Bekijk het origineel

Borgen baart zorgen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Borgen baart zorgen.

8 minuten leestijd

II.

c. Laten wij thans nagaan in welken vorm men in den tegenwoordigen tijd verbintenissen aangaat, die weliswaar heel andere benamingen dragen, doch in wezen niet anders zijn dan borgverplichtingen.

Dan mogen hier achtereenvolgens genoemd worden: het nemen van aandeelen in het kapitaal van naamlooze vennootschappen met gedeeletlijke storting; het lid worden van. een coöperatie; het nemen van credieton bij eenige instelling, waarbij men, krachtens de voorwaarden, ipso facto zich mede aansprakelijk stelt voor alle verplichtingen van zulk een instelling: het toetreden tot allerlei kassen e.d. in wier reglementen staat, dat de verplichtingen van de kas worden gedragen door de leden, enz. enz. Wij noemen hier slechts enkele van de belangrijkste vormen en willen daaraan thans eenige woorden wijden, omdat wellicht aan niet alle ïëzers al die vormen goed bekend zijn.

IIIa. Allereerst dan de aandeden in Naamlooze Vennootschappen met z.g. gedeeltelijke storting. Men verstaat hieronder een stuk, waarop men voorloopig slechts b.v. 10 pet. heeft te storten, de resteerende 90 pet. kunnen eventueel (dus niet: zullen persé eens) worden opgevraagd. In de meeste gevallen hoort men dan ook van de zijde der aanbieders, en rekent practisch elke houder er op, dat die bij'storting nimmer noodig zal blijken. Om getallen te noemen: men begint met f 100 te storten en aanvaardt 'daarmede tegelijkertijd de verplichting om, bij gebleken noodzaak het resteerend bedrag van f900 te betalen.

De noodzaak, evenbedoeld, wordt meestal vastgesteld door het bestuur der vennootschap; de bezitter van het stuk zelf heeft meestentijds zoo goed als niets daarin te zeggen, ook al is hij krachtens het bezit van het aandeel één van de eigenlijke vennooten.

Men vindt dit soort aandeelen bij tal van ondernemingen, die hun werkkapitaal vooral trachten te verkrijgen uit gelden van nog weer anderen geleend, (op obligaties, pandbrieven e.d.). De hypotheekbanken en de verzekering-maatschappijen zijn wel da meest voor de hand liggende voorbeelden en ook de meest bekende der instellingen, die met zulk soort aandeelen aan de markt komen. Het heeft geen zin hier verder na te gaan, welk soort instellingen bovendien nog dergelijke aandeelen onder het publiek plaatsen; het gaat thans niet om de soorten der vennootschappen, het gaat om het instituut van de aandeelen met gedeeltelijke storting. Het eigenaardige nii van deze aandeelen is, dat menigeen^ die b.v. slechts f 1000 beschikbaar heeft en dus bij wèl-volgestorte stukken slechts één aandeel zou kuimen koopen, thans zich rijk genoeg waant om zijn f 1000 te besteden voor den aankoop van 10 aandeelen, waarop hij immers slechts 10 maal f 100 is ook f 1000 te storten heeft. Maar tegelijk echter aanvaardt zoo iemand een verplichting van f9000, te betalen op eerste aanvraag.

b. WelKe is nu de feitelijke beteekenis van het z.g. „obligo" (de even.bedoelde 90 pet. voorloopig niet gestort), hetwelk elke nemer van een aandeel op zich neemt?

Een goede illustratie daarvan vindt men in het bedrijf van de z.g. Amerikaansche Hypotheekbanken. Hieronder verstaat men die hypotheekbanken, welke wel haar zetel hebben in Nederland en de meesten van haar aandeelhouders ook vinden onder het Nederlandsche publiek, doch haar eigenlijk werklOTTOT^öëken en vinden in Amerika, meestal Canada, waar men geld verstrekt aan de daar gevestigde boeren, die dan tot zekerheid van het geleende geld hypotheek verleenen op hun landerijen. De organisatie van dergelijke hypotheekbanken begint dus formeel in Nederland. De leiding van het hoofdkantoor berust bij min of meer achtenswaardige lieden (dikwijls zeer achtenswaardige) en wordt voortgezet met een hoofdvertegenwoordiger, ergens aan den overkant van den Oceaan, laten we zeggen New-York; deze heeft meestal in de gtreken, waar de farmers wonen, zijn agenten, die uiteindelijk het verband moeten leggen miet de boeren, die het geld opnemen, hetwelk uit Nederlandsche beurzen wordt gehaald. Wij herinneren er hier aan, dat deze gelden meestal niet van aandeelhouders komen; de geringe 10 pet., welk© deze storten, is meestal bestemd voor de eerst© uitgaven, waaronder ook de inrichting van den hoofd-zetel. Het eigenlijke geld, waarmede de Bank werkt, komt van z.g. pandbriefhouders.

Wanneer men nu deze keten langs gaat, dan is het voor ieder gemakkelijk te begrijpen, dat er in •deze groep slechts één of meer menschen, wier verantwoordelijkheidsgevoel niet sterk genoeg ontwikkeld is, behoeven te zijn, om een ramp te veroorzaken. Een tweede factor, die een catastrophe kan bewerken, is de volstrekte afhankelijkheid van de boeren van de oogstopbrengsten; vallen die opbrengsten tegen, dan zijn zij niet in staat hun rente en aflossing te betalen; de, in theorie, altijd voorgehouden executie is practisch niet uit te voeren, omdat in tijden van prijsdalingen de serieuze koopers voor de landerijen ontbreken. Zoo ontstaat al heel spoedig de toestand, dat de hypotheekbanken geen inkomsten krijgen uit Amerika, terwijl zij toch haar inkomsten strikt noodig hebben voor de betaling van rente en aflossing aan haar geldschieters, t.w. de houders van de door haar uitgegeven paridbrieven (niet aandeelen). Deze pandbriefhouders echter kunnen een zuiver materiöele behandeling eischen; zij kunnen, ongeacht den toestand in' Amerika, van hun schuldenares betaling veilangen van de vervallen coupons etc. en, bij in-gebreköblijven van c}e Bank, deze in rechten aanspreken. Gebeurt dit, dan is het eerst aangewezene, hetzij' voor het bankbestuur, hetzij voor een eventueelen bewindvoerdei' of curator: van de aandeelhouders eischen, dat ze voldoen aan hun verplichting, om de eertijds niet-gestorte 90 pet. te betalen. En dan is het oogenblik daar, dat ieder© aandeelhouder voor de plotselinge zwarigheid komt te staan oni, naar gelang hij aandeelen bezit, f900 per stuk op tafel te leggen. Meestal mag hij zich daarbij nog

niet eens troosten, dat hij een aandeel in een alleszins goed gefundeerde vennootschap behoudt, want de noodzaak van het treffen van den maatregel van bijstorüng wijst meestal ook op een reeds lang ingetreden nood-toestand, welke in den regel zoo diep ingrijpt, dat het aandeel tevens een waardeloos stuk moet worden geacht.

Wie dit alles indenkt moet komen tot de erkentenis, dat ieder, die een aandeel in een dergelijke vennootschap neemt, toch eigenlijk niets anders doet dan zich toevertrouwen aan den „vreemde", waartegen het Spreukenboek zoo ernstig waarschuwt. Die vreemde kan reeds zijn de hoofddirectie in Nederland, welke toch meestentijds aan den persoon van den aandeelhouder onbekend is. Maar zeer zeker zijn de hoofdvertegenwoordiger en de verdere personeel-leden, door een Oceaan van ons gescheiden, volslagen onbekenden voor het Nederlandsche publiek. Men kan niet eens vertrouwen nog, dat de hoofddirectie in Nederland haar vertegenwoordigers zóó kent, als noodzakelijk zou zijn, om te kunnen beweren, dat men de belangen van het Nederlandsche publiek niet aan „vreemden" heeft toevertrouwd. En tenslotte zijn de boeren in Amerika toch ongetwijfeld onbekenden, vreemden. Wij willen nu hier niet ingaan op een tegenwerping, die men zou kunnen maken, door ta zeggen, dat de mislukking van een of enkele boeren toch niet direct een ramp behoeft te veroorzaken; wij zouden daannede te diep moeten treden in de technische bijzonderheden van deze bedrijven. Hoofdzaak is, dat wij hebben willen duidelijk maken, dat elk aandeelhouder, in het boven geschetste geval, zijn hebben en houden toevertrouwt aan „vreemden”.

c. Wij hebben boven het geval van de Amerikaansche hypotheekbanken genoemd als een der sterk sprekende voorbeelden; uiteraard zijn de bezwaren niet overal zoo groot. Het zou ons thans echter te ver voeren, indien wij de verschillende soorten van ondernemingen in „gevarenklassen" gingen indeelen. Dit is ook niet noodig; de hoofdstelling blijft onbetwist en algemeen, dat ro.en t.a.v. zulke aandeelhouders moet volhouden, dat ze „in de hand klappen" voor een „vreemde".

d. De viaag rijst of dan het instituut van aandeden met gedeeltelijke storting zoo volstrekt verwerpelijk geacht moet worden, dat het beter afgeschaft ware. Wij zijn geneigd die vraag bevestigend te beantwoorden. Oogenblikkelijk volge daarop, dat wij ons niet de minste illusie maken, dat dit instituut spoedig verdwenen zal zijn en willen daarom nader de vraag stellen welke menschen wel en welke niet tot het nemen van zulke stukken mogen en kimnen besluiten. En dan kan, onder veel uitweidingen, in het algemeen, gezegd worden: slechts zij, die zéér vermogend zijn, nauwkeurig zijn in het vaststellen van hun verplichtingen en de wilskracht hebben om van hun overig vermogen een zoo groot deel af te zonderen en te beleggen 'in liquide middelen, zoodat een aanvraag tot volstorting hen niet in verlegenheid brengt, noch vanuit liquiditeits-, noch vanuit inkomsten-standpunt bezien, mogen wél zulke aandeelen nemen. Doch ieder, die deze eigenschappen niet bezit, doet beter zulke stukken niet in zijn portefeuille te nemen.

In dit verband zij nog herinnerd, aan het voorbeeld van enkele vennootschappen, die, wél zich conformeerend aan het algemeene organisatieplan van haar bedrijf, niet-volgestorte aandeelen uitgeven, doch anderzijds ook niets hebben willen prijsgeven van de zekerheden, welke het z.g. aandeelen-kapitaal aan de crediteuren behoort te bieden, en daarom van eiken aandeelhouder voor het volle bedrag van zijn oblige, een onderpand eischen in bijv. gemakkelijk-realiseerbare fondsen. Daardoor worden die vennootschappen dus in staat gesteld om, als de nood aan den man komt, haar crediteuren tenminste ook dit reserve-kapitaal als een v/erkelijk-bestaande grootheid aan te bieden; de aandeelhouders ondervinden daarvan geen noemenswaarde schokken. Dit voorbeeld, o.a. gesteld door een der grootste en oudste Nederlandsche Hypotheekbanken, vindt, jammer genoeg, nog te weinig navolging. De redenen hiervan laten wij hier thans maar onbesproken.

A. SCHILDER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

Borgen baart zorgen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken