Over A. Noordtzij, Gods Woord en der eeuwen getuigenis (1931)1
Augustus 1982. Vanaf het eerste moment dat ik het boek boven op de zolder van het Zwolse antiquariaat zag, was ik verkocht. Het was een voornaam boek, stevig in zijn band, met een mooie opdruk in rood, blauw en goud. Er stonden twee exemplaren. De een wat meer verschoten. Dat bleek de 1 e druk van 1924. De andere was de 2e vermeerderde druk van 1931, bijna 1 !4 maal zo omvangrijk. De keuze was snel gemaakt. Uiteindelijk fietste ik met 2 boeken over de oude IJsselbrug naar huis terug. Naast het boek van Noordtzij - 'Hoogleraar aan de Rijks-Universiteit te Utrecht' stond er in kleine lettertjes op het titelblad2 - had ik mij laten verleiden tot een ander boek met een even poëtische titel als Gods Woord en der eeuwen getuigenis: een verzamelbundel van Herman Ridderbos bij zijn 25-jarig ambtsjubileum in 1967: Het Woord, het Rijken onze verlegenheid. Gereformeerden van verschillende generaties op de bagagedrager, de een Oud-, de ander Nieuw-Testamenticus. Van beiden hoopte ik meer te leren over wat mij van jongs af aan fascineerde en wat ik later heb leren benoemen als de verhouding tussen de Godsopenbaring en de cultuur.
De ondertitel van het werk van Noordtzij beloofde wat dat betreft veel. Zelf formuleert Noordtzij in het woord vooraf als doelstelling van zijn boek: 'de verschillende lichtstralen op te vangen, welke over dit gedeelte van de Heilige Schrift zijn opgegaan, mede dank zij den nooit genoeg te waardeeren arbeid van zoovele mannen, die, met spade en houweel gewapend, althans eenige der ruïnenheuvels van West-Azië en Egypte hebben doorzocht. Door vergelijking met wat andere volken van dezelfde groep hebben bezeten, komt het eigensoortige, dat Israël kenmerkte, in beter licht en wordt duidelijker gezien wat de Heere deed, toen Hij 'tot de vaderen sprak'. Ik wil dus niets anders dan den inhoud van het Oude Testament dichter brengen bij hen, die daarin met mij de teboekstelling hebben gevonden van de openbaringsdaden Gods ter voorbereiding van de hoogste openbaring in Jezus Christus'.
Het boek is opgebouwd uit 10 hoofdstukken. Na een hoofdstuk over de geschiedenis van de opgravingen sinds de 19e eeuw in Mesopotamië, Klein-Azië, Palestina en Egypte (I), volgt een algemeen hoofdstuk onder de titel 'Gods openbaring aan Israël' (II). Vervolgens bespreekt Noordtzij naar de chronologische volgorde in het Oude Testament de raakvlakken tussen de diverse Oud-Oosterse culturen en het Oude Testament met betrekking tot de verhalen over de schepping (III), de mens, paradijs en zondeval (IV), de zondvloed (V), de oude Eufraat-Tigrisvlakte (VI), Abraham, Ur en Kanaan (VII), Egypte, Jozef en de uittocht (VIII), de worsteling met de Kanaanietische cultuur (IX), en tenslotte de strijd met de wereldmachten Egypte, Aram, Moab, Assyrië, Babylonië en Perzië (X).
Noordtzij is een goed verteller. Daarbij verstrekt hij zeer veel archeologische, geografische, historische en cultuur- en godsdiensthistorische gegevens uit de Umwelt van het Oude Testament. Ook citeert hij ruim uit de in zijn tijd gepubliceerde literaire, religieuze, juridische en andersoortige teksten. Alleen al door de boeiende combinatie van informatieverstrekking en vertelwijze is het werk, ondanks dat de resultaten van de diverse opgravingen in het Midden-Oosten sinds de jaren '30 sterk zijn toegenomen, het lezen waard. Toch is dit niet het meest waardevolle kenmerk van het boek. Dat ligt in de verbanden, waarin al deze cultuurhistorische gegevens een plaats krijgen.
Allereerst is er het directe verband met de Oudtestamentische tekst zelf. Uitgangspunt voor zijn beschouwingen zijn veelal concrete tekstgedeelten en dan met name de daarin vermelde namen, plaatsnamen, handelingen en gebruiken. Deze worden toegelicht met behulp van buitenbijbelse parallellen en archeologische vondsten. De ene keer leiden deze aantekeningen bij de tekst tot algemene beschouwingen over en een commentaar op de bijbeltekst zelf, zoals in de hoofdstukken III en IV over de schepping en het paradijs, de andere keer groeien ze uit tot beknopte schetsen van de betreffende babylonische, egyptische of kanaanitische (godsdienstige) gebruiken, godenwerelden, verhalen en historische perioden, zoals bijvoorbeeld in hoofdstuk VI over de cultuur van de oude Eufraat-Tigris vlakte. In alle gevallen gaat het Noordtzij om de verheldering van de bijbeltekst zelf. Vandaar dat hij zowel stilstaat bij de overeenkomsten als bij de verschillen tussen de wereld van het Oude Testament en die van de omringende cultuur en voortdurend op het specifieke karakter van de Oudtestamentische tekst wijst.
Daarmee komen wij dan bij het bijzondere van dit boek, namelijk waardoor Noordtzij's werk uitstijgt boven een willekeurige archeologie en tekstboek voor de Umwelt van het Oude Testament en zo zijn diepgang krijgt. Dat is het bredere kader, waarin hij de door hem aangehaalde gegevens plaatst: het kader van de geschiedenis van de Godsopenbaring in het Oude Testament. Hoofdstuk II, 'Godsopenbaring aan Israël', is de scharnier, waaraan het boek opgehangen is. Noordtzij's boek is in die zin de uitwerking van een visie, van een programma, waarvan hij in zijn inaugurele rede De O.-T. ische Godsopenbaring en het Oud-Oostersche leven (1912) al de contouren schetste.
Kern van deze visie is, dat de Godsopenbaring alleen vrucht kon dragen, 'wanneer God zich aansloot aan het bestaande, zich gaf in den vorm, waarin ze door Israël kon worden opgenomen en organisch door dit volk kon worden verwerkt'. Vandaar dat God in zijn openbaring de aartsvaders en het volk Israël niet losgemaakt heeft uit het milieu, waaruit het opkwam, maar deze genomen heeft 'zooals het in den loop der historie geworden was met zijn aan het oud-oostersche leven verwante vormen en begrippen, met zijn eigenaardige denkwijze en levensbeschouwing, met zijn polygamie en echtscheiding, met zijn bloedwraak en ban, zijn slavernij en ruwe oorlogsgebruiken'. En in dat volk ingaande en zich daaraan openbarend heeft God, onder gebruikmaking van historische situaties en personen, in een weg van ontplooiing en ontvouwing en van strijd en worsteling, de' in Israël ingedragen Godsgedachte tot steeds groter reinheid gebracht en van dit centrum uit in steeds breeder periferie het gansche leven beheerscht'3. Kon hij dit in zijn inaugurele rede slechts beperkt aantonen, in Gods Woord en der eeuwen getuigenis legt hij in den brede verantwoording af van zijn visie en onderbouwt en illustreert hij die tot in detail, en dat op zo'n wijze, dat hij feitelijk een nieuwe kijk op het Oude Testament biedt.
Met dit organische openbaringsbegrip keert Noordtzij zich enerzijds tegen een mechanische beschouwing van de openbaringsgeschiedenis en haar traditionalistische oordeel over het ontstaan van de Oudtestamentische geschriften. Belangrijker is echter dat hij zo een alternatief kader of paradigma wil bieden voor de school van Wellhausen, het in de eind 19e eeuw bepalend gezicht van de moderne Oudtestamentische wetenschap, die totaal beheerst werd door de historisch-kritische methode met zijn bronnentheorie en Pentateuchkritiek. Zonder namen te noemen zet Noordtzij deze wetenschap in enkele pennenstreken neer, waarna hij besluit met de conclusie:: 'En daarmede (sc. door de ontsluiting van de Semitische wereld ten gevolge van de resultaten van de opgravingen, FP) werd het voor steeds meerderen duidelijk, dat het beeld, door de Oud-Testamentische wetenschap in den loop der 19e eeuw van Israëls schriftuur en historisch ontworpen, in hoofdlijnen valsch was.'4 In een rectorale rede uit 1927, Het probleem van het Oude Testament5, heeft Noordtzij zich voor deze stellingname uitgebreid verantwoord door de vooronderstellingen van de school van Wellhausen kritisch te onderzoeken en te bespreken.
Gods Woord en der eeuwen getuigenis staat daarmee in de traditie van de gereformeerde theologie, zoals die aan de Kamper Theologische School, o.a. door zijn vader Maarten Noordtzij - van 1875 t/m 1912 in Kampen (hoog)leraar in de Oudtestamentische vakken - bedreven werd. Op meerdere plaatsen in zijn werk getuigt Noordtzij van deze verbondenheid met zijn vader.6 Een traditie die inspirerend is voor zijn openheid naar de resultaten van de wetenschap, in de eigen woorden van Noordtzij: om 'wat de opgravingen aan het licht brachten .. (te) bezien in nauw verband met het O.T. op zoek naar wapenen tegen het Wellhausianisme. Maar dan niet met het doel de juistheid der orthodoxe traditie te bewijzen. Zoowel mijn Vader als ik hebben steeds opengestaan voor wat de opgravingen tot juister verstand van het O.T. hebben gegeven. Apologeten hebben we niet willen zijn, maar dankbaar gebruik willen maken van wat God aan nieuwe gegevens te onzer beschikking stelde.'7
Typerend daarbij is dat Noordtzij zich niet isoleert van de ontwikkeling van de Oudtestamentische wetenschap in het eerste kwart van de 20e eeuw. Zowel vanuit de literairekritische hoek zelf (B.D. Eerdmans), als van de zijde van cultuur- en godsdiensthistorici als H. Gunkel, H. Gressman en R. Kittel is er - met een soortgelijk beroep op de bronnen en resultaten van het onderzoek naar de oud-oosterse culturen - kritiek op de inzichten van de school van Wellhausen. Noordtzij verwijst daar in zijn rede uit 1927 met instemming naar8. Dat zijn verwachting dat daarmee ook van de bronnentheorie zelf afscheid genomen zou worden, niet bewaarheid is geworden, staat de erkenning van het staan voor een gemeenschappelijk probleem en het gebruik kunnen maken van eikaars resultaten niet in de weg. Voor mij ligt daarin de waarde van en de uitdaging in Noordtzij's werk.
Immers, de afwijzing van de historisch-kritische methode lost het probleem van het Oude (en Nieuwe) Testament niet op. De beantwoording van vragen als: 'Van welke aard zijn deze geschriften?', 'Wat willen deze geschriften geven: geschiedenis of religieuse pragmatiek?' en die 'naar Israëls verhaaltrant en schrijfwijze', - door Noordtzij in 1927 als noodzakelijke voorwaarde voor een begin van een oplossing van het probleem geformuleerd -, is binnen de gereformeerde theologie bij lange na nog niet voltooid. Voorzover ik kan zien hebben met name gereformeerde theologen en filologen als Nic. H. en Herman Ridderbos, J.L. Koole, M.J. Mulder, B.J. Oosterhoff en J.C. de Moor er een begin mee gemaakt. Volgende generaties staan voor de taak om in aansluiting aan de traditie en in openheid naar de resultaten van de eigentijdse wetenschap daar een vervolg aan te geven. Daarnaast zijn Noordtzij's inzichten over het karakter van de Godsopenbaring nog steeds waardevol om binnen de dogmatiek en ethiek te worden verwerkt. Wanneer visies van G.C. Berkouwer en B. Loonstra op de verhouding van cultuur, openbaring en Heilige Schrift binnen de orthodoxe gereformeerde theologie nog zoveel discussie oproepen, kan een bezinning op het werk van Noordtzij mijns inziens alleen maar winst zijn.
Drs. Fokke Pathuis studeerde Algemene Literatuurwetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Adres: A. Brinkmanrede 2, 2901 TD Capelle a.d. IJssel
Noten:
1. Dr. A. Noordtzij, Gods Woorden der eeuwen getuigenis. Het Oude Testament in het licht der Oostersche opgravingen, Kampen, 1931, 2e vermeerderde druk, 528p.
2. Voor een eerste introductie in de bio- en bibl iografie van Arie Noordtzij (1871-1944), zie het artikel van C. Houtman in Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, deel 3, Kampen, 1998, p. 282-284. Noordtzij studeerde Semitische talen in Leiden - promotie in 1896 -, en theologie in Kampen (1896-1902). Van 1903-1912 is hij lector Hebreeuws in Kampen en van 1912-1936 hoogleraar O.T. te Utrecht.
3. Utrecht, 1912, p. 15/16.
4. Gods Woord en der eemven getuigenis, p. 84/85.
5. Kampen, 1927.
6. Zie bijvoorbeeld Het probleem van het Oude Testament, p. 35/36, 62; KV Numeri, Kampen, 1941, p. 5; Brief d.d. 10 juli 1942 aan dr. B.A. van Proosdij, geciteerd in: H.J. Schilder, 'Die "meneer" van "potten en pannen'", in De Reformatie 30(1955) 48, p. 378. Dit betreft een artikel uit een inzichtgevende serie van 5 artikelen over het leven en werk van Maarten Noordtzij, gepubliceerd in De Reformatie van 13 augustus t/m 10 september 1955.
7. De Reformatie 30 (1955) 48, p. 377/378.
8. Het probleem van het Oude Testament, p. 39 e.v, 47 e.v.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1999
Radix | 80 Pagina's