Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bevindelijk gereformeerden en regionale verscheidenheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bevindelijk gereformeerden en regionale verscheidenheid

30 minuten leestijd

Hoe komt het dat in mijn vroegere woonplaats Vaassen de hervormden overwegend confessioneel zijn, terwijl in Epe, de hoofdplaats van de burgerlijke gemeente, de hervormde gemeente (althans de Grote kerk) vrijzinnig is? En waarom zijn de hervormden in Ernst en Oene, de beide andere tot de gemeente Epe behorende dorpen, van de Gereformeerde Bond? Hoe komt het dat de leden van de Gereformeerde Gemeenten geconcentreerd zijn in het uiterste zuidoosten van de gemeente Epe? Waarom telt Vaassen een aanzienlijk percentage rooms-katholieken, terwijl die in Oene vrijwel ontbreken? De kerkelijke geografie is, zeker voor de liefhebber, een interessant thema. Wellicht is de belangstelling daarvoor bij mij gewekt toen ik, nu zo'n 35 jaar geleden, samen met de huidige directeur van de Gereformeerde Bijbelstichting, L.M.P. Scholten, de inschrijfformulieren van de eerstejaarsstudenten aan de VU doornam ten einde op basis van woonplaats en kerk na te gaan wie wellicht belangstelling zou hebben om lid te worden van het plaatselijke dispuut van de CSFR. Wat valt er met enige zekerheid te zeggen over de relatie tussen regio en religie? Soms veel, soms weinig. In een aantal gevallen is het niet moeilijk een bepaalde religieuze concentratie te verklaren. Dat Vaassen een omvangrijke rooms-katholieke minderheid heeft is simpel te herleiden tot het historische feit dat de bewoners van het Vaassense kasteel de Cannenburgh, het geslacht Van Isendoorn a Blois, na de reformatie van de Veluwe de moederkerk trouw bleven. De regelmatig op het kasteel verblijvende pastoors wisten een deel van de omwonenden bij het oude geloof te bewaren. Wat bepaalt in het algemeen gesproken de religieuze kleur van een plaats of regio? Dat is veelal een ingewikkelde combinatie van historische, geografische, sociaal-economische, culturele, demografische, politieke en militaire factoren. Dat patroon is vaak zo gecompliceerd, dat je niet weet waar je beginnen moet om de zaak te ontrafelen. Bovendien stuit je veelal op de kip-en-ei problematiek. Is een regio overtuigd katholiek of streng gereformeerd omdat die levensbeschouwing aansloot bij de volkscultuur of is de regionale cultuur in de loop der jaren door die religie gestempeld?

Protestantenband
Mij is gevraagd aandacht te schenken aan de geografische spreiding van de bevindelijk gereformeerden. Welnu het eerste wat daarover te zeggen valt is dat zij zich voor het overgrote deel bevinden in de zogenaamde protestantenband die diagonaalsgewijs over Nederland loopt. Waarbij dan wel opgemerkt moet worden dat (anders dan bij de vrijgemaakten en de gewone gereformeerden) het noorden bij hen niet meedoet. Voorbij Staphorst zijn gereformeerden van bevindelijke signatuur schaars. De bevindelijk gereformeerden zijn voor het overgrote deel geconcentreerd in vijf provincies: Zeeland, Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Overijssel. Daar woont, om het even in politieke termen te formuleren, zowat 90 procent van de SGP-stemmers. Het vanouds rooms-katholieke zuiden telt niet mee, het noorden en Noord-Holland evenmin. Bovendien is in die vijf concentratieprovincies nog weer in hoge mate sprake van allerlei bevindelijk gereformeerde bolwerken. Die relatieve concentratie heeft allerlei consequenties. In de tijd dat SGP en GPV nog vrijwel overal met eigen lijsten uitkwamen, viel te constateren dat het GPV veel eenmansfracties had in de gemeenteraden, terwijl de SGP veel meer meermansfracties kende. Die relatieve concentratie gaf de SGP meer kans bij burgemeestersbenoemingen. Zij maakte het ook, om een heel ander voorbeeld te nemen, voor het Reformatorisch Dagblad mogelijk om al spoedig over te gaan tot het zelf bezorgen van de krant, waardoor de actualiteit en daarmee de concurrentiepositie aanzienlijk vergroot werden. Het bestaan van de Nederlandse biblebelt is een zaak die uiteraard nadere verklaring behoeft. Die protestantenband valt grotendeels samen met de grenslijn ten tijde van het Twaalfjarig Bestand. Wellicht was er langs de frontlijn sprake van een intensief protestantiseringsproces. De later veroverde gebieden bleven voor een belangrijk deel rooms-katholiek. Ten aanzien van de vraag of er in de 17e en 18e eeuw al sprake was van een concentratie van de bevindelijke stroming in bepaalde protestantse regio's acht ik anderen meer capabel om daar gezaghebbende uitspraken over te doen. Knippenberg noemt het een verleidelijke gedachte om de bevindelijken in de achttiende eeuw te situeren in de protestantenband. Hij moet echter tegelijkertijd toegeven dat harde gegevens daaromtrent ontbreken'. Op het eerste gezicht lijkt het mij toe dat er sprake was van een redelijke spreiding over het protestantse deel van de Republiek. Het lijkt mij verdedigbaar om dat voorlopig als uitgangspunt te nemen. In ieder geval waren ook de noordelijke provincies duidelijk vertegenwoordigd. Wellicht springt Zeeland er wat uit. Daar liggen immers de wortels van de Nadere Reformatie. Dat zou ook een verklaring kunnen zijn waarom deze provincie thans geldt als een concentratiegebied van de bevindelijk gereformeerden. De Veluwe, die thans veelal doorgaat voor een bolwerk van bevindelijke orthodoxie, was dat in de 17e eeuw bepaald niet. De protestantisering van dit gebied was van bovenaf opgelegd. Van een diepgewortelde gereformeerde geloofs-overtuiging was aanvankelijk geen sprake. Het duurde lang voor de kermissen en markten van de zondag naar een door-de-weekse dag werden verschoven. Nog in het begin van de 18e eeuw werd in Kootwijk in het najaar drie zondagen achtereen geen kerk gehouden, vanwege de kermis in het eigen dorp of in de naburige dorpen Barneveld en Garderen. Op die kermiszondagen zou toch niemand in de kerk zijn gekomen! De Veluwe (althans het noorden en westen ervan) wordt pas zwaar in de loop van de 18e eeuw. Een symptoom van die verschuivingen waren de Nijkerkse beroeringen van 1749 en 1750. Het revival dat de Nijkerkse predikant Kuypers toen op gang bracht, heeft het bevindelijke karakter van deze regio verder versterkt2.

Marginalisering
Op welke manier kunnen wij nu het beste de huidige spreiding van de bevindelijk gereformeerden over ons land trachten te verklaren? Ongetwijfeld zijn er voor allerlei plaatsen, wanneer we in de regionale geschiedenis en de plaatselijke kerkgeschiedenis duiken, wel oorzaken aan te geven hoe het komt dat daar een grote gereformeerde gemeente is of dat de plaatselijke hervormde gemeente in de loop der jaren duidelijk naar rechts is opgeschoven. Maar is er ten aanzien van deze problematiek ook een algemeen verklaringsmodel op te stellen, dat we dan vervolgens aan kunnen vullen met allerlei lokale en contingente factoren? Het lijkt mij het beste om hier primair te werken vanuit het gezichtspunt van de marginalisering. Daarmee bedoel ik dat nieuwe opvattingen en denkpatronen die in een bepaalde cultuur hun invloed gaan uitoefenen, veelal het meeste vat hebben op degenen die als gevolg van hun opleiding, maatschappelijke positie of woonplaats daar relatief sterk mee in aanraking komen en ook een relatief grote openheid voor het nieuwe gedachtengoed bezitten. Daarentegen handhaven de bestaande opvattingen zich het beste bij hen die veelmeer een marginale positie innemen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn doordat hun woonplaats of regio tamelijk geïsoleerd ligt ten opzichte van de culturele en maatschappelijke centra. In de loop van de 18e eeuw was er duidelijk sprake van een opmars van rationalistische of in ieder geval niet-calvinistische denkrichtingen. Die maakten zich ook breed in de toenmalige Gereformeerde Kerk. Zoals te verwachten was, vonden deze ideeën vooral ingang bij de hogere sociale lagen en in de steden. Daarentegen wist de bevindelijke orthodoxie zich het beste te handhaven onder de kleine luyden, op het platteland en in het algemeen bij hen die weinig betrokken waren bij allerlei maatschappelijke en culturele ontwikkelingen. De positie van de orthodoxie in Nederland was en is tot op zekere hoogte te typeren als van hen die niet meegegaan zijn in de culturele modernisering. De orthodoxen vormen de maatschappelijke achterhoede. Zij hebben zich grotendeels aan de moderne invloeden weten te onttrekken en zijn niet meegegaan in de ontwikkeling van orthodox protestant naar minder orthodox, vrijzinnig of geheel onkerkelijk. Vandaar dat het ons niet behoeft te verwonderen dat de orthodoxen en dan met name de bevindelijk gereformeerden het meest te vinden zijn in gebieden die minder beïnvloed zijn door de moderne ontwikkelingen. Zij zijn relatief veel te vinden op het platteland en in de agrarische sector. Daar onderging men minder de invloed van de geest van de tijd dan in de stad of in meer moderne bedrijfstakken.

Afscheiding
Kijken we vervolgens naar de Afscheiding, dan is daarbij duidelijk sprake van regionale concentratiegebieden: Groningen, Noord-Friesland, Drente, de benedenloop van de IJssel en het Land van Heusden en Altena. Dat daar relatief veel afgescheidenen te vinden waren, is in eerste instantie te verklaren uit het feit dat het kleine aantal Hervormde predikanten dat zich afscheidde, juist in die regio's werkzaam was. De landelijke communicatielijnen waren in die tijd nog gebrekkig. Mensen, ook predikanten, oefenden vooral invloed uit in hun directe omgeving. Het ging om De Cock in Ulrum, Van Velzen in Drogeham, Brummelkamp in Hattem, Scholte in Doeveren, Van Rhee in Veen en Gezelle Meerburg in Almkerk. Voor een belangrijk deel predikanten die elkaar vanuit hun studententijd goed kenden (de 'club van Scholte'). Een duidelijk contingente factor dus. Dat het overwegend om jonge predikanten ging is niet toevallig. Zij waren minder dan de oudere generatie geïntegreerd in het bestel van de Hervormde Kerk en gehecht aan hun sociaal bevoorrechte positie. Het is in ieder geval niet toevallig dat de Afscheiding een plattelandsbeweging was. Op het platteland had de verbondenheid aan de oude gereformeerde leer zich nog het sterkst gehandhaafd. Bij de volkstelling van 1849 lag in alle provincies het percentage afgescheidenen in gemeenten beneden de 10.000 inwoners aanzienlijk hoger dan in de grotere gemeenten3. Evenmin beschouw ik het als een toevalligheid dat de Afscheiding vooral in de perifere gebieden plaatsvond en niet zozeer in de beide Hollanden. Wellicht was men in de randprovincies toch wat minder beïnvloed door de moderne godsdienstige richtingen. Overigens kwam juist op het platteland de kerkelijke breuk het hardste aan. De eenheid van de dorpsgemeenschap, die vooral op de zandgronden een grote betekenis had, werd radicaal doorbroken. Die sociale druk vanuit de lokale gemeenschap, gevoegd bij de politiek/juridische druk van de regering, de onenigheid in eigen kring en niet te vergeten de zware strijd om het dagelijkse bestaan, waren voor nogal wat afgescheidenen voldoende reden om naar Amerika te emigreren. Ongetwijfeld zijn er bij een meer gedetailleerde analyse ook allerlei andere samenhangen met het Afscheidingsverschijnsel aannemelijk te maken. De afgescheiden dominee Brummelkamp vond in zijn eigen gemeente, Hattem, slechts weinig weerklank. Des te meer echter in omliggende plaatsen als Oldebroek en Heerde. In die gebieden deed zich in die tijd een grote bevolkingsgroei voor, terwijl er nauwelijks mogelijkheden waren om het landbouwareaal uit te breiden of andere middelen van bestaan aan te boren. Die ontwikkeling vergrootte wellicht bij de bevolking het besef dat hun existentie op het spel stond4. De gestadige groei van de christelijke afgescheidenen na 1834 geeft geen verstoring te zien van het regionale patroon. Wel neemt de betekenis van Zuid-Holland toe. Groningen, Friesland, Drente, Overijssel en Zeeland zijn ook een halve eeuw later de provincies met de hoogste percentages afgescheidenen.

Doleantie
De Doleantie was de volgende grote uittocht uit de Hervormde Kerk. De regionale verschillen met de Afscheiding zijn opmerkelijk. De Doleantie neemt grote omvang aan in Friesland, op de Veluwe en in Zeeland, maar ook in Utrecht en Zuid-Holland. Veel minder dus een beweging in de periferie van het land dan de Afscheiding was. Het hart van de Doleantie klopt dan ook in Amsterdam, niet in een boerendorp in Noord-Groningen. Kuyper krijgt bijna 7 procent van de Amsterdamse bevolking achter zich, dat is belangrijk meer dan het landelijk gemiddelde! Nu zou het bepaald onjuist zijn om de Afscheiding en de Doleantie tegenover elkaar te stellen als bevindelijk en niet-bevindelijk. In bepaalde regio's (bijvoorbeeld op de Veluwe) trok de Doleantie grote aantallen mensen van bevindelijke signatuur uit de Hervormde Kerk. Bij Roessingh in zijn boekje over het Veluwse kerkvolk kwam ik de stelling tegen dat de Doleantie op de Veluwe eigenlijk een vertraagde Afscheiding was. 'Men ging wel met de Afscheiding mee, maar men had vijftig jaar werk om er rijp voor te worden. En noemde het toen Doleantie'5. Daar is wel wat van waar. Wanneer we echter de Afscheiding en de Doleantie in hun totaliteit bezien zijn er natuurlijk wel verschillen in geestelijk klimaat. De uiteenlopende regionale zwaartepunten wijzen daar ook op. In 1892 gaan de dolerenden met het overgrote deel van de afgescheidenen mee in de vorming van de Gereformeerde Kerken. Plaatselijk blijven A en B soms nog jarenlang afzonderlijk voortbestaan. Nogal eens leidt een plaatselijke vereniging van A en B tot de stichting van een Christelijke Gereformeerde Kerk. Het zijn vaak de meer bevindelijken die dan het moment gekomen achten om uit de Gereformeerde Kerken te stappen. Ook overgangen vanuit de Gereformeerde Kerken naar de Gereformeerde Gemeenten komen voor.

Noorden
Voor zover de meer bevindelijken in de Gereformeerde Kerken blijven, vindt er, vaak ook van de ene generatie op de andere, een proces van assimilatie plaats aan de in die kerken dominerende voorwerpelijk-gereformeerde richting. Dat verklaart waarom in die regio's waar de Gereformeerde Kerken in de eerste helft van deze eeuw vrijwel alle nazaten van de Afscheiding en de Doleantie in zich opgenomen hebben, de bevindelijk gereformeerde richting vrijwel verdwenen is. Dat geldt voor Groningen, Friesland (minus de Friese Wouden) Drente en Noordoost-Overijssel. Dat is te meer het geval omdat de Afscheiding en de Doleantie juist in die regio's veel gereformeerd bloed uit de Hervormde Kerk hebben afgetapt. De hervormd-gereformeerde richting (zeker in de meer bevindelijke variant) is daar tot op heden slechts schaars vertegenwoordigd. Alleen de reeds genoemde Friese Wouden (Wouterswoude, Driesum) vormen daar een uitzondering op. Weliswaar is er na 1892 sprake van een uitstroom van ex-afgescheidenen uit de Gereformeerde Kerken naar de Christelijke Gereformeerde Kerken. Ook de noordelijke christelijk-gereformeerden bewegen zich echter (met uitzondering van gemeenten in de Friese Wouden) na verloop van tijd in meer voorwerpelijke richting. Wellicht hangt dat samen met het feit dat de christelijk-gereformeerden in deze regio toch altijd vrij sterk geleefd hebben in de schaduw van de grote Gereformeerde Kerken. Beide groepen zonden hun kinderen naar dezelfde christelijke school,
ontmoetten elkaar in de ARP en het CNV en lazen dezelfde krant (Friesch Dagblad, Nieuwe Provinciale Groninger Courant). Organisaties en publicaties die allemaal gedomineerd werden door de veel grotere groep gereformeerden. In de rest van het land verkeerden de christelijk-gereformeerden veel minder in de schaduw van de Gereformeerde Kerken. Daar was ook sprake van grote groepen hervormd-gereformeerden en soms grote Gereformeerde Gemeenten, die alternatieve circuits konden aanbieden, bijvoorbeeld dat van de SGP. We hebben hier dacht ik de voornaamste verklaring voor de vraag waarom de bevindelijk gereformeerden het sinds jaar en dag in het noorden vrijwel geheel laten afweten. Een assimilatieproces via de Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken heeft hen de das omgedaan. Wellicht heeft ook meegespeeld dat de afstand tot de bevindelijk gereformeerde kerngebieden te groot was om tijdig alternatieven (alternatief kerkelijk onderdak) te bieden.

Christelijke Gereformeerde Kerken
Over het geheel genomen kenmerken de huidige Christelijke Gereformeerde Kerken zich niet door sterke regionale concentraties. Althans niet op provinciaal niveau. Als we Brabant en Limburg even buiten beschouwing laten, valt alleen te vermelden dat de christelijk-gereformeerden in Noord-Holland en Gelderland relatief slecht vertegenwoordigd zijn. Vergelijken we dat met de oude Christelijke Gereformeerde Kerk van voor 1892 dan moeten we constateren dat de vroegere concentratiegebieden (Groningen, Friesland, Drente en Zeeland) zijn geëlimineerd. Dat wijst er op dat er maar een beperkte continuïteit is tussen het oude en het nieuwe kerkverband. De groei van de christelijk-gereformeerden na 1892 is voor een belangrijk deel afkomstig uit andere kringen dan die van de oude Christelijke Gereformeerde Kerk. Op lokaal niveau zijn er een aantal gemeenten met relatief hoge concentraties van christelijk-gereformeerden: Urk, Veenendaal, Sliedrecht, Bunschoten-Spakenburg en Nunspeet. Voor zover deze gemeenten min of meer van bevindelijke signatuur zijn, is het meestal zo dat ter plaatse ook andere bevindelijk gereformeerde groeperingen royaal vertegenwoordigd zijn. We moeten dan ook concluderen dat de Christelijke Gereformeerde Kerken weinig bijdragen aan het regionale profiel van de bevindelijk gereformeerde groepering. Christelijk-gereformeerden van meer bevindelijke signatuur vinden we met name in de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland. Maar evenzeer is in deze provincies sprake van een groot aantal gemeenten met een ander karakter. Dat wijst erop dat die verschillen eerder te herleiden zijn tot de ligging van predikanten die deze gemeenten gediend hebben, en de koers van de kerkenraad, dan tot algemeen maatschappelijke factoren.

Gereformeerde Gemeenten
De Gereformeerde Gemeenten kenmerken zich vanouds door een sterke concentratie in Zeeland. Daar bevond zich rond de eeuwwisseling ook het zwaartepunt van de Ledeboeriaanse gemeenten. Behalve dat er wellicht sprake is van een historische factor (Zeeland als bakermat van de Nadere Reformatie) zijn er ook sociale en geografische factoren op te sommen die aannemelijk maken dat de bevindelijke orthodoxie zich in deze provincie relatief sterk wist te handhaven. De provincie Zeeland heeft lang haar agrarische karakter behouden. Het effect van de perifere ligging werd nog versterkt door het eilandkarakter van het gebied. Eerst met de uitvoering van de Deltawerken in de jaren zestig en zeventig werd dit geografische isolement doorbroken. In Zeeland bepalen de Gereformeerde Gemeenten in sterke mate het regionale profiel van de bevindelijk gereformeerde groepering. Buiten Zeeland beperken de Gereformeerde Gemeenten zich tot de protestantenband minus het noorden. Meer dan 90 procent van de leden en doopleden van de Gereformeerde Gemeenten is te vinden in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland en Zeeland. Opvallend is eigenlijk dat het sterk geürbaniseerde en geseculariseerde westen van het land (in casu Zuid-Holland) vrij grote concentraties kent van de Gereformeerde Gemeenten. Dat heeft voor een deel te maken met migratiestromen. Daarnaast moeten we ons realiseren dat het vooral het platteland is dat een belangrijk deel van de Zuid-Hollandse leden van de Gereformeerde Gemeenten herbergt. De oud-gereformeerden hebben ongeveer dezelfde spreiding als de Gereformeerde Gemeenten. Zij zijn echter nog sterker dan de Gereformeerde Gemeenten een kerkverband dat zijn aanhang vindt op het platteland. Dat geldt ook voor de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Qua provinciale verdeling hebben die hun zwaartepunt heel sterk in de provincie Gelderland. Daar woont bijna de helft van hun aanhang. In het Zeeuwse en Zuid-Hollandse komen we hen verhoudingsgewijs minder tegen dan leden van de Gereformeerde Gemeenten. Nu zijn de Gereformeerde Gemeenten in 1907 ontstaan uit een samengaan van de Ledeboerianen (die in Zeeland relatief sterk vertegenwoordigd waren) en de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis. De stelling is te verdedigen dat de Gereformeerde Gemeenten in Nederland in theologisch opzicht wat meer aansluiten bij de lijn van de Kruisgemeenten dan bij de Ledeboeriaanse lijn. We zien dat ook weerspiegeld in hun regionale spreiding. Daarnaast is er in het westen sprake van een sterkere assimilatiedruk dan in het oosten van het land. Zowel in de Gereformeerde Gemeenten als in de Oud Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland is er vanouds sprake van een aanzienlijk predikantentekort. Mede daardoor hebben predikanten in deze gemeenten soms een groot aureool om zich heen. In dat geval weten zij meestal veel kerkgangers te trekken van buiten hun eigen gemeente (en kerkverband). Zeker als zij lang staan in een bepaalde plaats, leidt dat vaak tot een aanzienlijke groei van de betreffende gemeente, die ook na het vertrek of overlijden van de predikant grotendeels beklijft.

Hervormd-gereformeerden
Rest ons nog de bespreking van de regionale positie van de hervormd-gereformeerden. In feite de grootste groepering in bevindelijk gereformeerde kring. Maar tevens de groepering waar het minste statistisch materiaal over beschikbaar is. Ook de hervormd-gereformeerden treffen we zeer overwegend aan in de protestantenband. Maar die band is bij hen zowel aan de onderkant als aan de bovenkant ingekort. Het noorden doet bij de hervormd-gereformeerden niet echt mee. Maar ook op Walcheren en Zuid-Beveland, vanouds concentratiegebieden van de Gereformeerde Gemeenten, zijn weinig hervormd-gereformeerden te vinden. De hervormd-gereformeerde band loopt van Tholen tot Staphorst en is daarmee korter dan die van de Gereformeerde Gemeenten die van Meliskerke tot Genemuiden loopt. Vanwaar die inkortingen? Heeft dat enigszins te maken met het feit dat de orthodoxe minderheid in de Nederlandse Hervormde Kerk in de perifere gebieden (noorden, Zeeland minus Tholen) minder binding had aan nationale instituties als de Hervormde Kerk en daardoor gemakkelijker meeging met de Afscheiding, de Doleantie of latere uittredingen uit de vaderlandse kerk? Was het in het verleden (in de tijd van de stoomtrein) voor hervormd-gereformeerde predikanten toch een te zware opgave om mogelijke geestverwanten in deze uithoeken van het land op te zoeken, te activeren en het contact met hen te blijven onderhouden? Het is ook hier gemakkelijker om vragen te stellen dan om betrouwbare antwoorden te geven. Over het geheel genomen geldt dat overal waar omvangrijke Gereformeerde Gemeenten zijn (of Oud Gereformeerde Gemeenten of Gereformeerde Gemeenten in Nederland) de Hervormde gemeente ter plaatse van hervormd-gereformeerde signatuur is of in ieder geval een of meer predikantsplaatsen van die signatuur heeft. De belangrijkste uitzonderingen daarop zijn te vinden in Zeeland: Zeeuws-Vlaanderen, Walcheren en Zuid-Beveland. In Zuid-Holland kan in dit verband de plaats Lisse genoemd worden.

In de loop van deze eeuw is er in de Hervormde Kerk een opleving geweest van de hervormd-gereformeerde richting. Daarbij was niet zozeer sprake van een sterke groei van het aantal hervormd-gereformeerden in absolute zin, maar doordat de andere modaliteiten te kampen hadden met een aanzienlijke geloofsafval (zeker bij de vrijzinnigen nam die dramatische vormen aan), kwam in allerlei hervormde gemeenten de rechterzijde vanzelf bovendrijven. De hoge eisen die de Hervormde Kerk vanouds stelde aan de opleiding van haar aanstaande predikanten betekende in het verleden een welhaast onoverkomelijke barrière voor velen die zich tot dit ambt geroepen voelden. Dat was met name het geval in de hervormd-gereformeerde kring die voornamelijk bestond uit kleine luyden voor wie een mulo-diploma vaak al te hoog gegrepen was, laat staan een gymnasiale opleiding en een universitaire studie. Met de algemene stijging van het onderwijsniveau in de tweede helft van deze eeuw en de maatschappelijke emancipatie van de hervormd-gereformeerden is het steeds gemakkelijker geworden de opleidingsbarrière naar het predikantschap te nemen. Dat is een van de factoren die de groei van het aantal hervormd-gereformeerde predikanten verklaart, alsmede de expansie van hervormd-gereformeerde predikanten naar voorheen confessionele gemeenten. Binnen de hervormd-gereformeerde richting manifesteert de rechtervleugel (voor een deel gegroepeerd rond het blad "Het gekrookte Riet") zich de laatste jaren duidelijk sterker dan voorheen. Dat heeft te maken met een geringere kerkverlating en een hoger geboortencijfer in deze kringen, waardoor zij geleidelijk aan steeds meer een stempel op bepaalde hervormde gemeenten zetten. Het heeft ook te maken met de maatschappelijke emancipatie van deze rechtervleugel, waardoor het predikantschap gemakkelijker binnen hun bereik komt te liggen dan vroeger het geval was. Toen waren het vooral godsdienstonderwijzers die in deze kring opereerden en was het aantal hervormde predikanten van deze signatuur zeer beperkt. Onderscheidt de meer bevindelijke rechtervleugel in hervormd-gereformeerde kring zich ook van de andere hervormd-gereformeerden door een bepaalde geografische concentratie? Omdat hierover weinig statistisch materiaal beschikbaar is, is het niet gemakkelijk om die vraag te beantwoorden. Mijn indruk is dat de Gekrookte- Rietgemeenten, wanneer we dat vergelijken met het geografische patroon van de hele hervormd-gereformeerde richting, relatief vaak te vinden zijn op het platteland en dan met name in het oosten van het land. Dus in die gebieden die minder de invloed van de moderne geseculariseerde cultuur hebben ondergaan.

Lokalisme
In mijn analyse van de regionale concentraties van bevindelijk gereformeerden heb ik nogal de nadruk gelegd op het gegeven dat deze groepering vooral te vinden is in gebieden die niet zo sterk aangeraakt zijn door de dynamiek van de moderne maatschappij. Dat doet de vraag rijzen of er in deze kring sprake is van een hoge mate van lokalisme. Met deze van de Amerikaanse socioloog Merton afkomstige term bedoelen we het sterk georiënteerd zijn op de plaatselijke woongemeenschap, met zijn eigen specifieke waarden en normen. Lokalisten zijn vooral geïnteresseerd in wat er in hun directe omgeving gebeurt. Zij lezen regionale kranten en zullen niet gemakkelijk naar een andere regio verhuizen. Kosmopolitisme is het tegengestelde van lokalisme. Kosmopolieten leven in een veel grotere geografische en culturele ruimte en zijn daardoor ook veel minder georiënteerd op de traditionele waarden en normen. In eerste instantie lijkt de term lokalisme inderdaad van toepassing op de bevindelijk gereformeerden. Zij kenmerken zich door een sterke binding aan hun woonplaats die in veel gevallen ook hun geboorteplaats is. Dat was zeker in het verleden het geval. De lokale gemeenschap waartoe zij behoorden, droeg veelal in sterke mate een orthodox protestants stempel. Zij bood dan ook de geloofwaardigheidsstructuur die nodig of in ieder geval nuttig was voor het in stand houden van de bevindelijk gereformeerde waarden en normen en de overdracht daarvan aan de jongere generatie. Uit onderzoek blijkt ook dat de bevindelijk gereformeerden meer dan andere Nederlanders en meer ook dan andere soorten gereformeerden geneigd zijn tot lokalisme6. Toch zijn daarbij in de huidige situatie ook allerlei kanttekeningen te maken. In de eerste plaats maakt het natuurlijk wel verschil of men woont in een plaats of een regio die in vrij sterke mate een bevindelijk gereformeerd karakter draagt of dat de bevindelijk gereformeerden in hun eigen woonplaats duidelijk de positie van een minderheidsgroepering innemen. Bij hervormden van bevindelijk gereformeerde signatuur zal het vaker voorkomen dat men in eigen dorp een dominerende positie inneemt, dan dat bij leden van afgescheiden kerken voorkomt. In het eerste geval zie je vaak een verwevenheid van godsdienstige opvattingen met allerlei lokale tradities. Een plaats als Staphorst is daar een duidelijk voorbeeld van. Ik heb dan ook de indruk dat het lokalisme bij de leden van de Gereformeerde Gemeenten (afgedacht van een aantal concentratiegebieden zoals de Overijsselse plaats Rijssen) minder sterk is dan in de uiterste rechterzijde van de Hervormde Kerk.

Daarnaast geldt dat de lokalistische tendens in bevindelijk gereformeerde kring in toenemende mate een tegenhanger vindt in de zuilvorming. Daardoor ontstaat er immers alsnog een landelijke oriëntatie, weliswaar categoriaal (gericht op geestverwanten, op "ons soort mensen") maar wel bovenlokaal. De landelijke zuilorganisaties verbinden mensen met elkaar die in hun eigen woonplaats vaak een minderheidspositie innemen. Dat lokale isolement wordt dan deels gecompenseerd door allerlei contacten daarbuiten. In bevindelijk gereformeerde kring (en nog sterker geldt dat voor de vrijgemaakten) leest men relatief vaak een landelijk dagblad, omdat die krant van eigen signatuur is. Scholieren uit bevindelijk gereformeerde kring gaan relatief vaak buiten hun eigen woonplaats naar school. Anders dan vroeger zoeken jongeren hun huwelijkspartner ook op de landelijke markt, maar dan wel binnen de eigen zuil. Of het kerkverband de landelijke oriëntatie versterkt, hangt ook af van het karakter van het kerkverband. De Gereformeerde Kerken (althans vroeger), de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland zijn kerken met een vrij sterk landelijk profiel. Niet toevallig dat die kerken ook gemakkelijk geassocieerd worden met een bepaalde naam: Kuyper, Schilder, Kersten, Steenblok. De Hervormde Kerk en ook de hervormd-gereformeerde richting hebben dat niet. Ook de Christelijke Gereformeerde Kerken missen vanouds dat landelijk profiel. Bij een christelijk-gereformeerde moet je op z'n minst weten waar hij vandaan komt, om enigszins te kunnen inschatten wie je voor je hebt. Uiteraard zijn er bijvoorbeeld ook in de Gereformeerde Gemeenten allerlei regionale verschillen. Die waren er in het verleden eveneens. Zwemer heeft daar terecht aandacht voor gevraagd, al krijg ik bij hem wel eens de indruk dat hij de verschillen overdrijft7. Maar er is in dat kerkverband toch altijd sprake geweest van een vrij geprononceerd landelijk profiel, dat een zeker tegenwicht vormde tegen de vanouds sterk lokalistische oriëntatie van de achterban.

Migratie
Ik noemde al even de migratiefactor. Het is zeker van belang daarbij stil te staan in onze analyse van de regionale verscheidenheid van de bevindelijk gereformeerden. De industrialisatie van ons land, die na 1870 inzette, leidde tot een massale toestroming naar de stad. De agrarische sector bood onvoldoende bestaansmogelijkheden voor de groeiende plattelandsbevolking. Ook uit bevindelijk gereformeerde kring kwam de migratie op gang van de plattelandsconcentratiegebieden naar de stad, hoezeer men ook z'n bedenkingen had tegen het werken in de fabriek en het stedelijk leefklimaat. Zo trokken vanuit Zeeland en het Zuid-Hollandse platteland voormalige landarbeiders en hun gezinnen naar Rotterdam, waaronder ook velen van bevindelijk gereformeerde signatuur. Vandaar dat Rotterdam een grote concentratie kende van leden van de Gereformeerde Gemeenten, meer dan Amsterdam of Den Haag. Rotterdam was de enige grote stad in ons land waar de SGP zowel voor als na de oorlog op eigen kracht een zetel in de gemeenteraad wist te veroveren. Eindhoven en Zuid-Limburg kennen voor het zuiden van het land een relatief grote concentratie protestanten. Dat heeft te maken met de snelle expansie van de Philips-fabrieken in de eerste helft van deze eeuw en de opkomst van de Zuid-Limburgse mijnindustrie. Die trokken arbeidskrachten aan, met name uit het noorden, dat vanwege de hoge werkloosheid sinds jaar en dag een expulsiegebied is. Dat verklaart waarom de vrijgemaakten en de christelijk-gereformeerden onder de Eindhovense en Zuid-Limburgse protestanten sterker vertegenwoordigd zijn dan de Gereformeerde Gemeenten, die immers in het noorden van het land weinig voorstellen. De zojuist geschetste verstedelijking van groepen bevindelijk gereformeerden leidde nogal eens tot een versterking van het assimilatieproces. Eenmaal weg van de sociale controle van het dorp en uit het traditioneel bepaalde agrarische leefmilieu, ging bij een aantal nieuwkomers in de stad de band aan de 'zware' kerk verloren. Of men werd onkerkelijk, of men kwam terecht bij een lichtere variant op godsdienstig gebied. En anders was dat bij hun kinderen nogal eens het geval. Maar zolang er sprake was van een toestroom van nieuwe gemeenteleden van het platteland bleven de kerkelijke gemeenten van bevindelijk gereformeerde signatuur in de grote steden op peil of wisten ze zelfs te groeien. Sinds de jaren zestig overheerst in ons land echter een proces van suburbanisatie. Er is een massale trek uit de stad naar de voorsteden en de omliggende regio's. Dat heeft te maken met de groeiende welvaart en de grotere mobiliteit. In die ontwikkeling liepen de gereformeerden en zeker ook de bevindelijk gereformeerden voorop. Deels was dat een kwestie van maatschappelijke positie. Zij behoorden veelal tot de bevolkingsgroepen die zich een wat duurder huis buiten de stad konden veroorloven. Daarbij kwamen ook allerlei sociale en culturele motieven. Zeker voor mensen uit de rechtervleugel van de gereformeerde gezindte had de grotere vrijheid, die het stedelijk milieu kenmerkte als gevolg van de geringere sociale controle en al hetgeen de stad verder bood aan culturele voorzieningen en vermaakcentra, voornamelijk een negatieve waarde. Waarom zou men dan in de stad blijven wonen als elders een aantrekkelijker woonklimaat geboden werd? Die combinatie van ontvolking, selectieve migratie en kerkelijke afval leidde tot een snelle aftakeling van de stadsgemeenten. Om nog even bij Rotterdam te blijven: het ledental van de Gereformeerde Gemeenten liep daar de afgelopen 25 jaar terug van 6200 naar 2400. Dat is met meer dan 60 procent! Tot in de jaren zestig behaalde de SGP in Rotterdam een stemmenpercentage dat ongeveer gelijk was aan het landelijke cijfer. Daarna is het Rotterdamse percentage steeds meer achtergebleven8. Die suburbanisatie leidde er ook toe dat veel gemeenten rond de grote steden hun plattelandskarakter gingen verliezen en de autochtone bevolking in een minderheidspositie kwam tegenover de nieuw ingekomenen. In een aantal gevallen betekende dat een toename van de buitenkerkelijkheid en een verschuiving van de kerkelijke samenstelling van orthodox protestant en soms zelfs bevindelijk gereformeerd naar minder orthodox en meer pluriform.

Keuzevrijheid
Van belang voor ons thema is ook het gezichtspunt dat mensen tegenwoordig in het algemeen vrijer zijn in het kiezen van hun woonplaats dan vroeger het geval was. Niet alleen accepteert men gemakkelijker een grotere woon-werkafstand en laat men de daaraan verbonden kosten minder zwaar wegen, maar men zoekt ook eerder een baan in een ander deel van de provincie of van het land. Ook na de (vervroegde) uittreding uit het arbeidsproces ziet men er niet tegenop om naar een andere regio te verhuizen. Voor de relatie tussen regio en religie betekent dit dat mensen tegenwoordig bij de keuze van hun werk en zeker van hun woonplaats ook de kerkelijke situatie kunnen laten meewegen. Zeker in bevindelijk gereformeerde kring gebeurt dat op grote schaal. De aanwezigheid van een gemeente van het eigen kerkverband in de betreffende of een aangrenzende plaats, de ligging van de gemeente, het al of niet langdurig vacant zijn van de kerkelijke gemeente (dat laatste speelt vooral in de Gereformeerde Gemeenten), dat zijn allemaal gezichtspunten die een niet te verwaarlozen rol spelen bij de keuze van de woonplaats. Bij gezinnen met schoolgaande kinderen gaat het ook om de aanwezigheid van reformatorisch onderwijs, of (als het om voortgezet onderwijs gaat) in ieder geval om de goede bereikbaarheid daarvan. Je ziet dan ook dat de grote reformatorische scholengemeenschappen duidelijk mensen aantrekken. Niet alleen door de benoeming van grote aantallen docenten, maar ook doordat ouders zich met opzet daar omheen vestigen. Niet voor niets bestond er enkele jaren geleden bij het niet-confessionele deel van de gemeenteraad van IJsselmuiden (en ook bij het CDA) de vrees dat de vestiging van de reformatorische Pieter Zandt-scholengemeenschap in die gemeente de politieke verhoudingen in de raad in hun nadeel zou beïnvloeden. Vandaar dat de definitieve huisvesting van de school in die plaats uiteindelijk niet doorging. Hetzelfde verschijnsel van concentratie van gemeenteleden rond de eigen scholen voor voortgezet onderwijs heeft zich de afgelopen jaren trouwens ook voorgedaan in de kring van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Ook grote reformatorische bedrijven die bij voorkeur hun personeel recruteren in eigen kring, kunnen leiden tot een zekere concentratie.

Vette zeeklei
Wellicht hadden sommigen bij het thema regio en religie andere beschouwingen verwacht. Over de invloed van de vette zeeklei of de schrale zandgronden op de geloofsbeleving van mensen. Van dergelijke verhalen ben ik echter nooit zo onder de indruk geweest. Misschien ook wel omdat ik zelf behoor tot een kerkverband (Gereformeerde Gemeenten) dat vanouds zowel op de zware klei als op de zandgronden relatief goed vertegenwoordigd is. Allerlei beschouwingen over de invloed van geografische, historische, sociale en economische factoren op het denken en handelen van mensen mogen ons bovendien niet doen vergeten dat God Zelf te midden van al deze krachtenvelden Zijn kerk in stand houdt. Dat de Zoon van God, om met de Heidelbergse Catechismus te spreken, uit het ganse menselijk geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof, van het begin der wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt. Dat is een geheim dat zich met allerlei menselijke analysemodellen niet laat naspeuren.

Dr. C.S.L. Janse (1943) is hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad.
Adres: Houttuinen-Noord 19, 7325 RE Apeldoorn.


Noten:
1. H. Knippenberg, De religieuze kaart van Nederland, Assen/Maastricht, 1992, pag. 43.

2. H.K. Roessingh, Het Veluwse kerkvolk geteld, Zutphen, 1978, pag. 6, 14-22.

3. H. Knippenberg, De religieuze kaart van Nederland, pag. 78.

4. H.K. Roessingh, Het Veluwse kerkvolk geleld, pag. 24-26.

5. H.K. Roessingh, Het Veluwse kerkvolk geteld, pag. 30.

6. G. Dekker en J. Peters, Gereformeerden in meervoud, Kampen, 1989, pag. 92-96.

7. J. Zwemer, In conflict met de cultuur, Kampen, 1992.

8. C.S.L. Janse, De strijd om de kiezer, in: Van goedertierenheid en trouw, 's-Gravenhage, 1993, pag. 151.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.forumc.nl/radix

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juli 1996

Radix | 60 Pagina's

Bevindelijk gereformeerden en regionale verscheidenheid

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juli 1996

Radix | 60 Pagina's

PDF Bekijken