de orde over gezangen, nieuwe bijbelvertaling, wijziging van het huwelijksformulier, herziening der belijdenis enz. Over predikanten en preken rezen allerlei klachten. Met het catechisatie-onderwijs scheen het lang niet in orde te zijn. Predikantstraktementen waren veel te laag. Het getal der theologische studenten nam af. Theologische School en Theologische Faculteit bleven naast elkaar bestaan. Er is een verlangen naar iets anders, naar andere, meer sociale preken enz.
c) wetenschappelijk, vooral theologisch. Hier vooral kwam de nieuwe richting aan het woord, natuurlijk in niet zo ruime kring, want het beperkte zich uit den aard der zaak meer tot de zogenaamde intellectuelen. Maar toch niet minder diep en ernstig, ja veel ernstiger dan elders. Van tal van vraagstukken bleken oplossingen gegeven te zijn, die geen steek hielden. Andere waren totaal genegeerd. Men had een tijd lang gemeend alles met 'beginselen', theoretisch, deductief te kunnen oplossen, maar de werkelijkheid stoorde zich daar niet aan. Zij zette zich voort, en plaatste een barrière tegen die abstracte beginselen. De feiten waren machtiger dan de beginselen. De cultuur verhief zich in haar volle kracht.

En dat is dan ook het gemeenschappelijke in al deze verschijnselen, het onderscheid en de tegenstelling van christendom en cultuur worden weer in het begin dezer eeuw dieper, scherper dan vroeger gevoeld. Men dacht de verzoening gevonden te hebben, leefde een tijd lang in die zoete illusie, en had vrede.

Maar teleurstelling volgde eerlang, evenals in heel de negentiende eeuw telkens na de verzoening door Hegel, Schleiermacher, de Vermittelungstheologie, 't Neokantianisme werd beproefd. En wijl nu in het christendom de Schrift een centrale plaats inneemt, kan men zeggen, dat alles draait om de Heilige Schrift, om haar autoriteit en exegese, om haar gezag en gebruik, in verhouding tot de tegenwoordige tijd. Het is het probleem der eeuwen: Christus en de wereld, het evangelie des kruises en de Griekse wijsheid, geloof en ongeloof, wat dunkt u van de Christus?

Schriftgezag en Schriftgebruik

Aan het gezag der Heilige Schrift mag in christelijke kring niet getwijfeld. De Reformatie zag daarin eenprincipiumper se natum (Rome anders, plaatste kerk als principium voorop, maakte Schrift daarvan afhankelijk) Maar het Schriftgebruik, de Schriftuitlegging is een andere zaak. Hier is relatieve vrijheid, omdat er geen onfeilbare uitlegging bestaat, de belijdenis revisibel en de kerk vatbaar voor dwaling is. Nu is de wetenschap vooral ook in de exegese sterk vooruitgegaan. Denk eens aan de Joodse exegese, aan de exegese der kerkvaders, aan de exegese van het Oude- in het Nieuwe Testament. Allengs echter kwam er meer streng grammatische een historische exegese (Beda, Calvijn, Kanttekeningen). Grote vooruitgang, vooral in laatste eeuwen. Tegen de methode der exegese kan principieel geen bezwaar worden ingebracht. Wel natuurlijk tegen haar gebruik, haar toepassing bij de exegeten, die dikwerf onder invloed van vooroordelen staan. Ook als men bij de exegese der Schrift zegt, dat men rekenen moet met de diepere zin, die de auctor primarius erin gelegd heeft (cf. geniale auteur, die meer zin in zijn woorden legt dan hijzelf vermoedt), en die diepere zin leert kennen door de analogia Scripturae (die zichzelf opheldert, haar eigen interpres is), ja zelfs, als men daaraan nog toevoegt de exegese secundum analogiamfidei (de geloofsinhoud, de geloofsregel, de belijdenis), dan kunnen deze twee methoden de eerste, de grammatisch-historische niet omverstoten, niet tenietdoen, alleen maar uitbreiden en verdiepen. Ongeveer zoals de wonderen de natuurwetten niet opheffen, maar eigenlijk onderstellen en bevestigen, juist door haar wonderdadig, exceptioneel karakter. De toepassing der nieuwere, betere methoden heeft dan ook ongetwijfeld veel bijgedragen tot beter verstand der Heilige Schrift. Ik durf de banvloek niet uitspreken over tekst- en historische kritiek. Jezus zegt zelf: onderzoekt de Schriften. De Schriften zijn grammatisch-historisch beter dan vroeger onderzocht en verstaan. Denk aan de uitbreiding van onze kennis van het Hebreeuws, en van het gemene Grieks. (Deissmann, Licht vom Osten, Dalman, Die Worte Jesu)2 Wat zijn onze lexica, onze vertalingen, onze commentaren beter dan vroeger. Daaraan danken we nu, dat we de bijbel beschouwen als een historisch boek, dat onder Gods leiding in de tijd, in een bepaald milieu, door bepaalde personen enz. is ontstaan. Dat is de organische inspiratie, de onderscheiding (niet scheiding) tusschen wezen en vorm. Alles menselijk en alles goddelijk. Alles goddelijk, alles menselijk. Twee zijden van de Schrift, met analogie in den persoon van Christus; maar analogie, niet meer. Hypo theou kai dia prophètoon. Er kan hiervan misbruik worden gemaakt, als van alles. Maar op zichzelf is het zeer juist.

Wezen en vorm

Ook in de Heilige Schrift mag en moet tussen beide onderscheiden worden. Principieel reeds daarom, wijl God, zich openbarende, in woord, daad of verschijning, zich neerbuigen, aan ons aanpassen moet. Anders zouden wij Hem niet verstaan. Dit kan en mag Hij doen, zonder onwaar te worden, omdat Hij alles schiep als verwant aan zichzelf (vestigia Dei) en de mens bepaald schiep naar zijn beeld (imago Dei). Het woord Gods is tot ons gekomen in menselijke taal, in menselijke vormen, gedachten, niet adekwaat, maar analoog, ook niet bloot symbolisch, figuurlijk. Hierin ligt veel opgesloten. Wat God wilde meedelen van zichzelf aan de mens, is vlees geworden, zwak, is ingegaan in het menselijk bestaan, denken, in leven en geschiedenis, draagt een historisch, tijdelijk karakter, ja nog sterker, is schrift geworden (inscripturatio), opgeschreven met inkt, op papier, gedrukt, enz. De vorm is totaal menselijk, van begin tot einde. Daarom is er geen scheiding, tegenstelling tussen wezen en vorm, maar wel onderscheiding. Niet dualistisch naast elkaar, als zwaard in schede, als kern in schaal, als mens in kleding, zelfs niet als ziel in lichaam, als Zoon Gods in menselijke natuur. Het menselijke is het goddelijke. Zó bestaat het goddelijke voor ons, anders niet. Waarom is en heet de Schrift Gods woord? Om formele of materiële redenen? Omdat ze van God ingegeven is van woord tot woord, of omdat ze Gods woord bevat namelijk Gods verlossingsplan, Gods heilsraad? Is er voor het eerste enig bewijs in de Schrift? Heeft de term woord Gods in de Schrift ooit de formele betekenis? Kan een Schrift Gods woord heten, die door God ingegeven ware en niets over zijn wezen, deugden enz. behelsde. Is inspiratie ooit waarborg zonder meer, bewijs van woord-Gods-in materiële-zin? Kan God ook valse profeten, duivel, slang inspireren? Er moet worden onderscheiden tussen auctoritas normae et historiae. Er zijn woorden en daden van Satan, goddelozen, valse profeten, niet-geïnspireerde mensen in de Schrift, die niet norma voor ons zijn. Zelfs de vrienden van Job behoren hiertoe. Maar nog veel meer, bijvoorbeeld
a) wereldbeeld der Schrift, astronomie, antropo-, geocentrisch. Aarde in astronomische zin niet middelpunt van het heelal. Taal der dagelijkse ervaring.
b) kosmogonie, Genesis 1 en 2, van menselijk standpunt uit. Zes taferelen (Augustinus).
c) natuurbeschrijving, Israëlitisch, zonder oorzaken, causaliteit, dan alleen de goddelijke. God doet alles, regent, dondert, bliksemt, enz.
d) geschiedbeschrijving, evenzo, zonder te letten op creatuurlijke causaliteit. Feiten staan naast elkaar, alleen door: en, en het geschiedde verbonden. Juxtapositie, niet genetisch, niet evolutionistisch.
e) profetie, wortelt in de historie, verlossing uit Egypte, terugkeer uit Babel, herbouw van Jeruzalem, tempel (Ezechiël), beelden, typen van geestelijke verlossing.
f) nog sterker in de apocalyptiek bij Ezechiël, Daniël. Johannes in het Nieuwe Testament. Typisch, symbolisch.
g) ook Jezus in de gelijkenissen.

Zo draagt alles een historisch karakter. Maar daaruit volgt nog iets anders van belang. Namelijk dat wij bij de exegese daarmee rekenen moeten, en niet zo maar de woorden der Schrift zonder meer kunnen overnemen en toepassen. We hebben met verschil van tijden en toestanden te rekenen. Zo bijvoorbeeld bij
a) exegese der bergrede en van geheel de nieuwtestamentische moraal. Passieve deugden in het Nieuwe Testament op de voorgrond.
b) bijzonder duidelijk is de verhouding van heren en dienstknechten (slaven). Cf. brochure-Talma.3 Heel het sociale vraagstuk staat voor ons anders.
c) zo heel de verhouding van man en vrouw, ouders en kinderen, overheid en onderdanen bij ons gewijzigd. Algemeen kiesrecht. Huismanskiesrecht. Verplichte verzekering. Verhouding van staat en maatschappij.
Daarbij komt, dat wij, nu de parousie zo lang uitbleef, en eeuw na eeuw voorbijging, dat wij met onze toestanden enz. hoe langer hoe verder komen af te staan van die in de dagen des Nieuwen Testaments. Tweeduizend jaren scheiden ons. Bij de klassieke literatuur voelt elk dat; het gymnasium verliest van zijn betekenis, is niet de enige propaedeuse voor hogere studiën meer. Natuur en geschiedenis hebben voor ons een gans andere betekenis. De natuurwetenschap heeft ons ontdekkingen gebracht, voor wereld- en levensbeschouwing van groot belang. Denk aan de natuurwetten, de natuurcausaliteit, de relativiteitstheorie (Einstein). En dan de geschiedenis. De oudheid is ons veel beter bekend, in Griekenland en Rome, in Egypte, Babylonië, Assyrië. En ook de nieuwere geschiedenis, voortgaande openbaring Gods. Neem de heiden wereld; er zijn nog geen 500 miljoen christenen van de 1600 miljoen mensen. De zending is zwak en klein. De volken van het Oosten, Indië, China en Japan komen op, schijnen nog toekomst te hebben. Het germaanse ras week voor het angelsaksiche, en daarnaast het slavische en het mongolide ras. Is het denkbaar, dat al die volken geen betekenis hebben voor de toekomst van het Godsrijk? Hebben ze alleen geleefd voor het verderf? Moet de christelijke geschiedbeschouwing zich niet wijzigen, evenals die van de natuur? Wat is de verhouding tussen christendom en cultuur? Alleen antithetisch? Alleen veroordelend, verwerpend?


Dr. George Harinck (1958) is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800- heden) van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Adres: Melchior Treublaan 38, 2313 VH Leiden.


Noten:
1. Bavinck doelt hier op de volgende publikaties van gereformeerde theologen: F.W. Grosheide, Beginselen en Feiten, Kampen, 1917, J.C. Aalders jr., De critiek der jongeren. Een woord tot de Gereformeerde Kerken, Baarn, z.j. [1918], C. Veltenaar, Bijbelcritiek, Zutphen, 1918, en J.B. Netelenbos, Dat zij allen één zijn!, Zutphen, 1917 en De grond van ons geloof, Utrecht, 1918.

2. Bedoeld zijn A. Deissmann, Licht vom Osten. Das Neue Testament und die neuentdeckten Texte der hellenistisch-romischen Welt, Tübingen, 1908; G.H. Dalman, Die Worte Jesu, I, Leipzig, 1898.

3. A.S. Talma, De vrijheid van den arbeidenden stand, Utrecht, z.j. [1902].

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1994

Radix | 68 Pagina's

H. Bavinck over de achtergrond van de kwestie-Netelenbos

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1994

Radix | 68 Pagina's

PDF Bekijken