Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PERSSCHOUW.

21 minuten leestijd

Prof. Brouwer over prof. Honig.

Onder het opschrift „Een oordeel van een ethisch hoogleeraar" schrijft prof. dr A. G. Honig in „De Bazuin" iets over prof. Brouwer, met prof. Obbink redacteur van het „Algemeen Weekblad" (welk blad nog steeds hardnekkig weigert zijn lezers te zeggen, waar het een antwoord vinden kan mijnerzijds op de onwaarheden van prof. Obbink) in verband met prof. Brouwer's uitlatingen over gereformeerde Sohriftbesohouwing:

Voor enkele weken gaf de hoogleeraar Dr A. M. Brouwer te Utrecht een boek uit, getiteld: „Wereldeinde en Wereldgoricht in het licht van den Bijbel". In hoofdstuk IV brengt do Schrijver tei" sprake: „De inspiratie-theorie — de Biibel als organisch Samenstel van menschelijke geschriften — het organisch Openbaringsbegrip — Slotsom". Het spreekt vanzelf, dat vooral dit hoofdstuk mijn belangstelling had.

Het is echter niet mijn bedoeling op dit hoofdstukin te gaan.

Soms is het heel oppervlakkig.

Met enkele'voorbeelden wil ik dit bewijzen. Op blz. 79 schrijft prof. Brouwer: „De mechanisch(; | inspiratie-theorie is tegenwoordig prijs gegeven. Eea [ der meest conservatieve dogmatici in on? land, prot.j Honi(n)g van Kampen, zegt daarvan in de Christelijke! Encyclopaedie: Ik kan verklai'en, dat mij geen Gere. 1 foa'meerd theoloog van onzen tijd bekend is, diel nog de mechanische inspiratie huldigt. Hij bedoelt; [ door de inspiratie werd niet weggenomen het eigen I onderzoek en nadenken der heilige schrijvers. Eigen I 'karalder, eigen taal, eigen stijl lieten zich bij hcjl te boek stellen van het geopenbaarde GodswoordI gelden. Land, volk en historie gaven aan het boei; | zijn bepaalde kleur. Evenwel, zoO' verklaart Honi(n)§ uiljdrukkelijk: de inspiratie heeft niet alleen betrek, king op de gedachtear, maar ook op den A'onii, 1 waarin die gedachten zijn gekleed. De zorg des Heiligen Geestes ging ook over de woorden: Hij hoeft 1 gezorgd, dat de gedachten haar juiste inldeedi hebben gevonden. Bij prof. Honi(n)g is dus het on" vervalschto intellectualisme duidelijk aan het woord.'

Tot zoover de Auteur.

Het zeggen, dat ik een der meest conservatievs dogmatici in iiet land ben, heeft me niet ontstemd.

Óp het terrein der inspiratie is me dit veeleer 1 uit den mond vaii dezen ethischen hoogleeraar een | lofprijzing: een bewijs, dat ik op den goeden •\\ ben. Temeer als ik zie, hoe hij prof. .i. NoiOrntzj 1 behandelt. Zijn ambtgenoot gaat zijns inziens veel verder dan de mannen van xVssen en ik. Maar m toont prol. Brouwer hiervoor zijn dankbaarheid (loot 1 te spreken van den „Geretormeer'den" hoogleeiaat Noordtzij (blz. - 19). Wat beteekenen deze aanhaliiig.? teekens ?

Kwetsend is wel de beschuldiging van „onver-1 valscht intellectualisme". Vreemd is echter, dat prof. Brouwer niet vermeldt, dat ik mijne definitie van inspiratie letterlijk ontleende aan prof. Bavinck en 1 verder ine aansloot bij Kuyper, Hodge en Böhl. Is liet zedelijk geoorloofd mi] alleen op het „zondaarsbankje" te " plaatsen en niet Bavinck, wiens woorden ik letterlijk aanhaalde?

Op blz. 79 gaat prof. Brouwer vooi't:

„Op dit standpunt kan wel een onderzoek - worden 1 ingesteld naar den persoon en de omstandigheden va'iï den schrijver. Maar dit betreft alleen maar den vnvm | van zijn 'getuigenis. Het getuigenis zelf is onvoorwaardelijk Gods Woord. Hoe dat in dezen kring verstaan 1 wordt, vindt men toegelicht in de Synodale Piappovten zaak-Geelkerken'), waar van Gen. 3 gezegd wordt, dat hier „mededeeling wordt gedaan aangaande zaken en feiteai, die behoorden tot de wereld der zintuiglijk waarneembare werkelijkheid", die men niet „dis; iiitabel" kan stellen. Typisch intellectualistisch: er wordt hier mededeeling gedaan. Door wie? Door den Heiligen Geest. Waarvan? . Van niet disputabel te stellen zintuiglijk waarneembare zaken en feiten. Dat hi'^v Habylonische gegevens verwerkt kunnen zijn, om de zonde te prediken als ongehoorzaamheid tegen God, is een ontoelaatbare opvatting. De „vorm" die aan de schrij vers eigen zou zijn, is dus feitelijk niet anders i!an taal en stijl. Dat is hetzelfde standpunt, dat, zooals wczagen, Bern. de Moor in de achttiende eeuw innam; en het verschil riiet de mechanische inspiratie reik-; veel verder dan dat het woord „mecluu; : ~Th" YCXvangen is door „organisch".

Ook hier weer de beschuldiging „typisch intellectualistisch”.

Zoowel aan de bekwame stellers van het Rapport als aan mij wordt het brandmerk zoo maar opgedrukt. Het bewijs is blijkbaar niet noodig. Zelfs ontbreekt elke toelichting.

Waarom nu zulk eene wijze van bestrijding? Telkens heet het: Gij, Gereformeerden, hebt ters'ond een etiket gereed: gereformeerd, ethisch, modern, enz.

Maar wie plalrt nu hier etiketten op' het voorhoofd van Gereformeerde Theologen?

Is het prof. Brouwer onbekend, dat zij, wiens gevoelens ik in mijne geschriften aanviel (o.a. wijlen prof. Daubanton) van mij meer dan eens in hunne recensies verklaarden, dat ik objectief hunne meeningen weergaf en ze waardig bestreed?

Enkele opihèrkingen.

1. Het is Opmerkelijk, dat prof. Brouwer citeert uit een encyclopaedie, waar andere bronnen, ook van prof-Honig zelf, dadelijk voor de hand liggen.

2. Dat prof. Brouwer den naam van prof. Honig niet eens schrijven kan, is, behalve een slordigheid, ook jammer, als men bedenkt, dat juist prof. Honig de man is, die onze litteratuur verrijkt heeft met studies over., de ethischen.

3. En wat dat „intellectualisme" betreft, — prof. Bruining merkt in zijn Verzamelde Opstellen op, dat dit fascineereude. woord in Nederland wel zeer - in trek is, van professoren af tot zondagsschoolonderwijzeresseii toe, maar dat niet iedereen duidelijk laat zien, dat hij den historischen zin van het woord zich onder het schrijven volkomen bewust is.

•4. Tenslotte: het Calvinisme, het gereformeerd protestantisme, zoo men wil, is toch een geschiedkundig ver-schijnsel; reeds daarom is men met den term „intellectualisme" nog niet gereed.

Over anonieme propaganda met een anonieme brochure.

Een uitstapje buiten het enge terrein van pers schouw worde me vergeven. Ik kreeg dezer dagen inzage van de volgende circulaire, toegezonden aan iemand, die lid was van 'de Geref. Kerk in Amsterdam:

Waarde Broeders en Zusters,

De „Amsterd. Kerkbode" bevatte onlangs ©en ai'tikel genaamd „Het gevaar van het vraagteeken", ew referaat gehouden door Ds Schouten op den laatsten Theol. Schooldag. Kemielijk doelende op de kwestie

die onze Kerken zoo lang reeds beroert, ineende .' de auteur in verband hiermede te moeten waarschuwen tegen zeker relativisme, waardoor de vastiglieid van het Woord Gods zou worden bedreigd.

In laansluitüig hiei-mede laat bijgaande brochure echter zien, dat dit „gevreesde" relativisme reeds lang z'n intocht in de Kerken heeft gedaan en er door onzio Hoogleeraren is en wordt ingedragen. Met allerlei voorbeelden die aan duidelijkheid niets te wensdien overlaten, wordt aangetoond hoe door versohülende Hoogi.eerarén „vraagteekens" zijn geplaatst en dat zij meennalen veel, veel verder zijn gegaan dam in cle bekende kwestie het geval was. Zelfs .jOntkonningen" en „verwea"ping" van Scliriftgedeelten zijn niet U-itgebleven!

Moge de lezing van deze brochure er toe bijdragen, dat veler oogen hiervoor worden geopend. Tevens zal dan blijken, hoe willekeurig en onrechtvaardig het bekende ooiiflict werd beslecht!

Iemand van geref. belijdenis buiten de Geref. Kerken, heeft zich niet ten onrechte uitgelaten als volgt:

„Wat met Dr Geelkerken gebeurde, is een caricatuur vaai ware, schriftuurlijke, kerkelijke tuchtoefening."

En verder, na op andere moeilijkheden te hebben gewezen:

„Is het geen tweeërlei inaatstaf de kwestie-Geelkerken nu pa; rtiöel te beslissen en zich daarbij «peens op de strengste letterlijke verldaring terug Ie trekken zoaider een andere ook maar disputabel te willen stellen? "

Een en ander duidelijk to maken, is het doel van deze brochure, waarin ze volkomen geslaagd mag heeten.'

„Daar zal geen onrecht in Uw midden zijn", waar-

ïichuwt de H. Schrift. Wee ons dan, indien we z.wijgen! Met br. groeten, (Volgt een soort handteekening, die ik niet ontcijferen kan.) Amsterdam, November 1928.

Zooals men ziet, was de handteekening wel als zoodanig bedoeld, althans men kan dat niet met zekerheid ontkennen. Maar ze was volmaakt onleesbaar. De enveloppe' bevatte ook geen adres van afzender, de circulaire zelf evenmin. Merkwaardig genoeg bij een stuk, dat als drukwerk te verzenden was.

Anonieme propaganda-voor een anonieme brochure, want het gold de brochure van den thans bekenden, toen nog onbekenden schrijver der brochure , , Zijn de mannen van Assen" enzoovoort?

Men blijft wel in stijl, zoo.

Maar of deze strijdmanier eenigszins te rubriceeren valt onder de „uniform van Gods heiligen", zooals ds M. Schuurman Efeze 6 heeft gekenschetst? Ik zie geen kans, deze strijdmethode eronder te rubriceeren.

„Kuypervrees”.

mm In het „Maandblad van de Géref. Vereeniging voor Drankbestrijding" zegt de heer G. Buitendijk:

Is hel: niet om te sclireien, als men, zooals een dezer dagen een Hervormd predikant, als lid onzer Vereeniging bedankt, om den „Kuyperiaansohen geest" (zooals Z.Eerw. het noemde) in ons maandblad, . en die daarbij dan C a 1 v ij n. Groen van Prinsterer en Ds Lingbeek als Gereformeerden op één lijn stelt, en feitehjk daartegenover K u y p e r een „W e d e r d o o - per" noemt, terwijl men toch kan weten, dat Dr Kuypei zijn. leven lang tegen de Dooperschen «n de leer en de buitensporigheden der Wederdoop e r s heeft gestreden.

Zoo werkt zelfs de politieke strijd al in onze Vereeniging door. Och, kon er toch door den positieven g e 1 o o f s t o o n van de verschi lende Gereformeerden in onze Vereeniging eens wat meer liefde voor elkander tot openbaring komen! Gereformeerde broeders en zusters, in de verschillende Kerken, er is pjaats voor u allen in onze gelederen!

Een merkwaardige bijdrage tot de kennis van de in Nederland gangbare typeering van theologen, die men niet lijden mag wegens kerkelijke verschillen.

Nadere toelichting.

Eenige weken geleden gaf ik hier een gedeelte weer van een artikel van Marnix in „Gron. Kb." over den heer J. E. Kok te Tiel inzake zijn opvatting van de beteekenis der Synode van Assen voor onze jeugdbeweging. De heer Kok schreef mij hierover o. m. deze nadere toelichting:

Van meet af heb ik met de Asser beslissingen persoonlijk ingestemd. Onze reg.emfentskwesti© was er echter een, waaraan nog wat méér vast zat. Mijn eigen oogen waren dus wèl open, alleen heb ik geaarzeld, of we de bekende reglementsaanvullüig in 1928 al moesten opnemen en in hoeverre onze Bonden hier een roeping hadden was me niet duidelijk.

Ten tweede ben ik nooit abonné van „W. en G." geweest. Al wordt je zoo'n b ad toegezonden, daarom vind je er je vermaak nog niet in! Misschien dat U een en ander in „De Reformatie" met een enkel woord kunt rechtzetten, gelijk ik het in ons „Leidersblad" zal doen.

Gaarne geef ik deze nadere verklaring door.

Dr Kraan over de jongste Apeldoornsche inaugureele Gratie.

In „Geref. Kbl. Maassluits etc." zegt dr E. D. Kraan:

Met zijn stelling dat aan het zaligmakend geloof-altijd het historisch vooraf moet gaan, is Prof. Wisse, naar hot znij voorkomt, in tegenspraak niet alleen met zichzelf, maar ook met de Schrift.

Men behoeft zich slechts voor den geest te roepen, wat de Schrift ons in het algemeen over het geloof leert, om in te zien dat de bewering van Prof. Wisse hiermee niet overeen stemt, .

Ik kan voor deze gelegenheid niet beter doen, dan aan te halen, wat hij zelf vroeger in zijn Gereformeerde geloofsleer (3e druk 1911) achtte de schriftuurlijke leer des geloofs te zijn.

„Het geloof is een vrucht van de wedergeboorte”. (Blz. 71.)

„In de wedergeboorte is ons hart weder in de rechte verhouding tot God geplaatst, en daaruit vloeit dan ook voort, dat den wedergeborene door de verlichting des H. Geestes het rechte licht opgaat over allerlei leven en terrein, inzonderheid over de verhouding tusschen, God en mensch. Deze nieuwe kennis is een kennis des geloofs." (Blz. 71.)

„Na den val richt het (geloof) zich bepaald op deze genade Gods, dat de Christus alle gehoorzaamheid heeft volbracht. Maar om dat te kunnen en te willen moet eerst de wedergeboorte vooraf gaan. Anders is het getuigenis Gods ons niet aangenaam, noch onmisbaar.' (Blz. 71.)

„Het ware, zaligmakende geloof is dus niet een nieuw vermogen bij de vermogens van verstand en wil toegevoegd, maar het is eene inklevende, naar God gekeerde richting i n verstand en wil. Het is een k e n-n i s, waardoor wij de beloften Gods in Christus voor waarachtig houden, en daarom en daarbij een vertrouwen op die beloften. Nimmer echter gescheiden van elkaar." (Blz. 72.) • . "

„Wie waarlijk voor Waarachtig houdt al wat God beloofd heeft, kan dat alleen als wedergeborene." (Blz. 72.)

Naar Prof. Wisse's eigen uiteenzetting van 19.11 leert de Schrift ons, dat zonder wedergeboorte geen geloof bestaan kan. Dat wij pas door en na de wedergeboorte het rechte licht hebben over allerlei terrein en leven, inzonderheid over de verhouding tusschen God en mensch. Door de wedergeboorte alleen wordt ons het getuigenis Gods aangaande den Christus aangenaam en onmisbaar. In het zaligmakend geloof pas verkrijgen ons verstand en wil de richting, die naar God is toegekeerd. Dit geloof wederom is pas de kennis, waardoor wij de beloften Gods voor waarachtig houden.

Maar thans in 1928 leert Prof. Wisse, dat aan het zaligmakend geloof niet alleen de wedergeboorte, maar ook het historisch geloof moet vooraf gaan. Hij voert hiervoor echter helaas niet één bewijsplaats uit de Schrift of een anderen bijbelschen grond aan.

Allerlei vragen doen zich hier dan ook voor.. Plaatst Prof. Wisse soms het historisch geloof na de wedergeboorte en vóór het zaligmakend geloof, dus óók als werking van de wedergeboorte? Maar dan is het historisch geloof geen historisch geloof meer, doch zaligmakend geworden; en valt het onderscheid tusschen deze beide geheel weg.

Of plaatst Prof. Wisse het historisch geloof tóch nog vóór de wedergeboorte? Maar dan keert dezelfde vraag terug: wat voor schriftuurlijken grond heeft hij er voor, dat er historisch geloQf moet wezen, zal er.ooit van zaligmakend sprake kunnen zijn? Zijn er dan volgens hem, voorwaarden voor de wedergeboorte? Kan de wedergeboorte dan alleen vallen in diè zielen die aan bepaalde vereischten voldoen en die in dit geval het historisch geloof bezitten? Is het dan, naar zijn oordeel, onmogelijk, dat iemand nooit historisch geloofd heeft, dat terstond de wedergeboorte en met de wedergeboorte het zaligmakend geloof verkrijgt? Kunnen dan met name de jonge kindéren in hun eerste levensjaren niet de wedergeboorte deelachtig zijn, omdat zij nog niet historisch hebben geloofd?

Naar mijn inzicht zal Prof. Wisse met de Schrift in de hand, deze vragen moeilijk toestemmend kunnen beantwoorden; terwijl toch zijn krasse stelling uit zijn rede te Apeldoorn dit meebrengen zou.

Misschien — en 't verband waarin zijn uitspraak voorkomt geeft reden om dit te ver-moeden — zal Prof. Wisse zeggen, dat hij bedoelde te beweren, dat men toch eerst eenige kennis van de waarheden van het Christendom moet hebben, voordat men gelooven kan.

Maar ook met deze mogelijke opmerking staan wij nog niet op schriftuurlijken bodem.

Want volgens de Schrift — en zoo leerde Prof. Wisse het zelf ook nog in 1911 — gaat het licht ons pas op in de wedergeboorte. De kennis van den Waarachtige, Zijn Woord en Zijn waarheid, bezitten wij eerst in en door het geloof. Of anders uitgedrukt: de zoogenaamde kennis van het zoogenaamd historisch, geloof is wezenlijk principieel onderscheiden van die van het zaligmakend. En indien dit waar is, laat zich ook niet denken, waarom het historisch geloof vooraf zou moeten gaan.

En ook met de afzonderlijke teksten der Schrift kunnen wij de stelling van Prof. Wisse niet rijmen. Gewoonlijk worden voor het historisch geloof aangehaald plaatsen als Hand. 26:27, Jac. 2:19, enz. Ook Prof. Wisse noemde deze in zijn boekje van 1911. (Blz. 73.)

Maar ook hier is weer dezelfde moeilijkheid. Is het nu werkelijk schriftuurlijk om te leeren, dat een geloof als van Agrippa (Hand. 27:27), of zelfs een duivelengeloof dat doet sidderen (Jac. 2:19), vooraf moet gaan, zal er van zaligmakend geloof sprake kunnen wezen? De Schrift zelf zegt dit toch op niet ééne plaats.

Aan Prof. Wisse zij vriendelijk verzocht, nader in het licht te willen stellen, welke schriftuurlijke gronden hij heeft voor de steUing, die ik indit en het voorafgaande artikel besprak.

Ik ben het met hem eens, dat er in de prediking ook plaats kan wezen voor een apologetisch element. Maar hij zal van zijn kant het met mij eens wezen, dat de prediking nog eerder zuiver schriftuurlijk dan apologetisch moet wezen; en dat vóór alles de eisch gaat, dat zij de waarheden, die God ons openbaarde in Zijn Woord, zuiver en schriftmatig heeft uiteen te zetten. En onder deze waarheden bekleedt toch zeker die aangaande het geloof een zeer voorname plaats. •

Een „kankerbuil van ons moderne leven”.

In „De Hervorming" (vrijzinnig) geeft dr G. H. v.' Senden een verkort excerpt uit een hoek van Leopold Ziegler, „Zwischen Mensch und WMrtschaft". Daaraan ontleen ik deze passage:

„Heden ten dage maakt de industrie als zoodanig zich meester van den in den mensch instinctief aanwezigen wensch naar opwinding en prikkeling (wiens vervorming in vroegere meer religieuse tijden op heel wat edeler wijze geschiedde). Die wensch, die des te elementairer doorbreekt, naar mate de massaliseering der aardevolken vooiïtgaat, verkrijgt . nu zijn vervulling door de versnelde wisseling van alle indrulcken der naaste omge\nng', zooals die in het kapitalistisch tijdperk met den voortgang der goederenproducti© en - consumptie noodzakelijk verbonden is. Daarbij is het beste in het bijzonder aan drieërlei te denken, dat voor deze stelselmatige kunstmatige opwekking van behoeften in het bijzonder 'karakteristiek is: ik bedoel in de eerste plaats den z.g. boom, of hetgeen tegenwoordig aan propaganda 'en reclame gedaan wordt tot vermeeffdering van den omzet van waren; in de tweede plaats de bijna volkomen onderwerping der geheele productie aan de ongeschreven wet der mode; in de derde plaats de doelbewuste industrialiseering van iedere denkbare wijze om de m.assa te onderhouden, te verstfooien en to amuseeren.

lo. Men vertaalt het engelsche woord boom door luid gonzen of in het algemeen door zich met geruisch voortliewegen. Wat beteekent dit? Dat de boom met alle uitgezochte en onuitgezochte middelen van aanprijizing en marfcfgieschreeuw het erop' zet den begrensden kooplust van den verbruiker aan het onbegrensde aanbod van den verkooper zooveel alsmaar mogelijk is aan te passen. In welke afgelegen plaats der Alpen of der steppe de mensch van dezen tijd daarom ook zou mogen vluchten — hem volgt dat opdringerige lokken en verleiden der moderne waren op den voet. Alles wat het blinde eroplosproduceeren van ontketende winstbegeerte op-de markt slingert, moet aan den man, nog meer aan de vï'omv gebracht worden. Het is de taak van den boom ruilwaren tot gebruikswaren om te liegen, ook, als ' het om den domsten zwendel vair de wereld gaat. En waarachtig! — de boom volbrengt dit kimststukje, doordat hiji alle levend gevoel voor wezenlijk en onwezenlijk, heilzaam en schadelijk, smaakvol en smakeloos door zijn onafgebroken trommelvuuü van oiverdrijvingen volledig overdondert en ten slotte zélfs doodt; doordat hij het in ieder menschelijk wezen ingeplant onderscheidingsvermogen eerst tégenover de goederen volledig vernietigt, maar dan ook in het algemeen tegenover ieder voortbrengsel der cultuur, tot de hoogste geestelijke werken van het genie toe. Dag aan dag booi-t de boom in de onbe-Bchormde oogen van. den wandelaar zijn schelle reclamebeelden en zijn schreeuwende firma-namen: en erger nog, duizendmaal erger! verblindt hij nacht aan nacht déze zelfde oogen door zijn kleurige lichten vlammenlieekens, die aan troostelooze muurruimten in geluidlooze razerniji op-en wederom uitlaaien. Zooals het voortdurend oogengeraas van den boom onophoudelijk bergen en wouden, steppen en velden, bij dag uit het bewustzijn van den grootstedeling verdringt, zoo brengt hij bij nacht zelfs den herïiel met zijn sterrebeelden en melkweg tot verdwijnen in de knetterende salvo's van kunstlicht, dat de goedkoopste margarine, het nieuwste blanketsel aanbeveelt. Is het de menigte toeschouwers soms om weldadige bezigheid voor hun zintuigen te doen geweest? Nu, do boom verheft het bewustzijn dezer menigte meer en meer tot een toestand van overmatig wakker zijn, die haar vitaliteit ten laatste moet verteren en uitputten. Hetzelfde publiek, welks zintuigen iedere Ideinste verandering in zijn blikveld registreeren, blijft afgestompt en ongevoelig tegenover de zwaarste schokken in de diepten der menschheid — offer niet zoozeer van zijn vitale behoefte naar wisseling van prikkeling en ontspanning, maar van den boom, die deze behoeft© botweg onderv/erpt aan de oekonomische eischen van het kapitalisme;

2o. Maar nog ki'asser dan deze boom gri pt intusschen dg tweede maatregel in de zielsgesteldheid der moderne massa's in. Zij bestaat voornamelijk daarin langzamerhand alle voortbrengselen der industrie, en gelijk wij zien zullen, niet van de industrie alleen! aan die verwonderlijke stijlwisseling te onderwerpen, die tot nu toe in de gedaante der mode meest alleen dingen als Meeding, haardracht, enz. betroffen heeft. Nu echter komt het juist met het revolutionair karakter van het kapitalisme en zijn werlrmiddelen overeen, als het deze stijlvarialie aan al zijn producten oplegt, ja, als het ze tot alles uitstrekt wat in den eigeiüijken zin van het woord in het geheel niet meer een industrieel product, maar iets van geestelijken aard is.

Wie de praktijk der haogkapitalistische productie werkelijk begrepen heeft, zak zich daai-om niet overmatig erover verwonderen, dat de moderne industrie waren van boogste duurzaamheid dikwijls in het geheel niet meer op de markt brengt en b.v. sommige soorten duurzame weefsels opzettelijk met draden doorschiet, die deze duurzaamheid verminderen, integendeel het verslijten bevorderen. Gelijik de tokstielikidustrie gaat iedere andere industrie te werk, die zichzelf door maar steeds aan te komen met nieuwe, nieuwere, nieuwste, allernieuwste modellen in de heftigste concm-rentie wikkelt en door zulk een toch eigenlijk recht belachelijk doen al het nauwelijlcs ontstane al weer veroaderd en onbruikbaar doet schijnen. Verwierf in den „goeden ouden tijd" de verbruiker een verbmiksgoed met het voornemen dit zoo mogelijk levenslang te gebruiken, de kapitalistische bedrijfsvorm duldt binnen haar gebied eenvoudig niets, wat op duurzaamheid lij^ct. - Duurzaamheid, zoo mogen wij wel zeggen, is die waarde van door den mensch vervaardigde dingen, welke dit systeem op de meest besliste wijze uitsluit. Wie tegenwoordig een hemd, een costmim, een paar schoenen koopt, zal spoedig vei-plicht zijn een hemd van iets ander mode!, e& a costuum van iets andere • snit, een paar schoenen van iets andere kleur en vorm te koopen. Juist zoo met meubilair, piano's, auto's, huizen, — wat aan

materiaal ai te zeer weerstand biedt om met de gewensclite snelheid overbodig te worden, wordt door de conventie eenvoudig met het stigma der achter-Igkheid gebrandmerkt en daardoor voor wagestolden 'Opzettelijk ongeschikt gemaakt. En waar dit geldt Toor dameshoeden en balkleederen, machines en motoren, stedenbouw en verkeersmiddelen, daar gaat men verder en wordt hot juist zoo met standbeelden, gedichten en muziekwerken, wetenschappen en wereldbeschouwingen, rechtsvoorstellingen en geloofsovertuigingen, moralen en reagies.

Als alles zijn tijd heeft, zoo zet het kapitalisme zijn eerzucht daarin heelemaal geen tijd te hebben, noch tijd toe te staan. In waarheid bestaat hier het meest dringende belang daarin den tijd tot het minste in te krimpen, en wanneer het met dit streven ten slolte succes heeft buiten het gebied der industrie in het gebied der hoogere cultuur, zoo is juist deze noodlottige verbinding van twee op zich zelf in den grond verschillende spheren voor dit tijdperk karakteristiek. Het is reeds zoo, — .gelijk men de sokken vandaag alleen gestreept en morgen alleen gespikkeld draagt, gelijk men heden alleen naar vlier en morgen naar lavendel riekt, zoo vordert de goede toon heden zich frank als vrije geest te gedragen en morgen met vrome aandacht de mis niet te verzuimen, natuurlijk als.... de danszaal niet nog sterker trekt. Van de meest gewilde chocolade tot den a la mode vereerden God, die vandaag door Darwin en Haokel, morgen door Pater Przywara en Gogarten geïnterpreteerd wordt, regelt in dit gezegende tijdperk de sociale dwang, om tot eiken prijs op de hoogte van den tiJd te zijn, elke menschelijke beslissing. En aan deze tyrannie der mode onderwerpen zich dezelfde grootsteedsche massa's, die sinds lang goddelijke noch menschelijke instanties boven zich dulden, met een waarlijk slaafsche onderworpenheid en men vindt het uitstekend, dat de soort der belangrijkste gebruiksgoederen even despotisch wordt opgedrongen en kant en klaar geleverd als de „wereldbeschouwing". Voltrok zich eens de groote stijlverandering van historische perioden onmerkbaar, statig en langzaam in het levend rhythme, dat de processen en gedaanteverwisselingen van het organisch leven kenmerkt, zoo voltrekt het zich nu in een heet en overhit tempo. Een onderscheid, dat zich laat verduidelijken aan land-en industriearbeid. De eerste wordt voor immer onlosmakelijk in den heiligen kringloop van het zonnejaar ingevlochten, blijft zoo één van zin met den . polsslag der schepping; de tweede, voor altijd uit dezen grooten samenhang losgemaakt, volgt het doelbewust berekende stopwatch.

Dr v. Senden noemt het hier getypeerde verschijnsel „een der kankerbuilen van ons moderne leven".

Het citaat is lang, maar het valt moeilijk te verknippen.


1), J. H. Kok, Kampen. BJ. 28.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1929

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1929

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken