Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN IJSTIJD IN DE DAGEN VAN DE AARTSVADERS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

EEN IJSTIJD IN DE DAGEN VAN DE AARTSVADERS

32 minuten leestijd

De ijstijd als probleem
Wie zich verdiept in de ontstaansgeschiedenis van Nederland, krijgt onherroepelijk te maken met de ijstijd. Tijdens deze glaciale periode is niet alleen de sokkel van ons land gevormd, maar ook veel landschapstructuren aan het oppervlak, zoals de stuwwallen van de Veluwe, het dekzandlandschap van Oost Nederland en het keileemplateau van Drenthe.1 Voor orthodoxe christenen is die ijstijd ongemakkelijk. Volgens de geologische handboeken heeft deze klimatologische nachtmerrie maar liefst 2.500.000 jaar geduurd. Zo’n tijdsbestek staat op gespannen voet met de traditioneel bijbelse korte chronologie, die er op neer komt dat het leven op aarde ongeveer 10.000 jaar oud is. Is dit in het licht van de glaciale feiten geen achterhaalde voorstelling? Immers tijdens de ijstijd leefden er dieren en mensen. Een glaciale periode van 2.500.000 jaar dwingt daarom tot herinterpretatie van Genesis 1. Je kunt bijvoorbeeld de scheppingsdagen opvatten als perioden van onbeperkte tijdsduur. Dan valt een ijstijd van 2.500.000 jaar daar zonder moeite binnen. Zo verdwijnt in één klap de spanning tussen de Bijbel en de gevestigde theorie over de ijstijd. Maar je blijf dan wel zitten met de gedachte dat zich tijdens de scheppingsweek een kolossale klimaatsramp heeft voorgedaan, waarbij grote aantallen dieren, waaronder de bekende mammoeten, zijn uitgestorven. Past dat beeld bij Gods schepping waarin alles zeer goed was? Ook zit je dan met de Neanderthalers opgescheept, die tijdens de ijstijd hebben geleefd. Waren dat misschien Pre-adamieten? De oplossing om de ijstijd binnen de scheppingsdagen te situeren overtuigt dus bij nader inzien allerminst. Dit geldt zeker voor hen die op exegetische gronden vasthouden aan een letterlijke uitleg van Genesis 1. Zo blijft de ijstijd voor bijbelgetrouwe christenen problematisch: waar plaats je deze klimaatsrecessie, en daarmee het ontstaan van ons land, binnen het raamwerk van de bijbelse geschiedenis?

Speurtocht naar de ijstijd
De afgelopen jaren heb ik mij bezig gehouden met het bestuderen van dit vraagstuk. Mijn zoektocht richtte zich eerst op de voorstelling van een ijstijd die 2.500.000 jaar heeft geduurd. Hoe is men aan deze datering gekomen? Zijn er bezwaren tegen de opvatting van een extreem lange ijstijd in te brengen? Vervolgens zocht ik naar een alternatieve interpretatie. Kan een ijstijd misschien op een snelle manier zich hebben voorgedaan, als een klimatologische ‘blitzkrieg’: een plotselinge, kortdurende klimaatcatastrofe? Wat zou daar dan de oorzaak van zijn geweest? Tenslotte: wanneer heeft zo’n ramp zich dan binnen de Oud Testamentische geschiedenis afgespeeld? Dit artikel laat in kort bestek de voorlopige antwoorden op deze vragen de revue passeren.

Het ontstaan van de ijstijdtheorie
Het idee van een ijstijd is aan het begin van de negentiende eeuw gepresenteerd door de creationist Louis Agassiz.2 Deze geleerde constateerde, dat overal in Amerika en Europa in het landschap grindhoudende afzettingen voorkomen. Daarin zitten enorme zwerfkeien. Ook trof hij veelvuldig oppervlakten aan die tot op de rotsbodem zijn afgeschaafd. Deze landschappelijke elementen lijken als twee druppels water op de verschijnselen van ijswerking die Agassiz uit ervaring kende van de Zwitserse Alpen. Uit deze overeenkomst trok hij een voor de hand liggende conclusie: in de oertijd heeft zich een catastrofe afgespeeld, waarbij grote delen van Amerika en Europa onder het ijs bedolven raakten. Volgens Agassiz voltrok deze klimaatsramp zich zo’n 5.000 jaar geleden. Hij schatte de duur ervan op hooguit enkele honderden jaren.3 Rond 1880 accepteerden vrijwel alle geologen de ijstijdhypothese. De gegevens in het veld spraken in hun ogen duidelijke taal. Alleen was er fel verzet tegen de dramatische voorstelling waarmee Agassiz de ijstijd beschreef als een plotselinge, kortdurende klimaatramp in een niet al te ver verleden. In die tijd was het uniformiteitsprincipe volop in de mode. Volgens dit uitgangspunt zijn aardlagen in een ver verleden door uiterst trage processen gevormd. Ze zijn in miljoenen jaren ontstaan door hetzelfde amper waarneembare ritme van erosie en sedimentatie dat tegenwoordig op aarde werkzaam is. In dezelfde geest werd er over de ijstijd gedacht. De ijskappen moeten in de diepe prehistorie zich uiterst traag vanuit de poolgebieden over de continenten hebben uitgebreid. Agassiz’ idee van een kortdurende ijstijdramp in het recente verleden werd dus radicaal afgewezen, vooral omdat hij geen mechanisme voor een snelle ijsophoping op de landmassa’s kon presenteren. Maar ook de degenen die een langzame ijsaccumulatie en een langdurige ijstijd veronderstelden, hadden moeite daarvoor een acceptabele verklaring te vinden.

Het Milankowitch-model
Pas in de jaren twintig van de vorige eeuw kwam hierin verandering. De Joegoslavische wiskundige Milankowitch liet toen met berekeningen zien dat de aardbaan heel langzaam door de aantrekkingskracht van Jupiter en Saturnus tot een ellipsvorm wordt uitgerekt. Daardoor komt de aarde verder van de zon af te staan. En door de aantrekkingsgracht van de maan en de zon kantelt de aardas ook heel langzaam. Wanneer de aarde het verst van de zon af staat en de aardas z’n meest scheve stand inneemt, zullen de polen de minste zon ontvangen. Dan, zo veronderstelt Milankowitch, zal een ijstijd aanbreken. Die duurt volgens zijn berekeningen ruwweg 100.000 jaar. Daarna komt onze planeet een aantal duizenden jaren weer rechter en dichter bij de zon te staan. Hierdoor zal de aarde opwarmen. Tijdens zo’n warme tussenijstijd stagneert de groei van de ijskappen. Vervolgens breekt er opnieuw een ijstijd cyclus van 100.000 jaar aan. Geïnspireerd door de wiskundige modellen van Milankowitch berekenden zijn opvolgers dat er in de afgelopen 2.500.000 jaar ongeveer twintig glaciale cycli zich hebben voorgedaan. Maar voor een empirische wetenschap zijn wiskundige modellen onvoldoende. Er moeten ook feiten zijn die de modellen ondersteunen. Die bleken inderdaad voor handen. Allereerst de radiometrische dateringen. IJstijdfossielen, bijvoorbeeld van Neanderthalers of van mammoeten, hebben niet zelden C14 leeftijden van rond 45.000 jaar. Of er wordt geen C14 meer in monsters gemeten, hetgeen wijst op nog hogere ouderdom. Kalium-argondateringen van aslaagjes in de poolkappen leveren bovendien modelleeftijden op van 77.000 jaar of hoger. Deze jaartallen bevestigen het beeld van uiterst langzame ijsophoping in een ver verleden. Geologen wijzen ook graag op diepzee-sedimenten. Dit oceaanslib blijkt verticaal opgebouwd uit een hele serie afwisselende laagjes. Om en om zitten er in deze laagjes skeletten van warmteminnende zeediertjes en koude-tolerante soorten. In sommige diepzeeboringen komen een twintigtal van deze afwisselingen van warme en koude zeefauna’s voor. Deze oceanische boorkernen zijn ook radiometrisch te dateren. Dat levert ouderdommen op die redelijk overeenkomen met de jaartallen van de glacialen en interglacialen in de schema’s van Milankowitch. Geologen zien dit als een bewijs dat de koud-warmseries in het diepzeesediment tijdens de opeenvolgende glacialen en interglacialen zijn gevormd. Daarmee vormen deze indirecte ijstijdgegevens uit de diepzee en hun abstracte radiometrische dateringen de voornaamste bewijslast voor het Milankowitch ijstijdmodel.4

Aanwijzingen voor een eenmalige ijstijd
Op het eerste gezicht maakt deze bewijsvoering flinke indruk. Maar kijken we vervolgens naar de concrete gegevens van ijstijdverschijnselen op onze planeet, dan ontstaat een heel ander beeld. Dat past totaal niet bij het Milankowitch ijstijdmodel met opeenvolgende glaciale perioden die ieder zo’n 100.000 jaar hebben geduurd. Er blijkt namelijk van alle direct waarneembare glaciale verschijnselen veel te weinig aanwezig te zijn. Zo ligt er te weinig ijs op de polen. De gemiddelde ijsbedekking aan de Noord en Zuidpool is 1.300 meter. Gaan we uit van een zeer trage gemiddelde ijsaccumulatie van 10 centimer per jaar, dan volgt daaruit, dat de huidige ijskappen in minder dan 15.000 jaar zijn gevormd.5 Van het ijs van vroegere ijstijden is aan de polen dus niets meer te vinden. Geologen verklaren dit door aan te nemen dat gedurende de interglacialen al het ijs aan de polen is afgesmolten. Het verstand weigert hier de verbeelding te volgen. Want dit zou betekenen dat in de tussenijstijden de temperatuur aan de polen tot tropische waarden moet zijn gestegen. Het Milankowitch-model voorziet niet in dergelijke extreme temperatuurstijgingen. Trouwens, als dit klopt, zouden er in de oceanen toch de nodige smeltwaterafzettingen gevonden moeten worden. Die zijn echter alleen van de laatste ijstijd bekend. Dit zijn de zogenaamde Heinrich-lagen: enkele dunne bandjes van grind en gruis. Dit materiaal is bij het smelten van ijsbergen op de oceaanbodem terecht gekomen. Van de veronderstelde oudere ijstijden ontbreken dit soort smeltlagen in de oceaanbodem.6 Hetzelfde argument geldt voor de keileemafzetting op het land. Keileem is een ratjetoe van klei, zand, grind en grote keien dat achterblijft als de gletsjers zijn gesmolten. Deze keileemlagen zijn doorgaans erg dun. Wanneer er tientallen ijstijden zijn geweest, moet de hoeveelheid geproduceerde keileem een veelvoud zijn van de dunne bedekking die er nu op het land ligt.7 Dit argument van het ontbreken van glaciale feiten is ook van toepassing op de vulkanische as- en zuurlagen in de ijskappen aan de polen. De langste ijsboorkern aan de Zuidpool, die van Vostok (3.400 meter) wordt op 450.000 jaar gedateerd en de langste ijsboorkern op de Noordpool, die van Summit (3.200 meter) op zo’n 150.000 jaar. Je zou verwachten dat er in zulke oude ijskappen veel vulkanisch materiaal voorkomt. Maar de sporen van vulkanisme in de diepere lagen van het poolijs zijn minimaal.8 Dit wijst er op dat de ijsvelden zich in relatief korte tijd hebben opgehoopt. Bovendien geldt het argument van ‘te weinig’ ook nog voor het Milankowitchmodel zelf. Berekeningen tonen aan, dat de scheefstelling van de aardas en het oprekken van de aardbaan een minimale variatie in invallende zonnestraling oplevert. Daardoor kan nooit een ijstijd ontstaan.9 Maar er is in dit model nog iets waarvan empirische sporen ontbreken. Dat is van voldoende uitstervingen van flora en fauna tijdens de ijstijd. Het is namelijk opvallend, dat zich slechts aan het eind van de laatste ijstijd een massa-extinctie voordeed, waarbij veel zoogdieren het loodje legden. Zo verdwenen in Europa de holenbeer, de mammoet, het reuzenhert en de steppewisent van het toneel. In Noord Amerika stierven tijdens het smelten van het landijs maar liefst 33 geslachten uit en in Zuid Amerika 46. Maar dergelijke extincties zijn van alle gepostuleerde voorafgaande ijstijden onbekend. Dat is vreemd: hoe kunnen dierensoorten twintig ijstijden overleven en tenslotte na de laatste alsnog uitsterven? Ook de exclusieve extinctie aan het eind van de ‘laatste’ ijstijd suggereert dat er slechts één ijstijd is geweest. Tenslotte is er nog een heel ander argument. In preglaciale afzettingen komen sporen voor van menselijke beschaving, zoals pijlpunten, skeletresten van mensen, bewerkte beenderen en stenen, voetstappen van mensen en versierde schelpen. Dit betekent dat de ijstijd inzette toen de mens reeds de aarde bewoonde.10 Er zijn dus genoeg feiten, waarmee het gebruikelijke ijstijdmodel ter discussie kan worden gesteld. Dat dit niet gebeurt, is vooral te wijten aan het feit dat binnen de aardwetenschappen selectief met gegevens wordt omgesprongen. Men baseert zich eenzijdig op abstracte, geavanceerde radiometrische dateringen die het standaard ijstijdverhaal lijken te bevestigen. Onwelgevallige feiten, die niet passen bij de dominante vaktheorie, worden weggefilterd en genegeerd.

Het kosmisch winterscenario
Wel is er in de wetenschap de laatste decennia een discussie op gang gekomen over een alternatieve verklaring van de ijstijd. Het zijn vooral astronomen die hierbij het voortouw hebben genomen. Zij wijzen er op, dat Milankowitch met z’n ijstijdberekeningen een belangrijke factor over het hoofd heeft gezien. Volgens hen spelen de lange-termijneffecten van de zwaartekracht van hemellichamen op de positie van de aarde in ons zonnestelsel slechts een ondergeschikte rol bij het verklaren van de ijstijd. Van groter belang achten zij de korte-termijngevolgen van inslagen van kometen en meteorieten. Die hebben in het verleden de rotatie-as van onze planeet uit het lood geslagen en daarbij het wereldklimaat ernstig verstoord. In het voetspoor van de astronomen zijn geologen het er nu over eens, dat een serie inslagen van brokstukken uit de ruimte een explosieve serie kettingreacties in werking zet, waardoor het klimaat op aarde in korte tijd op hol slaat. Zo veroorzaken inslagen van brokstukken ruimtepuin in de oceanen breuken in de zeebodem. Aardplaten worden uit elkaar gedreven. Hete lava komt in contact met oceaanwater, waardoor excessieve verdamping van zeewater optreedt. Die resulteert in een langdurige periode van zware neerslag boven de landmassa’s. Door impacts geïnitieerde magma bewegingen genereren bovendien massa vulkanisme. Daarbij wordt in de hogere lagen van de atmosfeer stof, roet, as en SO2 geïnjecteerd. Samen met de extreme wolkvorming in de lagere luchtlagen wordt daardoor het zonlicht jarenlang van de aarde afgeschermd. Zo koelen de continenten af. De gigantische neerslag accumuleert als sneeuw op de koude landmassa’s en neemt de vorm aan van uitgestrekte landijskappen. Tenslotte zijn er aanwijzingen, dat door het geweld van een kosmisch bombardement de aardas in een schommelbeweging terecht komt. Deze trilling van de aardas leidt tot plotselinge veranderingen van zeestromingen, wilde fluctuaties in de stand van de zeespiegel en in abrupte verschuivingen van klimaatsgordels. Daardoor kan het klimaat in bepaalde gebieden instabiel worden en gaan oscilleren: natte, koude episoden en droge, warme perioden wisselen elkaar in hoog tempo af. Over het hierboven beschreven kosmisch winterscenario bestaat inmiddels een aanzienlijke consensus onder wetenschappers.11 Trevor Palmer verwoordt die als volgt:

Thus it seems likely that the proper explanation for the Ice Ages must involve the interplay of several factors from a list including asteroid impacts, vulcanism, atmospheric dust and continental drift.12

In feite stelt dit kosmisch winterscenario de ijstijd voor als een catastrofale klimaatramp, waarbij het ijs zich uiterst snel ophoopt en in relatief korte tijd grote gebieden bedekt. Hiermee wordt tegelijk het concept van een miljoenen jaren durende ijstijdperiode in twijfel getrokken. Het is daarom niet verwonderlijk dat er de laatste jaren wetenschappers zijn die openlijk afstand nemen van de conventionele ijstijdchronologie. De geologen D. S. Allan en J. B. Delair gaan hierin het verst. In hun recente studie Cataclysm! betogen ze:

Numerous lines of enquiry converge upon the startling fact that the Ice Age of orthodoxy is no more than the shaky theory it always has been and its alleged former reality, as conceived by its advocates, just a wonderful myth. There was indeed an ice age, but it occurred at a late date and was of comperatively brief duration.13

Volgens deze geologen werd de ijstijd veroorzaakt door een close encounter van onze planeet met een reuzenkomeet. Daarbij kwam een regen van ruimtepuin op aarde terecht die het kosmisch winterscenario in gang zette. Dit drama heeft zich volgens Allan en Delair in een niet al te ver verleden afgespeeld. Met een keur aan argumenten onderbouwen ze hun stelling, dat de ijstijd pas 9500 jaar voor Christus begon en hooguit enkele duizenden jaren heeft geduurd. De astronomen V. Clube en B. Napier zijn bovendien van mening dat onze planeet in oudtestamentische tijden enkele series bombardementen van uit elkaar gevallen reuzenkometen heeft ondergaan. Dit inslaggeweld resulteerde in perioden van geologische chaos, die gepaard gingen met mini-ijstijden. In hun eigen woorden: “ The geological evidence agrees well with the astronomical expectations: at intervals of a few thousand years the planet is abruptly plunged by cosmic bombardment into a glacial climate, which may last for a few hundred years and may lock the Earth into an ice age.........There have probably been at least two cosmic winters during the last five thousand years”.14 Ter ondersteuning van hun these verwijzen deze wetenschappers naar mythen en het Oude Testament. Daarin lezen ze allerlei beschrijvingen van inslagcatastrofes en klimatologische rampspoed. Vandaar hun opzienbarende conclusie, dat “biblical and geological catastrofism are, after all, inextricably linked”.15 Er klinken dus in de wetenschap opvallend nieuwe geluiden. In korte tijd is een alternatief verklaringsmodel van de ijstijd in de mode geraakt. Ook gaan incidenteel stemmen op die beweren dat de ijstijd van veel recenter datum is dan altijd is beweerd. Daarmee zijn we dus weer terug bij af: bij Agassiz. Of eigenlijk zijn we een stap verder dan deze grondlegger van de ijstijdtheorie. Want er is nu een catastrofistisch mechanisme bekend, waardoor een snelle ijsophoping kan worden verklaard: het kosmisch winterscenario. De vraag is alleen of er aanwijzingen zijn dat deze ijstijdramp zich in historische tijden heeft afgespeeld en, zo ja, wanneer dan precies.

Kaarten met ijsvrije polen
Een belangrijk argument voor een recente ijstijd vormen Middeleeuwse kaarten, waarop de polen ijsvrij staan afgebeeld. Zo is er de kaart van Bauche, die het hele vaste land van Antarctica vrij van ijs weergeeft. De kaart van Orontius Fineus uit 1531 en die van Dulcert uit 1339 geven aan, dat alleen het midden ervan met ijs is bedekt. De kaart van Piri Reis uit 1513 en de kaart van Mercator uit 1569 laten alleen de Antarctische kust vrij van gletsjers. De kaart van de gebroeders Zeno uit 1319 toont ons Groenland vrij van ijs en beeldt rivierlopen en gebergten - met naam en toenaam - op Groenland af. Die liggen precies op plaatsen waar ze pas de afgelopen 25 jaar onder het ijs werden gelokaliseerd door de Franse poolonderzoeker Paul Emile Victor. Op de kaart van Ptolemaeus zien we een ijsveld, dat zich over Zuid Groenland uitstrekt. Ook zijn er gletsjers in Noord Duitsland en Zuid Zweden weergegeven. Omdat in de Middeleeuwen de cartografische techniek nog in de kinderschoenen stond, wordt verondersteld dat het hier gaat om kopieën van veel oudere Griekse of Egyptische kaarten. Al deze kaarten suggereren, dat de ijsbedekking aan de polen een recent fenomeen is en dat hoog ontwikkelde beschavingen de ijstijd hebben meegemaakt.16

Kosmische wintermythen
In hun boek Hamlet’s Mill tonen G. de Santillana en H. von Dechend aan, dat in veel mythen over twee wereldperioden wordt gesproken.17 Beide eindigen in een wereldwijde catastrofe. De eerste wereldperiode staat te boek als de Gouden Tijd. Die duurt globaal van 6000 tot 4000 voor Christus. De daaropvolgende wereldperiode eindigt ongeveer 2000 voor Christus en is bekend als de Zilveren Tijd. In overleveringen die verhalen over het einde van de Zilveren Tijd komen we berichten tegen van inslagen van hemellichamen die op aarde verwoestingen aanrichten. Daardoor ontstaat een ‘grote winter’ die jarenlang aanhoudt, waarbij zomers in winters veranderen. Een mooi voorbeeld vormen de Edda’s, oude Scandinavische verhalen. Die vertellen over hemelreuzen die met elkaar oorlog voeren. Eén van hen, de vuurreus Surt, wordt op de aarde geworpen. Daardoor ontstaat een wijde kloof, de Ginungagap. Ook wijkt de hemel; daaruit ontstaan enorme sneeuwmassa’s, Sinovar genoemd. Een verschrikkelijke winter breekt aan, de Fimbulvetr. Die houdt jarenlang aan, zonder zomers ertussen. De boom in het midden van de aarde, Yggdrasil, die de aardas voorstelt, kantelt en begint te schommelen. Soortgelijke sagen zijn bekend van de Eskimo’s, de Finnen, van de Tsjoektjen en de Yakutten - bergvolken uit Rusland - en de Altai uit Iran.18 Oude Joodse en Babylonische geschriften spreken verder over het hemellichaam Kimah, afkomstig uit het sterrenbeeld van de Pleiaden, brenger van de ‘grote koude’.19 De boodschap van deze verhalen is duidelijk: in oude tijden heeft zich een inslaggebeurtenis voorgedaan. Door deze kosmische terreur raakte het klimaat op aarde langdurig uit balans. Zo kwamen de bewoners van de Noordelijke streken en de berggebieden in de ijzige greep van een kosmische winter terecht. Gaat het hier misschien om de ijstijd?

2100 voor Christus: een inslagramp
Eind jaren vijftig van de vorige eeuw lanceerde de Australische astronoom George Dodwell een opzienbarende theorie. Volgens hem was de aarde rond 2100 voor Christus door een enorm projectiel uit de ruimte getroffen. Daardoor kantelde de aardas enkele booggraden. Dodwell baseerde zich op metingen van de scheve stand van de aardas door sterrenkundigen in de oudheid. Deze zogenaamde inclinatie wordt steeds groter naarmate de metingen ouder waren. Rond 2100 v. Chr. bedroeg de afwijking t.o.v. de huidige waarde tenminste drie booggraden. De aardas moet in die tijd door een impactgebeurtenis tijdelijk uit z’n evenwicht zijn gebracht, meende Dodwell.20 De laatste jaren staat deze vermetele theorie weer volop in de belangstelling. Zo is met satellietwaarnemingen vastgesteld dat de aardas veel minder stabiel is dan vroeger werd gedacht. De poolas begint al te schommelen bij een forse aardbeving. En berekeningen wijzen uit, dat inslagen van relatief kleine kometen en asteroïden al voldoende zijn om de rotatieas iets te laten kantelen.21 Ook verschijnen er de laatste tijd allerlei publicaties over wat inmiddels The 4000 BP Event is gaan heten.22 Deze studies presenteren geologische, astronomische en archeologische feiten, die samen aannemelijk maken dat er rond 2100 v. Chr. inderdaad een inslagramp plaatsvond. Daardoor raakte het wereldklimaat eeuwenlang ontwricht. Tussen 2100 en 1500 v. Chr. wisselden extreme koude, excessieve neerslag, grote droogte en verzengende hitte elkaar in hoog tempo af. Door dit sterk fluctuerende klimaat gingen in die tijd wereldwijd de vroege bronstijdculturen ten onder. Sommigen werden door vloedgolven van de kaart geveegd, anderen beten letterlijk in het stof.23 De sporen van deze klimatologische chaos zijn onuitwisbaar geëtst in de Sfinx van Giseh. Dit wereldwonder is rond 2400 v. Chr. gebouwd. Tegenwoordig ligt het in een kurkdroge woestijn. Toch is dit bouwwerk getekend door zware watererosie. Die levert het bewijs van een extreme neerslagperiode zo’n 4.000 jaar geleden. Vervolgens werd de Sfinx volledig ondergestoven door fijn zand, hetgeen op droogte en winderosie wijst.24

Een klimaatsramp in de dagen van de aartsvaders
Ook in de Bijbel lezen we over grillige klimaatsomstandigheden in de periode rond 2000 v. Chr. Het boek Job schetst in hoofdstuk 37 en 38 het klimaat in die dagen.25 Er is geen bijbelgedeelte waarin zoveel wordt gesproken over sneeuw, ijs en regen als hier. De indruk ontstaat, dat het weer toen veel natter en guurder was dan tegenwoordig. Job 38, 31-33 vertelt ons daar de mogelijke oorzaak van. Vanuit de Pleiaden, de Beer en de Orion wordt heerschappij over de aarde gevoerd. Deze tekst zou er op kunnen wijzen dat in de dagen van Job en Abraham de aarde door komeetregens, afkomstig uit deze sterrenbeelden, onder vuur werd genomen. Met alle mogelijke gevolgen voor het klimaat van dien. In dit beeld past de ondergang van Sodom en Gomorra (Genesis 19; cf. Openbaringen 9, 1-2) en de dood van de zonen van Job door vuur uit de hemel (Job 1). Bovendien lezen we over perioden van hevige droogte. In Genesis 12 komt de eerste ter sprake. Abraham vluchtte toen naar Egypte. In Genesis 26, tijdens het leven van Isaak, volgt de tweede, terwijl in Genesis 41 uitvoerig wordt bericht over een derde crisis. Toen was er wereldwijd hongersnood (Genesis 41, 54-57). In Jesaja 24 lezen we aanvullende informatie over deze periode. Dit hoofdstuk vormt het begin van de ‘Zogenaamde Apocalyps’, die Jesaja 24-27 omvat. Het gaat hier om een toekomstprofetie. Maar daarin wordt herhaaldelijk teruggegrepen op het verleden. Jesaja verwijst met name naar de tijd dat Israël in Egypte verbleef en door God uit de slavernij werd verlost. Jesaja 24 schetst dan de toestand in de dagen van Jozef en Jacob. Alle volken op aarde kwijnden toen weg. Steden lagen er verlaten bij, akkers verkommerden, culturen raakten in verval. In Jesaja 24, 17-20 wordt de oorzaak van deze ecologische crisis beschreven. Dit gedeelte vertelt over een schrikaanjagend gedruis, waardoor de sluizen van de hemel worden geopend. Ook beven de grondvesten der aarde. De aarde scheurt open. De aarde schommelt heen en weer als een dronken man. Is dit dichterlijke overdrijving, om een toekomstprofetie kracht bij te zetten? Of lezen we hier een in de toekomst geprojecteerd ooggetuigenverslag van een inslagcatastrofe in de dagen van de aartsvaders?

De test met de jaarringen
Kosmische wintermythen, bijbelse aanwijzingen, oude kaarten met ijsvrije polen en recente analysen van wetenschappers wijzen allemaal in dezelfde richting: er heeft zich rond 2100 v. Chr. een inslagramp voorgedaan. Daardoor raakt het klimaat eeuwenlang van slag. Heeft zich in deze rampzalige periode op hogere breedten misschien een ijstijd afgespeeld? Er is een manier op deze gewaagde hypothese te testen: door gebruik te maken van de jaarringen van de oudste bomen ter wereld, de bristle cone pines van de White Mountains in Californië (zie figuur 1).

Uit de dikte van de jaarringen kan de klimaatsontwikkeling tijdens het interval 2100 tot 1500 v. Chr. worden afgelezen.26 We zien in de grafiek een aantal sterke temperatuurfluctuaties, aangeduid met de nummers 1-9 aangegeven. Daarnaast zijn ook de relevante Bijbelse gebeurtenissen vermeld: de drie perioden van hongersnood uit Genesis 12, Genesis 26 en Genesis 41 en rechts de Exodus. Om de hypothese van een ijstijd tussen 2100 en 1500 v. Chr. te testen wordt hieronder het klimaatspatroon van de jaarringen vergeleken met enkele grafieken die de hartslag van het klimaat tijdens de ijstijd registreren. De vraag is nu, of we in de klimaatgrafieken van typische ijstijdverschijnselen het zelfde patroon van negen kenmerkende pieken terug vinden. We kijken eerst naar de Vostok ijsboorkern van de Zuidpool (zie figuur 2a). De pieken en dalen - respectievelijk interglacialen en glacialen - wijzen op abrupte klimaatschommelingen tijdens de ijstijd. Die zijn niet consistent met het Milankowitch- model van langzame verandering van de positie van de aarde ten opzichte van de zon. Anderzijds lijkt deze grafiek ook niet erg op die van de jaarringen. Dat komt omdat de Vostok-grafiek in de dalende delen zo merkwaardig zigzaggend uitwaaiert.27 Dit chaotische patroon is kenmerkend voor een instabiele overgangsperiode, waarin de temperatuur aan de Zuidpool met horten en stoten van warm naar koud omslaat. Gedurende deze klimaatstransitie stroomt warme, vochtige lucht vanaf de oceanen over sterk afkoelende landmassa’s, hetgeen resulteert in enorme sneeuwstromen. Daardoor accelereert de opbouw van de ijskappen. In de figuren (2b) en (2c) wordt er voor deze versnelde ijsaccumulatie gecorrigeerd.

Laten we de excessieve ijsvorming uit de grafiek weg, dan komt een grafiek te voorschijn (zie figuur 2d) die sterk lijkt op de jaarringengrafiek van de bristle cone pine (zie figuur 2e). Toeval? - dat moet blijken uit de volgende gegevens. Neem de diepzeekern uit het Caribisch gebied (zie figuur 3). Die registreert de klimaatschommelingen tijdens de ijstijd door middel van zuurstofisotoop-verhoudingen. 28 De pijlen in de grafiek laten zien, dat beide grafieken bijna elkaars spiegelbeeld vormen. Hetzelfde resultaat doet zich voor in een vergelijking tussen de jaarringengrafiek van de bristle cone pine met een kleikern uit Bolivia (zie figuur 4).29 Hier zijn de klimaatschommelingen tijdens de ijstijd vastgelegd door percentages stuifmeel van bomen. Opnieuw blijkt een opmerkelijke correlatie.

Tenslotte wordt in figuur (5) de jaarringengrafiek vergeleken met vier andere klimaatdiagrammen van de ijstijd. Het betreft een kleikern uit een meer nabij het stadje Monticchio, in het zuiden van Italië,30 een andere kleikern uit het Hula-bekken in Israël31 en een diepzeekern uit de Stille Oceaan.32 In al deze gevallen zien we het temperatuurpatroon van de jaarringengrafiek fraai weerspiegeld in de klimaatsgrafieken van de ijstijd.

Deze gegevens maken twee dingen duidelijk. Allereerst, dat de ijstijd inderdaad een mondiaal gebeuren is geweest. Dezelfde klimaatfluctuaties worden wereldwijd geregistreerd. In de tweede plaats is er natuurlijk de opvallende patroonovereenkomst met de jaarringengrafiek. Die suggereert dat de ijstijd zich inderdaad tussen 2100 en 1500 v. Chr. heeft voorgedaan. De Exodus vond dan plaats toen de ijstijd net was afgelopen. Hetgeen betekent dat het volk Israël de ijstijd in Egypte overwinterde.

Een mini-ijstijd in de Richterentijd
Gaan de grafiek van de jaarringen en de klimaatgrafiek van de ijsboorkernen echt over het zelfde tijdsinterval? Of gaat het hier om een toevallige patroonovereenkomst? Wanneer beide sets klimaatgegevens gelijktijdig zijn gevormd moeten ze ook correleren voor de periode die volgde nadat de ijstijd was afgelopen. Dit gaan we na met behulp van de Summit-ijsboorkern van Groenland. De reden voor deze keuze is, dat in de Vostokkern de postglaciale ijsvorming slechts 200 meter dik is. In de Summitkern is het postglaciale ijs 1700 meter dik.33 Hier komen de details van de klimaatontwikkeling beter uit de verf. Figuur (6) geeft een beeld van de postglaciale klimaatsontwikkeling zoals die tussen 1800 en 1500 meter diepte in de Summitkern is geregistreerd. De grafiek daaronder brengt de jaarringgegevens van de bristle cone pines voor het interval 1600 tot 800 v. Chr. in beeld.
De overeenkomsten zijn weer opmerkelijk. Beide grafieken tonen een postglaciaal temperatuursmaximum bij (A), terwijl er bij (B) sprake is van een abrupte klimaatsverslechtering. Periode (B) wordt het Jonge Dryas genoemd. Wat was er toen, tussen 1250 en 1000 v. Chr. - gedateerd volgens de jaarringengrafiek - aan de hand? Het antwoord vinden we in de Groenlandse ijskap. Op niveau (B) worden in het ijs stoflagen gevonden met een exotische chemische samenstelling. Die blijkt opvallend gelijk aan de chemische compositie van de ‘fall out’ die vrij kwam toen in 1908 een brokstuk van een komeet boven Tunkunska in Siberië ontplofte.34 Klaarblijkelijk heeft er zich op onze planeet rond 1100 v. Chr. opnieuw een periode voorgedaan met veel kosmische activiteit. De aarde kruiste toen jaarlijks de baan van gedesintegreerde kometen, met grote aantallen komeetregens als gevolg. Hierbij explodeerden brokstukken ruimtepuin in de dampkring. Door deze kosmische stress verslechterde het wereldklimaat. Zodoende kwamen de beschavingen op aarde opnieuw letterlijk en figuurlijk in een ‘donker tijdperk’ terecht. In deze periode stortten de late bronstijdrijken in het oostelijk deel van de Middellandse Zee in elkaar. Steden in Cyprus en Syrië kwijnden weg. In China verloor de Shang dynastie haar macht en in Egypte eindigde het Nieuwe Koninkrijk in chaos.35 Er valt hier weer een link te leggen naar de Bijbel. Deze traumatische periode beslaat de tijd van de richteres Debora tot aan David - ca. 1200 v. Chr. tot ca. 1000 v.Chr. Ook zij kregen te maken met de gevolgen van deze verhoogde kosmische activiteit. Zo wordt in Richteren 5, 20 verwezen naar sterren die vanuit hun banen tegen Sisera streden. In II Samuel 21, 1 lezen we, dat tijdens Davids koningschap er drie jaren achter elkaar hongersnood was in Israël. In I Samuel 24, 15 staat, dat er door ziekte 70.000 mensen in Israël stierven. I Kronieken 21, 14-16 vertelt meer over de oorzaak van deze crisis. We vernemen dat de Engel des Heren tussen de aarde en de hemel in stond met een getrokken zwaard in z’n hand.

Dit beeld kan slaan op een komeet. In de oudheid is een zwaard een veelgebruikte aanduiding voor een komeet.36 In deze betekenis komen we het woord ook tegen in Jesaja 34, 4-5. Daar daalt een zwaard uit de hemel neer om Edom te vernietigen. Volgens deze interpretatie worden kometen opgevat als instrumenten in de hand van de Here om volken te straffen. Mogelijk beschrijft II Samuel 22 (cf. Psalm 18) de milieueffecten waarmee het kosmisch geweld in die dagen gepaard ging:

De aarde beefde en dreunde [...] de grondvesten van de hemel sidderden en daverden [...] donder [...] rook [...] vuur [...] duisternis [...] kolen raakten in brand [...] duistere wateren en wolkengevaarten [...] hagelstenen [...] pijlen [...] bliksemen [...] de grondvesten der wereld kwamen bloot.

Al deze gegevens suggereren, dat rond 1100 v. Chr., enkele eeuwen nadat de ijstijd voorbij was, er opnieuw een klimatologische terugval zich heeft voorgedaan. Die was het gevolg van een nieuwe periode van kosmische activiteit. We zien de effecten hiervan zowel in de jaarringengrafiek als in de ijsboorkern. Deze overeenkomst toont nog eens extra aan dat beide klimaatgrafieken op hetzelfde tijdsinterval betrekking hebben.

Conclusie
De conclusie van dit artikel is gelijk aan de titel: er moet zich een eenmalige ijstijd hebben voorgedaan in de dagen van de aartsvaders. In deze ijstijd werden grote delen van ons land gevormd: de stuwwallen van de Veluwe, het keileemplateau van Drenthe, de zandgronden van Overijssel, Gelderland en Noord Brabant en de löss van Zuid-Limburg. Is dat allemaal in de dagen van Abraham, Isaak en Jacob ontstaan? Vanuit de optiek van de mainstream-wetenschap is deze hypothese nonsens van de hoogste orde. Dat komt omdat de heersende ijstijdtheorie eenzijdig gebaseerd is op het uniformiteitsprincipe en de daarmee samenhangende radiometrische dateringen. Van beide zijn de aannames echter oncontroleerbaar en discutabel. Specifiek voor de C14-methode geldt, dat juist een inslagramp 4100 jaar geleden de C14/C12 ratio dramatisch verstoord zou kunnen hebben. Daarom is deze techniek voor de periode voorafgaand aan 1500 v. Chr. ongeldig. Verder is het Milankowitch-model inadequaat om het ontstaan en het smelten van ijskappen te verklaren. Het alternatieve ijstijdverhaal dat in dit artikel wordt gepresenteerd is gebaseerd op de volgende argumenten. De direct waarneembare glaciale feiten wijzen op een eenmalige ijstijd. Oude kaarten met ijsvrije polen impliceren dat dit een recente ijstijd geweest moet zijn. Verder zijn kosmische wintermythen te interpreteren als ooggetuigenverslagen van een inslagramp die de ijstijd in gang zette. Het kosmisch winterscenario levert voorts een adequate verklaring voor een korte chronologische ijstijdramp. Er zijn geologische, astronomische en archeologische aanwijzingen dat zich rond 2100 v. Chr. een inslagramp op onze planeet heeft voorgedaan. Bijbelse gegevens verwijzen bovendien naar kosmische activiteit, geassocieerd met heftige klimatologische storingen, in de dagen van Job en de aartsvaders. De patroonovereenkomst tussen de jaarringengrafiek van de bristle cone pines en de klimaatgrafieken van ijstijdverschijnselen suggereert tot slot dat de ijstijd zich tussen 2100 en 1500 v. Chr. heeft afgespeeld. Tot besluit nog het volgende. Bijbelse aanwijzingen vormden het uitgangspunt en de inspiratiebron van dit speurwerk naar de ijstijd. Ze fungeerden als waardevolle vensters op de oergeschiedenis. Deze bijbelse doorkijkjes werden geconfronteerd en gecombineerd met buitenbijbelse informatie. Vervolgens werd gezocht naar de minst ongerijmde, meest voor de hand liggende samenhang tussen al deze gegevens: de inslagramp rond 2100 v. Chr. vormt hun gemeenschappelijke noemer. Dit zoekproces laat zien hoe creationistisch onderzoek werkt. Bovendien blijkt dat zo’n geïntegreerde aanpak - soms ten onrechte als biblicistisch of fundamentalistisch afgeschilderd - boeiende analyses met een hoge verklaringswaarde oplevert. Die tonen aan, dat er geen spanning bestaat tussen de Bijbel en concrete natuurhistorische feiten - althans, wanneer die feiten eerst uit de sponningen van de heersende vaktheorie zijn gelicht. Want er zit harmonie in de gedachte dat het ontstaan van ons land samenvalt met de wordingsgeschiedenis van het volk Israël.


Noten
1. F. J. Faber, Hoe Nederland ontstond, (Katwijk: Servire, 1979) en J. I. S. Zonneveld, Tussen de Bergen en de Zee (Utrecht: Bohn, Scheltema & Holkema, 1980).

2. J. Imbrie and K. P. Imbrie, Ice Ages: Solving the Mystery, (London: Macmillan, 1979).

3. R. Huggett, Catastrophism: Asteroids, Comets and Other Dynamic Events in Earth History (London: Verso, 1997), 94.

4. A. Hallam, Great Geological Controversies, (Oxford: Oxford University Press, 1988), Chapter 4: The Ice Age, 87-104.

5. L. Vardiman, “An Analytic Young-Earth Flow Model of Ice Sheet Formation during the Ice Age,” in R.E. Walsch, ed. Proceedings of the Third International Conference on Creationism (Pittsburgh, 1994), 561-568.

6. Nature 360 (1993): 212; zie ook M. Maslin, “Waiting for the Polar Meltdown,” New Scientist, September 1994. Cf. Geology 27, 1 (1999): 23-26; Geology 26, 2 (1998): 103-106.

7. M. Oard, “The Evidence for only one Ice Age,” in R. E. Walsch, ed. Proceedings of the Second International Conference on Creationism (Pittsburgh, 1994), 193-206.

8. R. Bradley, Paleoclimatology: Reconstructing Climates of the Quaternary (New York: Harcourt, 1999), 180.

9. F. Hoyle, Ice (London: Hutchinson, 1981), 161.

10. M. A. Cremo and R. L. Thompson, Forbidden Archeology: The Hidden Story of the Human Race (Los Angeles: Bhaktivedanta Book Publishing, 1998).

11. V. Clube and B. Napier, The Cosmic Winter (Oxford: Blackwell, 1990), 259-272; V. Courtillot, Evolutionary Catastrophes: The Science of Mass Extinction (Cambridge, MA: Cambridge University Press, 1999), 144; E. Tollmann en A. Tollmann, De zondvloed. Van mythe tot historische werkelijkheid (Baarn: Tirion, 1993), 182-187; R. M. Schoch, Voices of the Rocks: A Scientist looks at Catastrophes and Ancient Civilizations (New York: Harmony Books, 1999), 194-199.

12. T. Palmer, Controversy: Catastrophism and Evolution - The Ongoing Debate (New York: Kluwer/Plenum, 1999), 252.

13. D. S. Allan and J. B. Delair, Cataclysm: Compelling Evidence of a Cosmic Catastrophe in 9500 BC (Santa Fe: Bear & Company, 1997), 55.

14. Clube and Napier, The Cosmic Winter, 127 en 267.

15. Clube and Napier, The Cosmic Winter, 153.

16. C. H. Hapgood, Maps of the Ancient Sea Kings: Evidence of Advanced Civilizations in the Ice Age (Philadelphia: Chilton Book Company, 1966).

17. H. von Dechend and G. de Santillana, Hamlets Mill (Boston: Gambit Press, 1969).

18. Tollmann en Tollmann, De zondvloed, 175-187.

19. H. S. Bellamy, In the Beginning God (Londen: s. n., 1945), 191.

20. G. Dodwell, “Creation Science Movement,” Pampflet No.236, 1983.

21. Earth Planetary Science Letter 1998, 153, 287; Scientific American (1994): 32; Geophysical Research Letters, 15 December 1995, 3529-3532; F. Barbiero, On the Possibility of very Rapid Shifts of the Poles, 1999 HTTP: poles.html dynamics maths www.unibg.it>.

22. K. Hsu, Climatic Changes in Prehistory and History, 1999, http://abob.libs.uga.edu/bobk/ccc/ceo32599.html; M. M. Mandelkehr, “An integrated Model for an Earthwide Event at 2300 BC,” part 1, SIS Review 5 (1986): 77-95. M. M. Mandelkehr, “An integrated Model for an Earthwide Event at 2300 BC,” part 2, Chronology and Catastrophism Review 9 (1987): 34-44. M. M. Mandelkehr, “An integrated Model for an Earthwide Event at 2300 BC,” part 3, Chronology and Catasrophism Review 10 (1988): 11-22.

23. H. H. Lamb, Climate, History and the Modern World (London: Routledge, 1997), 139-146; B. Peiser, “Comets and Disaster in the Bronze Age,” British Archaeology 30 (1997): 6-7; B. Peiser, ed. Natural Catastrophes during Bronze Age Civilisations, British Archaeological Reports 15 (Oxford: s. n., 1998); H. Weiss, ed. Proceedings of the NATO-ARW workshop on Third Millennium BC Abrupt Climate Change and Old World Social Collapse (Berlin: Springer Verlag, 1998).

24. Schoch, Voices of the Rocks, chapter 2.

25. B. E. Northrup, On Finding an Ice Age Book: Job http://northrup.awwwsome.com/on%20Finding%20an%20Ice%20Age&Book.html, 1-23.

26. M. Baillie, Exodus to Arthur: Catastrophic Encounters with Comets (London: Batsford, 1999), 200-201.

27. Nature 399, 3 June 1999, 430.

28. Grondboor en Hamer 3 (1993): 83.

29. Geografie, 1995, 1, p.16.

30. Nature 400, 19 August 1999, 742.

31. M. A. J. Williams, Quaternary Environments (London: Edward Arnold, 1993), 191.

32. D. G. Smith, Cambridge Encyclopedie van de Aardwetenschappen, (Maastricht: Natuur en Techniek, 1983), 399.

33. Scientific American, October 1994, 81.

34. Clube and Napier, The Cosmic Winter, 269-272.

35. Baillie, Exodus to Arthur, chapter 7.

36. Tollmann en Tollmann, De zondvloed, 324.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2001

Radix | 121 Pagina's

EEN IJSTIJD IN DE DAGEN VAN DE AARTSVADERS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2001

Radix | 121 Pagina's

PDF Bekijken