Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ons Kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ons Kerkelijk leven.

6 minuten leestijd

Een onzer lezers stuitte, bij gesprek met leden van het Hervormd Kerkgenootschap over het kerkehjk vraag-'stuk, op een drietal tegenwerpingen, die hij niet in staat was afdoende te beantwoorden, en vraagt daarover mijn oordeel.

De eerste bedenking, was, „dat ons in den dag der dagen niet gevraagd zal worden, tot welke kerk we hier op aarde behoorden: tot de Gereformeerd© of tot de Hervormde."

De tweede: „dat we naar Jezus' woord toch in de eerste plaats het Koninkrijk Gods - hebben te zoeken."

En de derde: „dat God toch wel niet van ons eischen zal, dat we ons bij de Gereformeerde Kerk zullen voegen, als ons met heel onze familie.”

Met een kort bescheid op deze "vragen wil ik onzeu broeder gaarne trachten te dienen.

Eigenlijk bewees hij mij een dienst door ze te stellen.

'k Denk daarbij dan vooral aan de eerste. Want ze komt zóó dagelijks voor, dat ze wel eens publiekelijk beantw'oord mag worden. Duizenden en nog eens duizenden zijn gewoon, zich met dat Z'Sggen, dat ons in den dag des oordeels to.ch niet gevraagd zal worden tot welke kerk we behoorden, van het kerkeljik vraagstuk af te maken, 't Is een van de bewijzen, hoe grenzeidoos oppervlakkig ook overigens ernstige jnenschen te werk kunnen gaan, zoodra het er op aankomt vragen op zij te werken, waarop ze liever niet ingaan,

Want de oppervlaklïigheid ligt hier voor 't grijpen. Die is er al aanstonds in het stellen van de vraa» waarover we al en waarover w-e niet in den daig der dagen ter verantwoording zullen geroepen worden om dan door 't antwoord daarop te laten beslissen, in welke dingen inen al en in welke niet met Christelijke bedachtzaamheid zal verkeeren. Want wie dat doet snijdt uit het Christelijke leven het hart: de kinderlijke liefde, de dankbaarheid voor de verlossing in Christus weg, om het te maken tot een knechtehjken, tot een slaafschen dienst van zelfzuchtige berekening. Die stelt in plaats van de vraag der liefde: hoe zal ik jne geheel wijden aan Hem, wien ik geheel toebehoor, de egoïstische vraag: mei hoe weinig kan ik volstaan.

E'at vooreerst. .

En de tegenwerping zelve is met deze oppervlakkigheid in volkomen overeenstemming.

Ze moet toch beleekencn één van beide: óf dat de beslissing over onzen eeuwigen slaat' niel afhangen zal van de kerkgemeenschap, waartO'C we op aarde behoorden, óf dat ons kerkelijk leven van zóó ondergeschikte beleekenis is, dat het onder de dingen waarover het oordeel des Heeren zal gaan, in 't ge'hqel niet in aanmerking zal komen.

In hel eerste geval moet ze onvoorwaardelijk toegestemd. Wat ten principale in het gericht beslist, is, naar heel het Woord Gods ons zegt, of we al of niet in Christus Jezus zijn, en niet, of we tot doze of die kerk behoorden.'Geen kerk kan dit ha, rtelijker en guller belijden dan de Gereformeerde kerken, die, welk een hooge beleekenis ze ook heclitc-n aan de zichtbare, geïnstitueerde kerk, het: „ik geloof een heilige algemeens Christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen", steeds zijn volle geldigheid gaven en nóg geven.

Maar in dien zin is het zeggen: „Hel zal ons niet gevraagd worden, van wat kerli we zijn", niet, althans doorgaans niel, bedoeld. D'e bedoeling ervan is, dat ons behoord-hebben lot deze of gene zichtbare kerkgemeenschap in het oordeel Gods niet in aanmerking komen zal.

Daarachter ligt dan de meening, óf dal Christ^us in 't gerichl alleen vragen zal naar ons geloof in Hem, en dat zijn oordeel niet zal gaan over de '\^ierken der zijnen, óf dat Hij wèl ook hun werken zal beproeven, maar dal daarbij al wat hun kerkelijk leven raakt, als van geen beleekenis, niet meetellen zal.

Nu is hel hier niet de plaats, om al de vragen, aangaande het oordeel waaraan ook de geloovigeii zullen onderworpen worden, onder de oogen te zien. t'och zooveel is uil Schrifluurplaatsen als Matth. 25:34—40, Rom. 14:10 en 12, 1 Cor. 3:12—15, Hebr. 13:17 e.a. toch wel duidelijk, vooreerst, dat Christus in den dag der dagen bij de zijnen het getuigenis van hun geloof zal zoeken in zijn vruchten, d.w.z. in hun werken; en ten tweede, dal Hij over wal niet uit het geloof was — althans zoo ze hel niet in waarachlige verootmoediging beleden, er de verzoening vaii zijn bloed niel over inriepen en er zich niet oprechtelijk van bekeerden — zijn bestraffend oordeel zal doen gaan, zij hel dan ook niet lol verdoemenis. '

En nu schijnt me de meening, dat daarbij: al wat ons kerkelijk leven raakt, als van geen beleekenis niet in | aanmerking zou komen, toch van groote oppervlakkigheid Ie getuigen.

Dat zou niel zoo zijn, als ons kerkelijk leven | in geen enkel opzicht met ons geestelijk leven, met ' ons geloof, met ons in-zijn in Christus, iets had uit te staan, , en cüs de Heere daarom dan ook in zijn Woord voor de zichtbaar-wording en hel leven van zijn kerk op | aarde , geenerlei ordinantie had gegeven, maar het had j overgelaten aan onzen willekeur.

Nu zal wel niemand in ernst het een of hel ander durven beweren.

Niemand zal meenen, dal er geenerlei verband is tusschen hel geestelijk en het kerkelijk leven van een kind Gods. Dat is zéker niel hel geval voor wal aangaat zijn leiding, voeding en sterking door de bediening van Woord en Sacrament, en den steun dien het moet vinden in de gemeenschap der heiligen en m , de tucht. En hel is wel in-droevig, dat duizenden en nóig eens duizenden Christenen daarvan zoo weinig beseffen, althans er zoo weinig ernst mee maken.

Doch ons kerkelijk leven gaat evenmin buiten ons geeslelij'k leven om, wal betreft zijn wezen, en zijn uit dal wezen opkomende drang en werking.

De werking van hel geestelijk leven toch is niet iets paxtiëels: hier wèl, daar niet beslissing en leiding gevend. Zijn inplanting is een geboorte: 'weder geboorte. Het gaal 'daarbij om M"! mensch, om den g« h e e ï e n mensch; ©n het is bestemd, heeft ook in zich den drang, om heel onzen mensch, naar ziel en lichaam, en in al zijn verniogens, om heel onze levensopenbaring in al haar uitinge* Ie doordringen, te heiligen en in Christus Gode te hergeven. Elke poging om hier te begrenzen en te beperken, te splitsen en te deelen, is een miskennir^ en aanranding van het groote werk Gods in de wederbaring van een zondaar.

Maar dan kan ook ons kerkelijk leven, dan kan ooK onze kerkelijke gemeenschap niet vallen builen zijn sfeer. Dat minder dan iels anders. Want wel verre van te ligg'' bij den uitersten omtrek — zoo. we die onderscheidt dan eens mogen maken — liggen ze, juist omgekeetOi vlak bij het middelpunt.

E'aarover, zoo de Heere wil, in een volgend nummer.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1925

De Reformatie | 8 Pagina's

Ons Kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1925

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken