Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Artikel 16 der Zendingsorde.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Artikel 16 der Zendingsorde.

8 minuten leestijd

In ons vorig artikel over de gezangenkwestie op ons zendingsterrein van Midden-Java ten Zuiden, was ook sprake van art. 16 der Zendingsorde.

In zijn schrijven toch aan de Generale Synode maakt Ds van D'ijk van Keboemen van dit artikel melding, daar hij van meening is, dat onze missionaire predikanten in strijd hebben gehandeld met dit artikel, door de invoering van een liederenbundel op ons zendingsterrein. Tevens berichtte hij, dat de vergadering der missionaire predikanten zou voorstellen aan de Synode, dit artikel te wijzigen.

Hoe luidt nu dit artikel?

„De bij den Dienst der Zending te gebruiken Bijbelvertalingen, leerboeken voor Catechetisch onderwijs, de forme van de toelating tot het Heilig Avondmaal, Liturgische formulieren voor den dienst in 'de vergadering'en van Inlanders, alsmede wat bestemd is daar gezongen te wo-rden, wordt door de Afzonderlijke Vergadering van de Dienaren 'des Woords, na gehoord te hebben de kerken van Europeanen op het Zendingsterrein en de Inlandsche kerken, beoordeeld en aan de goedkearing der Generale Synode onderworpen".

Er wordt dus in dit artikel duidelijk onderscheid gemaakt tusschen. de „vergaderingen van Inlanders", en de „Inlandsche Eerken".

Die vergaderingen zijn de bijeenkomsten van Inlanders, Javaansche mannen en vrouwen en hun kinderen, gedoopt en ook ongedoopt, waarbij de missionaire dienaar of zijn helpier het Evangelie brengt.

De Inlandsche kerken zijn echter heel wat anders; het zijn nu niet maar samenkomsten van personen, die nog vreemd zijn aan het Evangelie en (of) het Evangelie reeds hebben aangenomen; maar het is de 'vergadering der geloovigen geworden als Kerk des Heeren, onder leiding van eigen gekozen ambtsdragers.

In art. 16 nu wordt aangaande die „vergaderingen van Inlanders" gezegd, dat wat daar gezongen zal worden, door de missionaire predikanten zal worden beoordeeld; zij beoordeelen dit echter niet zelfstandig, doch zij moeten daartoe de kerken van Europeanen op ons zendingsterrein hooren, en ook 'de bestaande Inlandsche kerken. En dan mogen die missionaire predikanten nog niet zelf een beslissing nemen, maar dan moeten zij hun oordeel aan de goedkeuring der Generale Synode onderwerpen.

Van hetgeen er in de Inlandsche kerken zelf zal worden gezongen, spreekt art. 16 niet met zooveel woorden. Maar het is er toch wel uit af te leiden: zij beslissen daar zelf over. Noch de missionaire predikanten, noch de Generale Synode, hebben in 'dezen aan de Inlandsche kerken de wet voor te schrijven. Terecht schreef dan ook reeds in 1903 Ds L. Adriaanse in zijn boekje: „De nieuwe koers in onze Zending of toelichting op de Zendingsorde", o.a. deze woorden: „Als een Inlandsche kerk geïnstitueerd is, dan heeft de kerkeraad van 'die Inlandsche kerk te beslissen, welk© Liturgische formulieren zullen gebruikt worden in haar midden, wat er in haar samenkomsten zal gezongen worden, hoe de toelating tot het Heilig Avondmaal bij haar zal geschieden enz."

Dit onderscheid moet dus goed vast worden gehouden: „vergaderingen van Inlanders" en „Inlandsche kerken". Slechts na goedkeuring van de Syno'de mogen missionaire predikanten uitmaken, wat er in die vergaderingen der Inlande'rs zal worden gezongen; maar de Inlandsche kerken beslissen zelf, zonder goedkeuring van missionaire predikanten ., en (of) Generale Synode, wat men zingen zal.

kidien wij, alzoo-artikel 16 onzer Zendingsorde lezende, opnieuw de vragen lezen, welke Ds van Dijk aan de Generale Synode voorlegt, en die wij de vorige maal lieten aJdrukken in ons artikel, dan komt de vraag bij' ons op, óf Ds van Dijk dit onderscheid wel in het oog heeft gehouden. En bij het lezen van heel zijn adres, blijft deze vraag ons kwellen.

Nu deelt Ds van Dijk ons mede, dat de vergadering van missionaire predikanten aan de Generale Synode een wijziging van art. 16 zal voorstellen. De juiste formuleering van deze wijziging kennen wij niet; maar Ds van Dijfc schrijft, dat de inhoud deze is: „dat wat bestemd is daar (n.l. in de Inlandsche gemeenten) gezongen te worden, aan de goedkeuring der Generale Synode wordt onderworpen, zoolang de Inlandsche kerken nog niet in geregeld kerkverband samenleven. Zoodra dit laatste wel het geval is, zal de vaststelling van het vorengenoemde voor de diensten in die kerken aan de Inlandsche kerken worden overgelaten".

Laten wij 'echter die voorgestelde wijziging rusten, dan is art. 16 toch van belang bij het beoordeelen van de gezangenkwestie op ons Javaansch zendingsterrein.

Dit blijkt uit het rapport, ingediend op de Synode I van Utrecht 1905. In dit rapport spreekt de Afzonderlijke Vergadering van dienaren des Woords als haar oordeel uit over hetgeen gezongen moet worden :

„Nog altijd bestaat er geen comp'lete Javaansche psalmberijming. Er zijn wel enkele uitgaven van een aantal psalmen op rijm, maar de grootste uit> gave bevat er toch niet meer dan 78. Opdat in de vergaderingen alle psalmen kunnen gezongen worden, is het noodig, pogingen in het werk te stellen, om een completen Javaanschsn berijmden psabnbundel te verkrijgen, met zoo weinig mogelijk oud-Javaansche woorden, wijl deze door het volk niet worden verstaan."

De Synode achtte zich niet in staat, over al deze punten een genoegzaam oordeel te vellen, doch betuigde in het algemeen instemming met de gedane voorstellen.

Maar de Synode besloot ook, „dat zij aan de Afzonderlijke Vergadering overlaat, deze voorstellen uit te werken, en, van vertaling vergezeld, in te zenden bij de deputaten voor de zending, die ze met hun advies aan de volgend© Generale Synode voorleggen".

Er blijkt dus uit het meegedeelde, dat de Synodte van Utrecht in 1905, ernst makende met art. 16 der Zendingsorde, van oordeel was, dat er een volledige psalmberijming moest komen, en dat de missionaire predikanten dienaangaande een voorstel zouden doen, of zelfs nog verder zouden gaan.

Echter, wij lezen in de acta der volgende Synodes niets van deze dingen. Over den psalmbimdel wordt niets voorgesteld.

Wat doen echter de missionaire predikanten op Midden-Java?

Houden zij zich aan die Synodale uitspraak?

Komen zij met een uitgewerkt voorstel inzake den psalmbundel bij de Generale Synode?

Wij hooren er niets van, dat zij dit doen.

Maar wel werken zij samen met andere zendingsarbeiders op Java, ter verkrijging van een liederenbundel, waarin slechts 48 psalmen voorkomen.

En het pogen van Ds K. van Diijk van Keboemen, om zijn vertaling en berijming van alle 150 psalmen in te voeren op ons zendingsterrein, wordt verhinderd.

Inderdaad, het is noodig, dat onze kerken hierover volledig en juist worden ingelicht. Want indien de missionaire predikanten in de vergaderingen van Inlanders dezen nieuwen liederenbundel hebben ingevoerd, dan hebben zij in strijd gehandeld met art. 16 der Zendingsorde, en ook zijn zij zoo ingegaan tegen het oordeel onzer kerken, in 'de Generale Synode van Utrecht uitgesproken, dat wij op ons zendingsterrein een volledigen psalmbundel behooren te hebben.

Hiernaast nu staat de kwestie van de Inlandsche kerken. Deze kunnen zelf beslissen, wat zij zullen zingen.

Maar het is toch duidelijk, dat, als onze zendelingen in de vergaderingen der Inlanders allerlei liederen laten zingen, de Inlandsche kerken dit ook zullen doen. Dan zijn de Inlandsche kerken in die richting geleid en opgevoed.

In verband hiermee wijzen wij op een mededeeling van dr Esser in het blaadje „Uit Roerbolinggo" no. 7, 1930. Er was toch, zoo schrijft hij, op zijn terrein een vergadering gehouden van de vijf kleine Javaansche geïnstitueerde kerken; er kwam ter sprake ook, wat voortaan in de godsdienstoefeningen gezongen zou worden. Twee kerkboeken dongen om den voorrang: het liederenboek, en 'de 150 psalmen van Ds van Dlijk. „Het nadeel was van 'dat liederenboek, dat er betrekkelijk weinig psalmen in opgenomen zijn. Dit bezwaar woog bij mij (dr Esser) zoo zwaar, dat ik met klem van redenen tot het laatst toe ervoor geijverd heb, dat beide boeken naast elkaar zouden gebruikt worden". Toch kozen die Inlandsche kerken voor het liederenboek, en wezen de psalmen af; waarom? In de eerste plaats stelde men de eenheid van alle Javaansch-sprekende Christengemeenten op prigs, een eenheid, die beter zou uitkomen, wanneer overal hetzelfde werd gezongen; ten tweede, men vond het hebben van twee kerkboeken naast elkaar te bezwaarlijk!

Maar hebben wij in deze betreurenswaardige beslissing niet het resultaat van de historie, die eraan voorafgaat? Als men eerst in de vergaderingen der Javanen de liederen Iaat zingen, is het dan te verwonderen, dat de Javanen, als zij als kerken zijn geïnstitueerd, die liederen blijven zingen? Temeer ligt dit voor de hand, omdat onze missionaire predikanten zelf ertoe hebben meegC'werkt dien liederenbundel saam te stellen en uit te geven! Hier maait men, wat men gezaaid .heeft!

Dr Esser stelde voor aan de Inlandsche kerken op zijn terrein, om beide bundels te gebruiken: die der liederen en die der psalmen van Ds van Dijk. Doch Ds van Dijk deelt in zijn schrijven aan 'de Synode van Arnhem mee, hoe o.a. dr van Andel hiertegenover staat: „Men spreekt van beide boekea ongehinderd hun loop waarborgen in de Javaansche kerken; maar wat zegt dit, aJs' de Christelijke boekhandel in Solo, die natuurlijk heel den verkoop van boeken in dit gebied beheerscht, de 150 psalmen in het geheel niet in den handel brengt", en „idr van Andel, het Woord bedienende in de ge-

meente van Djocja, Hi© de 150 psalmen geb'raikt in haar diensten, en terwijl overal in de kerk exemplaren van de 150 psalmen waren klaar gelegd, het noodig vond uit een boek, dat men ia Djocja nauwelijks kende, drie gezangversjes te laten zingen, en het eenige vers van psalm 133, dat in dat boek voorkomt en daar op de wijs van psalm 84 staat". Er zou dus nog al verschil van gevoelen zijn onder de missionaire predikanten inzake d© gezangenkwestie.

Wij eindigen, hoewel er nog heel wat over deze zaak te zeggen zou zijn.

Nogmaals, het is ons niet mogelijk, een volledig oordeel te vellen over deze dingen. Dat staat ook niet aan ons; dat zal de Generale Synode doen. Het was alleen onze bedoeling, de aandacht onzer lezers te vestigen op deze hoogst belangrijke zaak: de gezangenkwestie op ons zendingsterrein.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 8 August 1930

De Reformatie | 6 Pagina's

Artikel 16 der Zendingsorde.

Bekijk de hele uitgave van Friday 8 August 1930

De Reformatie | 6 Pagina's

PDF Bekijken