Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het wezensverschil van man en vrouw.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het wezensverschil van man en vrouw.

11 minuten leestijd

III. (Slot.)

De gedachtengang, die mij in het voorgaande bewoog was deze: de man denkt over het leven, hij denkt over zichzelf, over de wereld en over God; de vrouw doorvoelt het leven, en haar bewustzijn overtuigt haar van de juistheid van datgene wat zij onmiddellijk, als het ware instinctief doorschouwt. De vrouw heeft, om dat zoo uit te drukken, meer deel aan het leven, in eiken vorm. Zaj is meer met het leven saamgeweven, het wonder verrassende mysterie van het leven, dat zijn uitgangspunt heeft in God, de Heer van alle leven! Het leven openbaart een goddelijke rede, die zich slechts zeer ten deele door de menschelijke rede laat doorzien; en met die bovenmenschelijke rede is de vrouw vanzelf verbonden, omdat zij er ook zelve uit leeft, direct, zonder bedenkingen en zonder tegenweer, in harmonie. De man wil dat zelfde levensgeluk alleen deelachtig worden door het redelijk inzicht van zijn verstand. Hij staat voor het groote gevaar, door de beperktheid van alle menschelijk denken, om van de werkelijkheid meer te vervreemden, dan om haar nader te komen. Daarom is de goede vrouw hem ter hulpe, ook in dit allerhoogste: de beperktheid van het menschelijk denken te aanvaarden en diep te buigen voor de heerlijkheid Gods!

De man denkt meer dan de vrouw! Menschenrassen met minder intellect hebben kleiner schedelinhoud dan hoogstaande rassen, en steeds hebben de vrouwen een Ideiner schedelinhoud dan de mannen van hetzelfde ras. Dit feit is door alle onderzoekers voor alle volken^ die tot heden onderzocht zijn, bevestigd geworden. (Hoernes.) Het spelend vernuft der vrouw heeft hiertegen als bezwaar ingebracht, dat de hersenen van den man daarom grooter zijn, omdat hij in zijn geheel zwaarder van lichaam is. Dit bezwaar gaat echter niet op omdat relatief genomen de schedelinhoud van den man zwaarder is. Daarenboven is de hersenmassa van den man ten opzichte van de overige zenuwmassa van het lichaam zwaarder dan zulks bij de vrouw het geval is. Dit geslachtsonderscheid vindt men dus overal als principe, ook bij de natuurvolken. Het kan ons niet verklaard worden daardoor dat bij beschaafde rassen de mannen tot heden toe meer intellectueelen arbeid hebben verricht dan de vrouwen. Het ruggemergszenuwstelsel van de vrouw is weer grooter dan van den man, gelijk ik ü reeds eerder heb meege-^ deeld, hetgeen evenals andere „vrouwelijke kenmerken weer in verband moet worden gebracht met de grootere rol die de vrouw bekleedt in het voortplantingsleven van den mensch.

Trouwens de vrouwelijke schedel is in zijn geheel meer primitief dan de manlijke schedel, en staat in tusschen kinderlijken en manlijken schedel. Eu wat voor de hersenen en voor den schedel geldt, geldt ook voor het lichaam in zijn geheel. Het vrouwelijk lichaam is meer kinderlijk, maar voor zoover het in dienst der voortplanting staat, is het meer van het kinderlijk type verwijderd dan het manlijk lichaam. Ten gevolge van deze geslachtelijke belasting is de lichaamskracht der vrouw ook relatief geringer, en wel twee derde van die van dea man, ofschoon de yrouw noch wat lichaamsgrootte, nóch wat lichaamsgewicht betreft een derde bij den man ten achter blijft. De onderzoekingen hebben ons geleerd, dat de vrouw door groote oefening haar lichaamskracht wel aanzienlijk kan vermeerderen, maar dat zij toch minder kracht heeft dan de man. Bovendien schaadt zulk een overmatige hchaamsoefening de vrouw meer dan den man. Zij voert bij de vrouw tot onvruchtbaarheid, gelijk ook met te groote geestelijke inspanning het geval is.

(Dr. Joh. Thies.) De phantasie over oorspronkelijke gelijkheid van geestelijke en lichamelijke eigenschappen van man en vrouw zijn volstrekt onwetenschappelijk! De man vertoont uitbarstende energie, de vrouw meer stabiliteit en conservatisme, haar krachten sparend en ophoopend voor de creatie van het nageslacht. De stofwisseling der vrouw is dan ook een andere, de vrouw beschikt over reservekrachten meer daii de man. Lichamelijk en geestelijk kan zij meer verduren, „zij bouwt en bewaart”.

Vandaar dat we alle reden hebben om de vrouw voorzoover dat mogelijk is te vrijwaren van arbeid op de publieke markt des levens, haar voor het lawaai van de straat te beschermen!

Haar wezen eerbiedigend in haar opofferend hart, haar intuïtie, haar wijs gevoel, voelen wij het hoe de vrouw het leven versiert! Goethe heeft de eerste schoonheidsbegrippen van zijn moeder ontvangen; later heeft hij dat dichtend herdacht:

_„Vom Vater hab ich die Natur Des Lebens ernstes Führen Vom Mütterchen die Frohnatur Und Lust zu fabuliren!

Alzoo is de vrouw geroepen om de schoonheid, waarvan het leven zoo vol is, te helpen verbreiden, en om schoonheid aan te kweeken in de ziel van den man. Ik herinner U aan dat heerlijk woord van Ellen Russe: de vrouw, aan wie in de schepping de passieve rol werd toegewezen is meer dan zelf kunstscheppend, kunstbeluisterend en en kunstreproduceerend. In haar ontvankelijk gemoed neemt zij alle schoonheidsweerspiegeling op en als trouwe gezellin van den man wijst zij hem

op die schoonheid en helpt hem dus in het opvoeren van zijn geest naar God!

Altijd is het weer de vrouw die helpt, zij die geschapen is om een hulpe te zijn voor den man! Zij, die gebouwd is uit datgene wat den man ontnomen werd! En in die levensverrijliende onmisbaarheid moet zij worden gewaardeerd, al sputtert ze nog zoa tegen. Zóó en niet anders! Dwaasheid is het, dat er nog Feministen zijn, die spreken willen van een algeheele gelijkheid van man en vrouw. Wie zoo gaat redeneeren, ontvangt het vernietigend oordeel van Oscar Schmitz: „Niemand kan ontkennen, dat de individueele prestaties der vrouw in kunst en wetenschap, hoe gaarne men die ook erkennen wil, met een gerust hart. uit de geestesgeschiedenis der menschheid geschrapt kunnen worden, zonder deze ook maar in het minst te veranderen!”

Waarom komt men toch niet tot een werkelijk wezensinzicht van man en vrouw? Ach ten dien opzichte waren de middeleeuwen zooveel rijker dan onze tijd; want in dien tijd vervulde de religie een veel omvattender plaats in het leven. De wereld was den menschen toen voorwerp van gelooivige aanschouwing, en voorzoover de wereld juist werd gezien, openbaarde zij haar innerlijkheid met veel helderder intuïtieve zekerheid. Toen was het wezensverschil van man en vrouw ook niet aanvechtbaar. Het dogmatisch Feminisme is veel later opgekomen, en stamt evenals democratie en socialisme, uit den tijd. van het alles nivelleerend materialisme. En het materialisme onderscheidt geen innerlijkheid, zelfs niet naar uiterlijke wezensverschillen, iedere zedelijke waardeering houdt het voor willekeur!

Het materialisme heeft natuurlijk wel eenige verschillen móéten zien, maar het zag er allerminst den dieperen zin van: daarom oordeelde het ook dat deze verschillen van weinig beteekenis waren. En dat materialisme werkt nog duchtig na! Wonderlijk, en dat in een tijd als de onze van'psychoanalyse, van karakterologie, van graphologie, van psysiognomiek, die'toch willen inzien dat het uiterlijke het innerlijke uitbeelden wil! In onzen tijd zal men de verhouding van lichaam en ziel toch wel beter willen gaan zien, men moet toch beseffen, dat het lichaam de buitenzijde is en de ziel de onzichtbare binnenzijde van één en hetzelfde wezen! Daarin wordt de werkelijkheid veel beter begrepen, maar het materialisme is nog lang niet dood, telkens treedt het het idealisme bruut in den weg. Daarom zal de erkenning ook zoo moeilijk doorbreken, dat de manlijke ziel uit het denken leeft, maar de vrouwelijke ademt uit het beginsel .der liefde. Toch is dat de rijke zin van het leven. En het wil mij voorkomen, dat deze dichterlijke rijkdom des levens het schoonste kan opbloeien, wanneer men onze jongens en meisjes in de puberteitsperiode grootendeel'S'gescheiden houdt. Het meisje ontvangt vroeger dan de jongen haar harmonische zielerijpheid, en zóó, in de rust van haar verkregen evenwicht moet zij, als een wondemieuwe weldaad den jongen man tegentreden als, behoedster van het diepste geheimenis des levens. Daarom veracht het christelijk denken ook lederen modernen eisch van een vulgair-kameraadschappelijken omgang van jonge menschen in de rijpende, de moeilijkste periode van het leven!

Alleen door haar priesterdom is de vrouw aan den man volkomen gelijkwaardig, ja daar waar dat zich in zijn volkomen vorm openbaart, is de man geneigd om met eerbied voor de vrouw te buigen. Gelukkig is de verhouding van man en vrouw er nog altijd één van zuivere echte romantiek, ontroerend, bezielend, in elk menschelijk wezen diep verankerd. De negentiende eeuw heeft gemeend aan den mensch deze romantische beleving te moeten ontnemen, want die tijd is vol geweest van ongeoorloofd rationalisme en van opstandigheid tegen het leven en tegen God. Bitterheid heeft er toen geheerscht, denk maar eens aan Ibsen toen hij „Nora" schreef. Gode zij dank, heeft de christelijke wereldbeschouwing zich aan deze levensverarming niet schuldig gemaakt, maar het wezensverschil tusschen man en vrouw dankbaar aanvaard. Maar dat alles gedoogt dan ook niet te spreken van kameraadschap tusschen man en vrouw! Kameraadschap bestaat tusschen vrienden, de grootere fijnheid van het vrouwelijk gevoel is op den toon van kameraadschap in het geheel niet ingesteld. Gij begrijpt waar ik in onzen tijd op doel! De man moet het maar weten of hij de vrouw van haar priesterdom durft berooven. En als de vrouw daaraan werkelijk gaat toegeven valt zij van haar hooge voetstuk neer.

Haar hoogen stand te bewaren is voor de vrouw in onzen tijd zeer moeilijk. Want de „moderne" vrouw is nu eenmaal een andere. „In früherer Zeit mag es gute und böse, alte und junge Frauen gegeben haben — es gab aber keine „moderne" Frau!" D© vrouw van heden leeft veel zelfstandiger dan de vrouw van vroeger. De vrouwen vereenigen zich in een rechtsverband waartegenover de mannen het noodig oordeelen zich ook in een rechtelijk verband aaneen te scharen. Uit deze grootere zelfstandigheid zouden groote voordeden gewonnen kunnen worden. De „manlijke" wereld heeft zelve meer dan ooit behoefte aan de vrouw. De rede zonder de liefde verarmt! Zal de vrouw nu haar eigen weg vermogen te vinden, een ander en hooger ideaal weten te grijpen dan te streven naar gelijkheid aan den man? De rechten van den man zijn van anderen aard dan de rechten der vrouw. En voor het werk dat in de wereld te doen valt, heeft de man een andere taak dan de vrouw! Practisch zijn wij aan een arbeidsverdeeling voor man en vrouw in het sociale leven nog niet toegekomen. Het Feminisme is daar ook nog ver vandaan. De positie der vrouw is een totaal andere dan voorheen. Wanneer het Feminisme allereerst een oeconomische onafhankelijkheid van de vrouw beoogt, een algeheele onafhankelijkheid ook van de gehuwde vrouw ten opzichte van haar man, draagt het een onchristelijk en daarmede een onwezenlijk karakter. Maar er is ook een andere mogelijkheid. Zeer terecht is Prof. Aengenent van oordeel dat in den socialen 301 arbeid het zwaartepunt van de vrouwenbeweging moet worden gezocht. Hier ligt immers een breed en onafzienbaar veld van werkzaamheid. De erkenning van het wezensverschil tusschen mam en vrouw opent ons oog voor de werkelijkheid waarin wij leven: tot nu toe hebben de manlijke eigenlschappen in Staat en Maatschappij de hoofdrol vervuld. Wat is nu het goed recht der vrouwenbeweging? „Dat aan de vrouwelijke eigenschappen naast de manlijke een breedere plaats worde ingeruimd, niet om deze laatste te verdringen, maar om mèt de manlijke eigenschappen harmonisch samen te werken tot verbetering en verheffing eener maatschappij, die voor de helft uit mannen en voor de helft uit vrouwen bestaat". Deze woorden van Pater van den Tempel vinden weerklank in het christelijk hart. Want naar het woord van Nemilow is de biologische belasting van de vrouw zeer veel zwaarder dan van den man, waajom ons gerechtigheidsgevoel ons zegt, dat wij in de maatschappij hebben te zoeken naar verhoudingen waarin het voor de vrouw zoo gemakkelijk mogelqfc wordt gemaakt, haar biologisch juk, dat in haar periodisch leven tot uiting komt, te dragen. De opleiding onzer jonge meisjes moet daarom veranderd worden. VVant ze is bijna uitsluitend gericht op onafhankelijk oeconomisch bestaan, met miskenning van het lichamelijk en geestelijk leven der jonge vrouw. Echt vrouwelijke be-invloeding van het cultureele leven zou de overwinning kunnen brengen op het pessimisme in leven en litteratuur. Het zedelijk handelen kan door de vrouw beter worden beveiligd, omdat zij grooter ontvankelijkheid bezit voor zedelijfc-religieuze en aesthetische waarden.

Alzoo is de handhaving van het geslachtskarakter de eenige basis waarop de ontwikkeling der volkskracht kan worden verkregen, het arbeidsterrein zal naar den karakteraanleg moeten worden verdeeld! Worde deze eisch in onzen tijd met alle kracht gesteld tot opbloei eener christelijke cultuur! Dan wordt het wezensverschil van man en vrouw ook erkend als de volstrekte voorwaarde voor hun wezens-eenheid in het organisch verband van den gehuwden staat!

Dr O. J. HONIG.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

Het wezensverschil van man en vrouw.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken