Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nog eens: Geloofsverzekerdheid.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Nog eens: Geloofsverzekerdheid.

6 minuten leestijd

Naar aanleiding van het antwoord, dat ik in het nummer van 7 Nov. gaf op de vraag, of ieder geloovige vóór zijn dood tot verzekerdheid van zijn genadestaat komt, ontving ik een drietal brieven met bedenkingen en met nieuwe vragen, die me noodzaken nog even op dit onderwerp terug te komen.

M. te M. zou de vraag nog graag wat breedvoeriger beantwoord hebben, onder nog meer argumentatie uit de Schrift.

Aan dit verzoek kan ik, tot mijn spijt, niet voldoen. Zakelijk is mijn antwoord, naar ik meen viij volledig, al is de vomi zoo beknopt mogelijk. Bovendien mag ik, bij de vele vragen die wachten, , en bij de beperkte ruimte die elke rubriek in ons blad toegewezen is, niet te lang bij één onderwerp stilstaan.

H. te A. had gehoopt iets te zullen vernemen over de oorzaken van het gemis van verzekerdheid bij veel geloovigen.

Hem moet ik antwoorden, dat hij zich ten onrechte teleurgesteld voelde, wijl de vraag die me gesteld werd, niet de oorzaken van 't gemis van verzekerdheid gold, doch enkel hierover licht wilde hebben, of de verzekerdheid, in dit leven, al of niet het deel wordt van ieder geloovige.

'k Mocht daarom niet geven wat hij wenscht. Kan dat, om andere vragers niet ongeduldig te maken, ook nü niet doen. Doch wil zijn vraag, die stellig een zeer belangrijke is, noteeren, om haar, zoodra ik er de gelegenheid voor vind, hier te beantwoorden.

Breeder moet ik ingaan op een sclirijven vaa R. te B.

Ook R. doet me een vraag. Doch dkt is er eene die ik, - naar hij zelf had moeten bedenken, niet kan beantwoorden. Of ik iets niet beter weet dan hy,

staat natuurlijk niet aan mij te beoordeelen. 'kLaat dat graag aan R.'s eigen oordeel over. — Verder blijkt, dat ook R. in mijn antwoord zocht, wa.t hij er niet van verwachten kon. Hij bestrijdt het, alsof ik beweerd' had, dat niet elk geloovige, van Gods zijde gezien, tot verzekerdheid komen kan, en dat ér niet voor ieder geloovige voorv/erpe-I ij k (in Gods verbond en beloften, en in de verzegeling van beide door den Doop) voldoend© grond zou zijn om verzekerd te wezen van zijn genades taat.

Doch van het een noch het ander was er in mijn antwoord sprake. Er mocht geen sprake van zijn, omdat hei buiten de vraag lag die werd gedaan. En voorzoover er in mijn artikel een zijdelingsche strekking in deze richting was, moest die R., dunkt me, overtuigd hebben, van het tegendeel van wat hij vermoedde. Mag ik hem verzoeken nog eens rustig over te lezen 'wat ik zei van het wezen van het oprecht© geloof, als — gelijk we in Zondag 7 van den Catechismus belijden —, in beginsel de verzekerdheid insluitend ?

Oorzaak van dit en van meer misverstand bij R. was, dat hij mistastte in de opvatting van bat woord „ervaring" dat ik gebruikte, toen ik zei, dat op de vraag of allo geloovigen in dit leven tot verzekerdheid van hun staat geraken, naast de .^gchrift ook de ervaring iets te zeggen had, wijl het hier een zaak gold die ervaren wordt. R. dacht bij die ervaring aan de geest^elijke ervaring; aan de bevinding der geloovigen. Het verband waarin dit zeggen vooricwam, en vooral het licht dat het laatste gedeelte van niijn artikel erover gaf, had hem moeten doen begrijpen, dat hier met „ervaring" bedoeld was d© waarneming die we ten opzichte van het gestelde vraagstuk bij do geloovigen doen. Heeft hij dit ingezien, dan zal het hem ook duidelijk zijn, dat hij tegen windmolens schermde, toen hij mij bestreed alsof ik den grond der verzekerdheid verlegde van het Woord Gods in do g-eestelijke bevinding.

Trouwens, al weer had wat ik van het vrezen en de werking des geloofs zeide, hem kunnen overtuigen, dat hij zich daarin vergiste.

In verband met dit misverstand schrijft R. veel over den weg waarin de Heilige Geest een geloovige tot verzekerdheid doet komen, dat langs mijn artikel heengaat, en waarop ik, omdat het buiten de gesteld© vraag ligt, hier niet mag ingaan.

Laat rao er toch even dit van mogen zeggen: a, t ik het volkomen eens ben met R. dat w© niet anders dan door het geloof tot verzekerdheid van onzen staat komen; doch dat dit niet uitsluit, dat de Heilige Geest het geloof hierbij leiden ©n steunen kan door getuigenis te geven aan zijn vferk in onze ziel, en dat inzóóver wat we bedoelen, als we spreken van „bevinding" en van „kenteekenen van genade", wel degelijk zijn beteekenis hebben kan voor onze verzekerdheid. Hebben kan en ook hééft. We herinneren aan Schriftuitspraken als 1 Joh. 3:14: Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben". Rom. 8:9, 10 en 11 en zooveel andere.

Dat zijn de „onfeilbare vruchten" der verkietzing, in het Woord van God aangewezen (als daar zijn het waar geloof in Christus, kinderlijke vreezeGods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.) waaruit naar hoofdstuk I, 12 der Dordtsche Leerregels en Heid. Catechismus, antw. 86, de geloovigen verzekerd worden van hun staat.

Deze verzekerdheid is stellig, wat aangaat den weg waarin ze tot stand komt, onderscheiden van die, di© buiten alle beschouwing van de vruchten des Geestes in ons öm, de rechtstreeksche geloofsoefening ten aanzien van Christus en van onzen God vergezelt — doch nooit komt ze buiten het geloof èm tot stand, en nooit ma^g mea haar daarom stellen tegenover de verzekerdheid des geloofs.

Ook moet ik nog even tegenspreken, R.'s beweren, dat er bij de verzekerdheid geen plaats voor de onderscheiding van trappen in de genade zou zijn, omdatmen op èlken trap van zijn staat verzekerd kan zijn. Want dat laatste is juist niet zoo. Dat zou wél het geval zijn, als het in het genadewerk des Geestes in ons hart, naar methodistische opvatting, mechanisch toeging. Doch dat kan niet zoo wezen, nu daarin alles organisch verloopt. Nu wordt er wel terdege voor de verzekerdheid een geloofswerking vereischt, een kennende zoowel als een vertrouwende, die niet op eiken trap van genade denkbaar is.

R. zal me toestemmen, dat iemand zeer wel wedergeboren, dat wil dan zeggen: „g©est©lijk levend-gemaakt" kan zijn, zonder zich nog bewust te wezen van zijn verzoening met God en van zijn aanneming tot kind. En is dat zoo, dan blijlct daar ook uit, dat do verzekerdheid niet op èlken trap van genade mogelijk is.

Alleen maar — men boude dit begrip „trap" vrij van allen tijdsduur, en denke daarbij uitsluitend aan graden van kracht en groei in het geloofsleven.

Ten slotte nog déze opmerking, dat ik Dordtsche Leerregelen I, 12 niet foutief aanhaalde, zooals R. meent, maar van letter tot letter volkomen correct, naar de uitgave van de Drie Formulieren van Eenigheiddoor Dr A. Kuyper, bij J. A. Wormser, 1887.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

Nog eens: Geloofsverzekerdheid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken