Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Die traumdeutung

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Die traumdeutung

"De droom - de koninklijke weg naar het onbewuste" Sigmund Freud

35 minuten leestijd

Die Traumdeutung is volgens Sigmund Freud, de schrijver van het boek zelf, het eerste en belangrijkste boek van de twintigste eeuw. Die Traumdeutung is begin november 1899 verschenen, maar Freud heeft het boek het publicatiejaar 1900 meegegeven om aan te geven dat met dit boek behalve de start van een nieuwe eeuw ook de start van een nieuw tijdperk plaatsvond. Het is een feit dat Die Traumdeutung inderdaad veel invloed heeft gehad gedurende de twintigste eeuw. Die Traumdeutung - of de Nederlandse vertaling: De droomduiding1 - is ondanks zijn indrukwekkende omvang een aanrader voor iedere lezer die geïnteresseerd is in de menselijke geest, de droom en de psychoanalyse. Daarnaast toont de Nederlandse vertaling van Die Traumdeutung op een bijzondere manier de ontwikkeling die het heeft doorgemaakt na het verschijnen van de eerste druk, doordat Die Traumdeutung in de loop der jaren telkens opnieuw door Freud is gereviseerd en deze revisies zijn weergegeven in De droomduiding. In dit artikel zal eerst kort het leven van Freud en zijn belangrijkste theorieën worden besproken. Daarna volgt een introductie in het boek Die Traumdeutung en de droomtheorie. Vervolgens zal de wetenschappelijke basis van het boek aan de orde komen en wordt aandacht besteed aan dromen in de bijbel. Vervolgens komt het gebruik van de droomduiding in de huidige klinische praktijk aan de orde.

Biografie Sigmund Freud
Sigmund Freud werd op 6 mei 1856 in Freiber (nu Pribor) in het hedendaagse Tsjechië geboren. Hij groeide op in een traditioneel gezin en studeerde geneeskunde in Wenen. In zijn vroegere jaren heeft hij als zenuwarts en psychiater veel onderzoek gedaan op het gebied van de neurologie. Een aantal mensen die Freud in deze periode is tegengekomen, heeft een belangrijke invloed gehad op de ontwikkeling van zijn visie op de menselijke psyche. Tijdens een studiereis naar Parijs in 1885 ontmoette hij Jean-Marie Charcot, een neuroloog die hem inspireerde op een andere manier naar geestesziektes te kijken en er door middel van klinische methodes inzicht in te krijgen. Daarna bouwde Freud samen met zijn collega Breuer, met wie hij later brak, voort op het werk van Charcot en publiceerde al snel zijn eigen theorieën, waarvan zijn theorie over droomduiding een zeer essentieel onderdeel vormde. Freud kreeg al snel grote bekendheid, mede vanwege het feit dat zijn theorieën tegen een groot deel van de toen bestaande opvattingen ingingen. Hij besteedde aandacht aan de psychologie en het onbewuste, terwijl de wetenschap indertijd met name gericht was op biologische en vooral meetbare processen. De nadruk van Freud op moeilijk meetbare processen zoals onderliggende driften was een duidelijke breuk met de wetenschap op dat moment. Toch werd Freud benoemd tot hoogleraar in Wenen en werkte hij samen met Carl Gustav Jung, die overigens later ook met Freud zou breken. Na het verschijnen van Die Traumdeutung schreef Freud in de loop van de twintigste eeuw nog een groot aantal boeken en breidde hij zijn theorieën verder uit. Freuds Joodse afkomst was de reden dat hij aan het einde van zijn leven, na de bezetting van Oostenrijk door nazi-Duitsland, in het Verenigd Koninkrijk moest gaan wonen. Daar overleed hij kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

De menselijke geest
De basis van de theorieën van Freud wordt gevormd door zijn visie op de menselijke geest (of psyche). De menselijke geest bestaat volgens Freud uit drie onderdelen: het Es (of id), het Über-ich (of superego) en het Ich (of ego). Het Es wordt beschreven als het onbewuste of een onderbewust mechanisme. Het Es werkt op twee soorten driftenergie: Eros, de seksuele energie, en Thanatos, de doodsdrift of woede. Deze driften zoeken bevrediging, maar zijn in principe onbevredigbaar. De Eros speelt volgens hem de grootste rol in de menselijke geest. Het Über-ich wordt beschreven als het beeld dat mensen hebben van hun ideale zelf en wordt ook wel het geweten genoemd. In het Über-ich liggen de normen en waarden besloten die door de omgeving aan een individu zijn meegegeven. Het Über-ich is gericht tegen de seksuele en agressieve energie en is daarmee de grote tegenstander van het Es. Het Ich is volgens Freud ons ‘ik’, de persoon die we zijn en die we naar de buitenwereld toe communiceren. Het Ich neemt de beslissingen en bemiddelt als het ware tussen wat het Es wil en wat het Über-ich toelaat. Hierdoor functioneren veel mensen in hun dagelijks leven normaal. Freud geeft aan dat de kunst van het menszijn is om de driften enerzijds niet te onderdrukken, maar om ze anderzijds niet vrijuit uit te leven. Het gaat er dus om de driften te kanaliseren, wat wil zeggen dat ze beschaafd en sociaal acceptabel worden geuit. Dit proces wordt door Freud sublimatie genoemd: het omzetten van de (seksuele) driftenergie in hogere geestelijke energie. Over het algemeen is de invloed van het Über-ich zeer sterk en zorgt het Ich ervoor dat mensen zich staande kunnen houden in de samenleving. Soms is het Über-ich echter zo sterk dat mensen zich helemaal niet meer bewust zijn van hun driftenergieën en daardoor in de problemen komen. Daarnaast komt het voor dat het Ich zijn werk niet goed doet. Op dat moment krijgt het Es de ruimte en komen de driftenergieën aan de oppervlakte. Dit gebeurt onder andere tijdens de slaap. Dat is dan ook de reden dat dromen door Freud werden gezien als een belangrijke informatiebron voor onderliggende menselijke driften.

De psychoanalyse
Parallel met zijn theorie over de menselijke geest loopt Freuds theorie van de vrije associatie, die hij ontwikkelde in het kader van de psychoanalyse. Hij moedigde de patiënt aan om iedere gedachte die in hem of haar opkwam uit te drukken. Hiermee wilde hij de patiënt bewust maken van zijn of haar onuitgesproken gedachten of verlangens uit het onbewuste. Volgens Freud is dit materiaal normaal gesproken verborgen, vergeten of onbeschikbaar voor bewuste overdenking, omdat het conflicteert met bewuste of (andere) onbewuste gedachten. Moeilijkheden bij het vrij associëren, zoals plotselinge stiltes of stotteren, zouden een beeld geven van strijd of weerstand tegen de uiting van de onbewuste verlangens of gedachten. Deze weerstanden moeten volgens Freud worden afgebroken om verborgen conflicten open te leggen en op te lossen. Freud concludeert uit zijn klinische ervaring dat de meeste verborgen conflicten seksueel van karakter zijn. Hij gaat nog verder door te zeggen dat de oorzaak van het ontstaan van neurotische symptomen ligt in deze strijd tussen een seksuele drift en de psychische weerstanden ertegen. Hij beredeneert dat het brengen van het onbewuste conflict in het bewuste van de patiënt de voornaamste manier is om het symptoom te behandelen. Neurotische symptomen kunnen volgens hem dan ook het beste worden gezien als een mislukt compromis van het Ich tussen de lusten uit het Es en de weerstanden daartegen van het Über-ich.

Die Traumdeutung
Freud was van mening dat een mens slechts eenmaal in zijn leven het geluk heeft een ontdekking te doen van een omvang als die van zijn droomtheorie. Het volgende citaat uit het voorwoord bij de tweede druk is illustratief voor de grote betekenis die Freud toekende aan Die Traumdeutung en zijn zekerheid over de daarin gepresenteerde theorie over de droomduiding:

“Ik ben verheugd te kunnen zeggen dat ik er weinig aan te veranderen vond. Ik heb hier en daar nieuw materiaal ingelast, bepaalde inzichten uit mijn gegroeide ervaring toegevoegd, op een enkel punt geprobeerd iets om te werken; al het wezenlijke over de droom en zijn duiding, alsmede over de psychologische theorema’s die daarvan kunnen worden afgeleid, is echter ongewijzigd gebleven (…). In de lange jaren dat ik aan de problematiek van de neurosen werkte, ben ik herhaalde malen aan het wankelen gebracht en aan menig ding gaan twijfelen; dan was het altijd weer Die Traumdeutung die mij mijn zekerheid hergaf. Mijn talrijke wetenschappelijke tegenstanders geven dus blijk van een feilloos instinct wanneer zij juist op het gebied van het droomonderzoek niet met mij mee willen gaan.” (Freud 1900b: 37-38)

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Freud een psychoanalyticus beoordeelde naar diens bekwaamheid om met dromen om te gaan. Volgens Freud vormde de droom de koninklijke, rechte weg naar het onbewuste. In de loop van de twintigste eeuw wordt Die Traumdeutung beschouwd als de grondlegging van de psychoanalyse, maar in eerste instantie werd het boek niet positief ontvangen door wetenschappers, psychiaters en andere collega’s van Freud. Het zijn echter juist niet de wetenschappers, maar met name de vrouwelijke leden van de bourgeoisie die zich aangetrokken voelde tot de droomtheorie en psychoanalyse. Doordat veel van deze vrouwen zich door psychoanalytici lieten behandelen, groeide de psychoanalyse en kreeg deze internationale allure. In het voorwoord bij de tweede druk schrijft Freud over de weerstand bij zijn collega’s:

“Dat van dit moeilijk leesbare boek nog vóór het einde van het eerste decennium een tweede druk noodzakelijk is geworden, heb ik niet te danken aan de belangstelling van de vakkringen tot welke ik mij (…) had gewend. (…) De houding van de wetenschappelijke boekbesprekers kon slechts de verwachting rechtvaardigen dat dit werk het lot beschoren was te worden doodgezwegen; ook aan de kleine schare wakkere aanhangers die in de medische toepassing van de psychoanalyse mijn leiding volgt en naar mijn voorbeeld dromen duidt om bij de behandeling van neurotici van deze duidingen te profiteren, zou de eerste oplaag van het boek niet zijn uitverkocht. Zo voel ik mij dus die ruimere kring van intellectuelen verplicht wier belangstelling mij de aansporing heeft verschaft dit moeilijke en voor zo vele zaken primordiale geschrift na negen jaar opnieuw onder handen te nemen.” (Freud 1900b: 37)

De droomtheorie
De droomtheorie van Freud bouwt voort op zijn algemene visie op de indeling van de psyche van de mens in het bewuste en onbewuste, de gerichtheid van het Es op de lustbevrediging en de censuur van het Über-ich. In het eerste hoofdstuk van Die Traumdeutung geeft Freud een uiteenzetting over de geschiedenis van de droom en de heersende visie op de droom in de tweede helft van de negentiende eeuw. Nadat hij in het tweede hoofdstuk één van zijn eigen dromen aan een volledige en uitgebreide uitleg en zoektocht naar de betekenis ervan heeft onderworpen, concludeert hij dat een droom werkelijk betekenis heeft wanneer de door hem voorgestelde methode van droomduiding wordt gevolgd. Wanneer de duiding voltooid is, zal men volgens Freud in de droom altijd een wensvervulling herkennen. Deze stelling is in tegenspraak met de visie van de wetenschappers in zijn tijd en bevat een volledig nieuwe kijk op de droom en haar betekenis. Hoewel er moeilijk gesproken kan worden over één heersende theorie over dromen in de negentiende eeuw, was men doorgaans van mening dat niet alle dromen een wensvervulling bevatten. Hierbij kan worden gedacht aan nachtmerries, die per definitie een wensvervulling lijken uit te sluiten. Het derde hoofdstuk van Die Traumdeutung begint Freud dan ook op een manier die indruk maakt vanwege de zelfverzekerdheid en de opluchting die erin doorklinkt:

“Wanneer men door een smalle holle weg is gelopen en plotseling op een heuvel aankomt, van waaraf de wegen zich splitsen en een weids panorama naar verschillende richtingen openligt, mag men een ogenblik stilhouden en erover nadenken waarheen men nu het eerst zijn schreden zal wenden. Evenzo vergaat het ons, nu wij deze eerste droomduiding achter de rug hebben. De droom (…) is niet zinloos, is niet absurd (…). Hij is een volwaardig fenomeen, en wel een wensvervulling.” (Freud 1900b: 172)

Volgens Freud gaan onze dromen uiteindelijk altijd over onze onbewuste (meestal seksuele) wensen. Zelfs nachtmerries en angstdromen zouden aan deze beschrijving voldoen. Dromen spelen volgens hem een belangrijke rol in de psychische huishouding, omdat we al dromend de dagelijkse gebeurtenissen verwerken. De driften van de menselijke geest beschouwt Freud als vloeibare en buigzame krachten die moeten ontladen om genot te hebben en pijn te voorkomen. Om ontlading te bewerkstelligen zouden deze energieën iedere mogelijkheid om tot uiting te komen aangrijpen. Wanneer ontlading of bevrediging niet door directe (motori sche) actie kan plaatsvinden, zou de geest vervolgens naar bevrijding via mentale kanalen (in de droom) zoeken. Hoewel slaap de invloed van de verdringings- en weerstandmechanismen van het Ich vanuit het Über-ich op de ontlading van de driften uit het Es doet afnemen, blijft deze verdringing toch nog bestaan tijdens de nacht. Hierdoor worden de (eigenlijk verboden) onbewuste driften in een verdraaide vorm beleefd en dienen daarom dan ook gedecodeerd te worden voordat ze begrepen kunnen worden. Op deze manier zijn dromen dus het effect van de compromissen die zijn gesloten tussen de driften uit het Es en blokkades van het Überich. Freud stelt dat de dromer zich van de droom bewust is, maar nog onbewust van de betekenis van de droom. De manifeste inhoud van de droom moet dus worden gezien als een sluier over de latente betekenis ervan. De kunst om de betekenis van dromen te bloot te leggen noemt Freud de kunst van de droomduiding.

De droomduiding
Het boek Die Traumdeutung geeft een handleiding voor het ontmaskeren van de verhulling van de wensen of driften in de droom. De manier waarop deze verhulling is ontstaan wordt door Freud de droomarbeid genoemd. Uiteindelijk kunnen volgens hem dromen dan ook worden gedecodeerd door aandacht te besteden aan de basisactiviteiten van de droomarbeid en hun misleidende effect om te keren. Het proces van droomduiding werkt dus in de tegengestelde richting van de droomarbeid, waardoor de dromer tijdens de droomduiding vanuit het niveau van het bewuste in het onbewuste zelf komt. Daarnaast moet er rekening mee worden gehouden dat dromen al het logische redeneervermogen uitdagen, omdat in dromen de gedeeltes van herinneringen van gewone, dagelijkse gebeurtenissen worden vermengd met de diepste – meestal kinderlijke – wensen, en zich niet houden aan de wetten van de taal.

De vier basisactiviteiten van de droomarbeid die worden beschreven in Die Traumdeutung zijn verdichting, verschuiving, visuele representatie en secundaire bewerking. Verdichting houdt in dat een aantal verschillende droomelementen (thema’s, plaatsen, beelden, cijfers en ideeën) is gecombineerd in één element. Hierdoor wordt de droom meer gecondenseerd dan de daadwerkelijke droomgedachten. De tweede basisactiviteit van de droom is verschuiving. In het proces van verschuiving vindt decentralisatie van de droomgedachte plaats, met als resultaat dat belangrijke onderdelen van de droomgedachte of de belangrijkste wens slechts zijdelings aan de orde komen op het manifeste niveau van de droom. Volgens Freud worden belangrijke latente droomgedachten daarom vaak gerepresenteerd door schijnbaar onbelangrijke elementen in de manifeste droominhoud en zijn schijnbaar belangrijke elementen in de droom slechts onbelangrijke details die worden gebruikt als afleidingsmanoeuvre van de psyche. Verschuiving speelt een vooraanstaande rol in de droomtheorie en is voornamelijk van invloed op de emoties in de droom. Een emotie die is geassocieerd met één droomelement kan daarvan worden losgemaakt en verbonden aan een ander element. Volgens Freud liegt de emotie van een droom nooit, maar moet altijd worden bezien bij welk droomelement de emotie hoort. Bovendien kunnen emoties door de droomarbeid worden ver minderd of omgekeerd. Dit alles maakt de droomduiding tot een zeer gecompliceerde opdracht. De derde basisactiviteit van de droomarbeid is de visuele representatie, waarin de transformatie van de droomgedachten in beelden plaatsvindt. Deze activiteit is volgens Freud nodig, omdat in dromen de nadruk ligt op het visuele en niet op het talige. Door middel van vrije associatie moeten tijdens de droomduiding deze visuele representaties terug onder woorden gebracht worden. De secundaire bewerking, de vierde basisactiviteit van de droomarbeid, vindt plaats aan het einde van het lange proces van droomconstructie. Secundaire bewerking kan worden gezien als het toepassen van bewuste gedachteprocessen op het droommateriaal, met als gevolg dat er een bepaalde volgorde en logica in de droom komt en de droom ook daadwerkelijk kan worden verteld. Deze bewerking is nodig omdat dromen worden gevormd door één of meer concrete beelden, die niet met elkaar verbonden worden door middel van de taal waarin de manifeste droominhoud wordt uitgesproken of beschreven, maar toch gezamenlijk gepresenteerd worden. De verbindingen tussen die beelden zijn dus meestal het product van het verhaal, van secundaire bewerking. Deze bewerking is in zekere zin een onderdrukking van het primaire proces dat ‘daaronder’ heeft plaatsvonden.

Met de beschrijving van de droomarbeid en zijn stelling dat voor de duiding van dromen de weg van de droomarbeid in tegengestelde richting moet worden afgelegd, maakt Freud de interpretatie van dromen niet eenvoudig. Hij benoemt dit ook in Die Traumdeutung en stelt dat een droom nooit vertelt of de droomelementen letterlijk of figuurlijk moeten worden geduid en of ze direct of indirect aan het droommateriaal moeten worden verbonden. Bij het interpreteren van ieder droomelement is het volgens Freud over het algemeen onduidelijk of het element in de positieve of in de negatieve zin is bedoeld, of het historisch moet worden geïnterpreteerd (als herinnering), of het een symbool is of dat het afhankelijk van het woordgebruik moet worden geïnterpreteerd. Als het droomelement bijvoorbeeld ‘water’ is, kan de droomgedachte vuur zijn of water waarin je hebt gezwommen. Daarnaast kan het reiniging betekenen of iets met wratten te maken hebben. Toch stelt Freud de lezer van Die Traumdeutung gerust: “Niettegenstaande deze veelzijdigheid kan men tenslotte stellen dat de uitbeelding van de droomarbeid, die tenslotte niet beoogt begrepen te worden, van de vertaler niet meer hoofdbrekens vergt dan bijvoorbeeld de oude hiëroglyfenschrijvers van hun lezers.” (Freud 1900b: 399) Freud hecht zeer veel belang aan de juiste duiding van dromen, temeer omdat hij deze ziet als een belangrijke manier om onbewuste verlangens bloot te leggen. Hij stelt dat er onverwachte informatie zal bovenkomen over de onderdrukte driften in het onbewuste als de drijvende kracht achter de droom kan worden ontdekt. Het is voor hem vanzelfsprekend dat dit moeite kost, omdat de dromer en degene die de droom duidt vanuit de manifeste droominhoud de onbewuste droomgedachten en de onderliggende wensen moeten bereiken.

Ter verduidelijking van Freuds methode van droomduiding beschrijven we twee dromen en hun duiding zoals die in Die Traumdeutung staan beschreven. De eerste droom is een korte droom van een man.

“Hij ziet twee jongens die aan het vechten zijn, en wel kuipersjongens, zoals hij uit de her en der liggende gereedschappen opmaakt; één van de jongens heeft de ander op de grond gegooid, de liggende jongen draagt oorringen met blauwe stenen. Hij snelt met geheven stok achter de boosdoener aan om hem te tuchtigen. Deze vlucht naar een vrouw die bij een schutting staat, alsof het zijn moeder is. Het is een daglonersvrouw, die met haar rug naar de dromer staat. Ten slotte keert ze zich om en kijkt hem met een afschuwelijke blik aan, zodat hij geschrokken wegrent. Van haar onderste ooglid zie je het rode vlees uitpuilen.” (Freud 1900b: 253)

In deze droom is volgens Freud veel gebruik gemaakt van gebeurtenissen van de vorige dag. De dromer heeft tijdens die dag twee vechtende jongens op straat gezien, die op de vlucht gingen toen hij naar hen toe ging om hen op hun gedrag aan te spreken. De term kuipersjongens kan (nog) niet door Freud verklaard worden op het moment dat de man de droom aan hem vertelt. De oorringen met blauwe stenen herinneren de dromer volgens Freud aan prostituees, omdat dergelijke oorbellen vaak door hen gedragen worden. Het beeld van de staande vrouw vindt ook zijn oorsprong in een gebeurtenis tijdens de vorige dag. De dromer was na het incident met de vechtende jongens namelijk gaan wandelen en had ergens tegen een schutting geürineerd. Omdat de vrouw in dezelfde houding staat als de man bij het urineren, betreft de staande vrouw volgens Freud een urinerende vrouw. Het beeld van het uitpuilende rode vlees zou betrekking hebben op haar genitaliën. Geconcludeerd wordt dat deze droom twee aanleidingen waarbij de dromer (in zijn jeugd) de genitaliën van kleine meisjes kon zien combineert. Dit zou namelijk het geval zijn bij het op de grond gooien en bij het urineren. Uit de rest van de droom kan volgens Freud nog worden opgemaakt dat de dromer zich tuchtiging van zijn vader herinnert naar aanleiding van de seksuele nieuwsgierigheid die hij tijdens deze gebeurtenissen aan de dag legde. Deze droom is een voorbeeld van een relatief eenvoudige droomduiding; er worden veel complexere dromen in Die Traumdeutung beschreven en geduid. Deze droom heeft echter wel een aantal kenmerkende eigenschappen, namelijk de seksuele lading, de wensvervulling (het zien van genitaliën), de aanwezigheid van jeugdherinneringen en de relatie tot gebeurtenissen die in de dag ervoor hebben plaatsgevonden.

Een andere droom die illustratief is voor de complexiteit van de droomarbeid en daarmee ook de droomduiding, is de droom van een jonge vrouw die al een aantal jaren getrouwd is en op een bepaald moment verneemt dat een kennis van haar leeftijd, Elise L., zich zojuist heeft verloofd. Haar droom wordt als volgt beschreven:

“Zij zit met haar man in de schouwburg, één kant van het parket is volkomen onbezet. Haar man vertelt haar dat Elise L. en haar verloofde ook hadden willen gaan, maar alleen slechte plaatsen hadden kunnen krijgen, 3 voor 1 fl. 50 kr., en die konden ze toch zeker niet nemen. Waarop zij zegt: een ramp was het ook niet geweest.” (Freud 1900b: 475)

Bij de duiding van deze droom is door Freud allereerst gezocht naar de aanleiding voor het gebruik van de getallen. Het bedrag van 1 fl. 50 zou in droom zijn opgenomen omdat de schoonzuster van de droomster de vorige dag 150 fl. van haar man had gekregen en daar direct een sieraad van had gekocht. De verkleining van de reële 150 fl. tot 1 fl. 50 wordt geduid als geringschatting van de man in de onderdrukte gedachten van de droomster. De 3 zou in eerste instantie voortkomen uit het feit dat de verloofde drie maanden jonger is dan de droomster. Daarnaast vormt de 3 een absurd element in de droom, aangezien het onzin is dat twee personen drie plaatsen in zouden moeten nemen. Dit absurde detail van de droominhoud zou de droomgedachte met het zwaarste accent moeten uitbeelden, namelijk dat het onzin (absurd) was om zo vroeg te trouwen. De bijkomstigheid dat de beide vergeleken personen drie maanden verschil in leeftijd hebben zou handig zijn geweest om de voor de droom vereiste onzin te produceren. Het leeg blijven van één kant van het parket zou een toespeling zijn op een voorval waarin de droomster zelf lang van tevoren (onnodig) kaartjes had gereserveerd voor een toneelvoorstelling. Na de duiding wordt door Freud de volgende onderliggende droomgedachte geformuleerd: “Wat een onzin was het toch zo vroeg te trouwen, het was niet nodig geweest me zo te haasten. Aan het voorbeeld van Elise L. zie ik dat ik nog altijd een man had kunnen krijgen. En wel een honderdmaal betere, als ik maar had gewacht (in tegenstelling tot haasten van schoonzuster). Drie van zulke mannen had ik voor dat geld (de bruidsschat) kunnen kopen!” (Freud 1900b: 475) Uit de beschrijving van de droom en de droomgedachte blijkt dat de manifeste en latente inhoud van een droom zeer sterk van elkaar kunnen verschillen. De droomarbeid zou bij deze droom dus zeer intensief zijn geweest, wat kan worden verklaard uit het feit dat droomgedachten een hele krachtige weerstand hebben moeten overwinnen voordat ze uitgebeeld konden worden.

Dat voorzichtigheid voor snelle en eenvoudige duidingen geboden is, neemt niet weg dat er volgens Freud ook typische dromen bestaan. Hoewel zelfs bij de duiding van deze dromen moet worden opgepast voor de te snelle aanname dat de manifeste inhoud van een droom bij iedereen hetzelfde betekent, beschrijft hij in het vijfde hoofdstuk van Die Traumdeutung een aantal typische dromen. Deze dromen zouden door iedereen op dezelfde manier worden gedroomd en zouden waarschijnlijk bij iedereen uit dezelfde bronnen voortkomen. Freud beschrijft hier onder andere de gênedroom dat men naakt is, de dromen over de dood van dierbare personen en de examendroom. Het voert helaas te ver om deze dromen nu te beschrijven. Het lezen van de zeer precieze beschrijving van deze hoogstwaarschijnlijk herkenbare dromen en de vergaande, seksueel getinte duiding van de dromen maakt dit gedeelte van Die Traumdeutung tot een bijzondere illustratie van Freuds droomtheorie.

Naast de typische dromen benoemt Freud in het zesde hoofdstuk van Die Traumdeutung de aanwezigheid van symboliek in dromen. Symboliek is volgens hem een middel om de latente droomgedachte te vermommen. Een keizer en keizerin (of koning en koningin) stellen meestal de ouders van de dromer voor, terwijl een prins of een prinses vaak de dromer zelf is. Verschillende objecten verwijzen naar seksueel getinte thema’s. Zo zouden alle objecten die zich in de lengte uitstrekken, maar ook paraplu’s, alle lange en scherpe wapens, kleine kinderen en stropdassen, het mannelijke geslachtsorgaan vertegenwoordigen, terwijl bussen, doosjes, kisten, kachels, maar ook grotten en schepen corresponderen met de schoot van de vrouw. Een aaneengesloten reeks kamers zou symbool staan voor een bordeel of harem. De beschrijving van deze verzameling van uiteenlopende symbolen komt nogal willekeurig over. Toch is het juist dit gedeelte van Die Traumdeutung dat ook in de huidige tijd, ruim een eeuw na het verschijnen van het boek, nog altijd veel bekendheid geniet. Maar zelfs Freud is hier voorzichtig. Hij stelt dat onder deze symbolen er ongetwijfeld een groot aantal is dat (praktisch) altijd dezelfde betekenis heeft, maar dat het ook vrij vaak voorkomt dat een symbool in de droominhoud juist niet symbolisch maar in zijn eigenlijke betekenis moet worden geduid.

De visie van de wetenschap
Met Die Traumdeutung heeft Freud de basis gelegd voor de psychoanalyse. Vanaf het begin van de twintigste eeuw is de psychoanalyse in westerse landen een veelgebruikte manier van therapieverlening geweest, maar vanaf het midden van deze eeuw kreeg Freuds theorie en wijze van psychotherapie langzaamaan meer kritiek. In de eerste plaats wezen wetenschapsfilosofen als Karl Popper erop dat psychoanalytische hypothesen zelden falsifieerbaar zijn. Op basis van zijn theorieën kunnen moeilijk hypothesen worden gevormd die experimenteel te falsifiëren zijn. Een stelling als ‘Alle dromen bevatten een wensvervulling’ wordt onmogelijk te falsifiëren op het moment dat de analysant een onbegrensd assortiment aan associaties heeft om uiteindelijk binnen de droom toch op een wensvervulling uit te komen. Een typisch voorbeeld hierbij is een droom van een van Freuds patiënten waarin ogenschijnlijk geen wensvervulling te ontdekken is. Freud concludeert dat deze droom toch een wensvervulling bevat omdat met het dromen van een wensloze droom het ongelijk van Freud zou zijn aangetoond. Een ander punt van kritiek is de manier waarop Freud selectief alleen die waarnemingen gebruikt die binnen zijn theorie passen. Daarnaast zijn de bevindingen die Freud in Die Traumdeutung en ook in andere werken presenteert, voornamelijk gebaseerd op de verhalen een zeer selecte groep personen, namelijk hysterische vrouwen, en op zelfanalyse. Freud is nooit in staat geweest een wetenschappelijk kader voor zijn theorie te presenteren.

Bij de collega’s van Freud zijn het niet in de eerste plaats zijn ideeën over dromen en de psyche die op veel weerstand stuiten, maar vooral zijn methoden en de manier waarop hij met dromen en de psyche omgaat. Een cruciale vraag waar noch Freud noch latere psychoanalytici een adequaat antwoord op hebben kunnen geven, is hoe gegarandeerd kan worden dat associaties van de dromer naar aanleiding van een droom uiteindelijk zullen uitkomen bij de gedachte die ten grondslag ligt aan die droom. Huidige psychoanalytici geven echter, net als Freud, aan dat ze dankzij hun klinische ervaring weten dat ze op de goede weg zitten

In de moderne wetenschap wordt de droom over het algemeen gezien als het effect van de prikkeling van zenuwen, voornamelijk tijdens een bepaalde periode in de slaap, ook wel de REM-slaap of droomslaap genoemd. Kort gezegd gaat men er op dit moment van uit dat iemand van een waaktoestand in een diepe slaap terechtkomt, daarna iets oppervlakkiger slaapt om vervolgens weer diep in slaap te raken. De periode van oppervlakkig slapen wordt de REM-slaap genoemd. REM is een afkorting van ‘Rapid Eye Movements’ en verwijst naar de snelle oogbewegingen die horen bij deze fase van slaap. Er vinden vier of vijf perioden van REM-slaap gedurende de nacht plaats en de totale tijd ervan is ongeveer anderhalf uur. De REM-slaap is de fase waarin mensen het meest intensief dromen. Wanneer een dromer wakker wordt gemaakt tijdens de REM-slaap, herinnert hij zich een droom in het grootste gedeelte van de gevallen. Wordt een persoon tijdens een niet-REMslaap wakker gemaakt, is dit veel minder vaak het geval. Op dit moment is er in algemeen-wetenschappelijke kringen zeer weinig aandacht voor het aantonen van de wetenschappelijke evidentie van de droomtheorie van Freud. Toch vindt er binnen bepaalde wetenschappelijke kringen een interessante discussie over dromen plaats. Eén vraag die hierin naar voren komt is de vraag of de droom betekenisvol is (Kramer 2002). In de periode tussen 1980 en 1990 leek de visie van Freud op de droom als vervulling van onderdrukte wensen te worden weerlegd door onderzoek van Hobson (1988). Volgens Hobson wordt een droom in gang gezet door activering van gebieden bij de hersenstam. In deze hersengebieden spelen motivaties van het individu geen rol. Wanneer de theorie van Hobson juist is, kunnen dromen dus nooit in gang worden gezet door onderdrukte motivaties, zoals Freud stelt. Deze visie wordt echter sterk tegengesproken door Solms (1995), die uit onderzoek concludeert dat hersenstructuren die essentieel zijn voor het dromen, dezelfde zijn als die voor motivationele processen. Volgens Solms wordt een droom in gang gezet door een prikkel die voldoende intens en persistent is om deze structuren te activeren. Omdat de motorische systemen van de hersenen tijdens de slaap geblokkeerd zijn, zouden de motivationele processen een andere weg kiezen om zich te uiten en zouden hersendelen die te maken hebben met perceptie (waarneming) worden geactiveerd. Door middel van activering van deze hersendelen kunnen beelden en scènes worden gevormd en dromen ontstaan. Omdat de (hogere) hersendelen die de functie van reflectie hebben tijdens de slaap uitgeschakeld zijn, zou de verbeelde scène niet aan kritiek worden onderworpen en door de dromer voor werkelijk worden aangenomen. Het laatste woord in deze discussie is zeker nog niet gesproken. Op dit moment moet worden geconcludeerd dat de bron en de functie van de droom nog steeds niet duidelijk is (Maquet 2003). Het is wel gebleken dat dromen de slaap en het geheugen ten goede kan komen (Hebbrecht 2007). Daarnaast is het van belang op te merken dat het in recent wetenschappelijk onderzoek altijd gaat om de formele kenmerken van de droom en niet van de inhoud ervan. Dit is dan ook de reden dat bij het dagelijkse therapeutische werken met dromen het huidige wetenschappelijk onderzoek vooralsnog van weinig nut wordt beschouwd.

Die Traumdeutung en de bijbel
Vanuit een bijbels gezichtspunt is Die Traumdeutung een klassieker die prikkelt en vragen oproept. Freuds theorie gaat op diverse punten recht in tegen de dromen en hun uitleg zoals die in de bijbel staan. Toch zal het lezen van Die Traumdeutung zeer waarschijnlijk leiden tot een eerste of hernieuwde belangstelling voor de droom. Hierop kan ook het besef volgen dat in de bijbel een schat aan bijzondere informatie ligt opgeslagen over de droom en de manier waarop God met mensen communiceert.

Bijbelse en Griekse bronnen hebben bij Freud, die van Joodse afkomst is, een belangrijke rol gespeeld in zijn belangstelling voor de droomduiding. Het zal dan ook geen toeval zijn dat hij Die Traumdeutung zowel begint als eindigt met een opmerking over dromen zoals die in de bijbel zijn opgetekend en worden geïnterpreteerd. In het eerste hoofdstuk beschrijft hij dat de lekenwereld van oudsher heeft gepoogd de droom te duiden, daarbij de droominhoud als geheel in ogenschouw heeft genomen en heeft getracht deze door een begrijpelijke en in bepaalde opzichten analoge inhoud te vervangen. Dit wordt door Freud de symbolische droomduiding genoemd. Als voorbeeld van de werkwijze hierbij noemt hij de interpretatie die Jozef aan de droom van de Farao gaf. Hij veracht deze manier van droomduiding en stelt dat dit één van de vele kunstmatige dromen is die door schrijvers zijn bedacht, en daardoor bestemd zijn voor symbolische duiding. Deze dromen zouden namelijk bekende karaktertrekken van onze eigen dromen vermomd weergeven en daardoor een ‘logische’ symbolische duiding mogelijk maken. In het laatste hoofdstuk komt Freud terug op de voorspellende waarde van dromen, die ook in de bijbel naar voren komt. Waar in Numeri 12,6 staat: “Luister goed. Als er bij jullie een profeet van de HEER is, maak ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek ik met hem in dromen”, stelt Freud:

“En de waarde van de droom voor de kennis van de toekomst? Daar is natuurlijk geen denken aan. Wij zouden in plaats daarvan willen zeggen: voor de kennis van het verleden. Want de droom is in alle opzichten uit het verleden afkomstig. Weliswaar is ook het oude geloof dat de droom ons de toekomst laat zien, niet van ieder waarheidsgehalte ontbloot. Door ons een wens als vervuld voor te stellen voert de droom ons wel degelijk naar de toekomst; maar deze door de onverwoestbare wens als evenbeeld van dat verleden gemodelleerd.” (Freud 1900b: 688-689)

In Freuds droomtheorie komt veelvuldig terug dat dromen irrationeel en onbegrijpelijk lijken en daarom interpretatie vereisen. Dit kenmerk van dromen komt ook in het eerste boek van de bijbel naar voren als de dromen van de farao, de schenker en de bakker worden beschreven. Jozef is in staat deze dromen, die een voor de dromers onbegrijpelijke inhoud hebben, uit te leggen. Hij noemt hier de droomduiding Gods taak: “De uitleg van dromen is toch een zaak van God? Vertelt u mij die dromen eens.” (Genesis 40,8) De complexiteit van dromen en hun uitleg komt ook zeer duidelijk naar voren wanneer Daniel wordt gevraagd de droom van koning Nebukadnessar te beschrijven en uitleggen. Als de koning vraagt “Kunt u me werkelijk vertellen wat ik heb gedroomd en wat die droom betekent?” antwoordt Daniël “Wijzen, bezweerders, magiërs noch toekomstvoorspellers kunnen het mysterie dat de koning wil begrijpen aan hem onthullen. Maar er is een God in de hemel die mysteries onthult. Hij heeft koning Nebukadnessar laten weten wat er aan het einde van de tijd zal gebeuren. (…) Dit mysterie is mij onthuld, niet door enige wijsheid die ik op anderen voor zou hebben, maar opdat ik de uitleg aan de koning zou overbrengen en u zou begrijpen wat er in uw hart omgaat.” (Daniel 2,27-30) Zowel voor Freud als voor de dromers in de bijbel hangt er dus veel af van de gave van de droominterpretatie en is het belangrijk om de bron van de droom te duiden. De visie op de oorsprong van de droom en de methode van droomduiding zijn echter zeer verschillend. Waar in de bijbel wordt beschreven dat God de Bron van een droom kan zijn, relateert Freud dromen absoluut niet tot het heilige of goddelijke. Sterker nog, hij ziet het heilige als een illusie en werkt er juist aan de dromen vanuit een religieuze dimensie naar een psychologische realiteit te bewegen. Daarnaast is Freud van mening dat dromen kunnen worden geduid door vrije associatie van de dromer en duiding door de psychotherapeut, terwijl vooral in het Oude Testament expliciet naar voren komt dat God degene is die dromen uitlegt. De dromen die in het Nieuwe Testament worden beschreven zijn duidelijk anders van karakter dan de dromen in het Oude Testament. Deze dromen bevatten minder symboliek, hebben een directe boodschap in zich en zetten aan tot actie. De term ‘droom’ wordt in het Nieuwe Testament ook vaak vervangen door ‘visioen’ of ‘gezicht’. Voorbeelden hiervan zijn de droom van Jozef waarin een engel tegen hem zegt dat hij met Maria mag trouwen (Matteüs 1,20), en de droom van de wijzen die worden gewaarschuwd om niet naar Herodes te gaan, maar via een andere route terug naar hun land te reizen (Matteüs 2,12). Het is de vraag of het überhaupt mogelijk is een vergelijking te maken tussen de droomtheorie van Freud en de dromen zoals die in de bijbel naar voren komen. Het is namelijk onmogelijk te spreken over de droomtheorie zonder de visie van Freud op de menselijke geest en de goddelijke werkelijkheid mee te nemen. Voor een vergelijking tussen deze visie en het mens- en Godsbeeld dat in de bijbel wordt gegeven is in dit artikel echter geen plaats. Voor zover een vergelijking tussen de dromen in de bijbel en de droomtheorie van Freud te maken is, kan worden gezegd dat in de bijbel de uitlegger en de dromer niet centraal staan. In de bijbel is God degene die de dromen uitlegt, en gaat het niet om de vervulling van een wens of het persoonlijke plan van de dromer, maar om de vervulling van Gods plan met de wereld. Het bekend maken van zijn plan doet God wel op een zeer persoonlijke manier, door middel van de menselijke geest. Bovendien zijn de dromen die beschreven staan in de bijbel zo indringend dat de dromer actief op zoek gaat naar een interpretatie ervan en pas rust wanneer deze is gegeven.

De droomduiding in de huidige klinische praktijk
Op dit moment zijn er relatief weinig psychotherapeuten die zich bezig houden met het duiden van de dromen van hun patiënten (Cartwright 1993). Vanaf het verschijnen van Die Traumdeutung tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw nam de invloed van de psychoanalyse sterk toe. In deze jaren was de psychoanalytische psychotherapie deel van de meeste psychiatrische opleidingen en werd de therapie veel beoefend. Vanaf de jaren zeventig en tachtig werd de visie op psychiatrische stoornissen aan de ene kant steeds meer medisch gekleurd door hernieuwde interesse voor en vooruitgang in hersenonderzoek. Aan de andere kant werd de invloed van andere psychotherapeutische stromingen steeds groter, zoals de gedragstherapie en de cliëntgerichte therapie. Binnen deze stromingen wordt veel minder waarde gehecht aan de droomanalyse dan binnen de psychoanalytische stroming. Toch hebben dromen binnen het psychoanalytisch denken nog steeds een plaats, hoewel er ook aanzienlijke verschillen zijn wat betreft de positie van de droom (Verbruggen 2003). Voor klassieke psychoanalytici is de droom bijvoorbeeld één middel in de analyse (Brenner 1992) en is het even belangrijk om tijdens de psychoanalyse gebruik te maken van andere middelen, zoals symptomen en fantasieën. Voor een andere stroming binnen de psychoanalyse, de stroming van de kleinianen, is de droom echter hét middel in de analyse (Flanders 1993). Daarnaast is de methode van droomduiding sterk gewijzigd in de decennia na de verschijning van Die Traumdeutung. Meltzer (1984), een invloedrijke psychoanalyticus, onderscheidt bijvoorbeeld twee fasen in de droomanalyse. In de eerste fase luistert de therapeut naar de dromer en is alert op alle beelden die de droom oproept in zijn verbeelding. Tijdens deze fase kijkt de therapeut in zichzelf naar het beeld dat zich vormt wanneer hij naar de dromer luistert. In de tweede fase wordt het droommateriaal herzien en gesorteerd en wordt gezocht naar de associaties of de banden met vroeger materiaal, totdat er iets opduikt in de geest van de therapeut. Het gaat binnen de hedendaagse droomanalyse dus niet alleen meer over de dromen of associaties van de dromer, maar de therapeut staat de dromer veel meer bij met behulp van de eigen droomervaring en intuïtie (Ogden 2004). Daarmee gaat het niet alleen meer om het interpreteren van de latente inhoud van een droom, maar ook om interactie en communicatie binnen het therapeutische proces. De droom kan dan ook een boodschap zijn die is gericht tot de therapeut en aangeeft hoe de dromer zijn therapeut ervaart. Omgekeerd kunnen de dromen die de therapeut heeft over zijn patiënt in beeld brengen wat er in de relatie gebeurt (Favero & Ross 2002). Deze communicatieve en interactionele aspecten van de droomduiding hebben in de huidige psychoanalyse een veel grotere rol dan in de theorieën van Freud naar voren werd gebracht.

Concluderend
In Die Traumdeutung neemt Freud de lezer aan de hand door zijn theorie van psychoanalyse en droomduiding. Hij verbaast de lezer met zijn zelfverzekerdheid en mateloze interesse in de het onbewuste en verliest zich regelmatig in vergezochte, op het oog willekeurige en zeer vaak seksueel getinte associaties. Het boek is, zoals Freud al verwachtte, niet zonder gevolgen gebleven. Zijn visie op de menselijke psyche en de dromen die daaruit voortkomen hebben binnen de psychologie en psychiatrie nieuwe paden geopend, maar hebben ook daarbuiten grote invloed gehad. Die invloed klinkt bijvoorbeeld nog steeds door in de hedendaagse taal met woorden als ‘verdringen’ en ‘oedipuscomplex’. Alleen al de impact die het boek op de wetenschap heeft gehad, maakt een aanbeveling van dit boek op zijn plaats. Daarnaast maakt Freud het boek met zijn bijzondere schrijfstijl en talloze anekdotes zeer de moeite van het lezen waard. Het boek is evenwel niet altijd even makkelijk te lezen en Freud staat met zijn visie op dromen en religie soms lijnrecht op de bijbel. Daarom is het bovenal een boek dat gegarandeerd stof tot denken geeft.

Noot
1 Door de schrijvers van dit artikel is deze Nederlandse vertaling gelezen. Ook de in dit artikel genoemde citaten zijn hieruit afkomstig.

Literatuurlijst
Brenner, C. (1992). Dreams in clinical psychoanalytic practice. In M.R. Lansky (ed.), Essential papers on dreams. New York: New York University Press.

Cartwright, R.D. (1993). Who needs their dreams? The usefulness of dreams in psychotherapy. Journal of the American Academy of Psychoanalysis 21, 539-547.Favero, M., & Ross, D.R. (2002). Complementary dreams: a window to the subconscious processes of countertransference and subjectivity. American Journal of Psychotherapy 56, 211-224.

Flanders, S. (1993). The dream discourse today. London: Routledge.

Freud, S. (1900a). Die Traumdeutung. Leipzig/Wien.

Freud, S. (1900b). De droomduiding. Vertaald door W. Oranje (1999). Amsterdam: Boom.

Hebbrecht, M. (2007). De droom, anno 2007. Tijdschrift voor de Psychiatrie 49, 877-886.

Hobson, J.A. (1988). The dreaming brain. New York: Basic Books.

Kramer, M. (2002). The biology of dream formation: a review and critique. The Journal of the American Academy of Psychoanalysis 30, 657-671.

Maquet, P., Smith, C., & Stickgold, R. (2003). Sleep and brain plasticity. New York: Oxford University Press.

Meltzer, D. (1984). Dream-life: a re-examination of the psycho-analytic theory and technique. Oxford: Clunie Press

Ogden, T.H. (2004). On holding and containing, being and dreaming. International Journal of Psychoanalysis 85, 1349-1364

Solms, M. (1995). New findings on the neurological organisation of dreaming: implications for psychoanalysis. The Psychoanalytic quarterly 64, 43-67.

Verbruggen, G. (2003). Moderne opvattingen over dromen. Tijdschrift voor Psychoanalyse 9, 4-16.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 september 2008

Radix | 100 Pagina's

Die traumdeutung

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 september 2008

Radix | 100 Pagina's

PDF Bekijken