Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Ze zijn één!”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Ze zijn één!”

16 minuten leestijd

Gelijk ons bleek stond Ds Gispen aanvankelijk tegen de vereeniging ^van de kerkengroepen uit Scheiding en Doleantie. 'Sinds echter neigde hij tot vriendelijker gedachte jegens de broeders, die buiten zijn kerkgemeenschap 'stonden, maar die toch, evenals hij, met het Synodale Genootschap gebroken hadden. Van lieverlee ging die vriende'lijke gedachte in matig© sympathie over. En eindelijk was hij met hart en ziel vóór de Vereeniging,

1'er inleiding op de werkzaamheden van de Synode der Christelijk© Gereformeerde Kerk, die in Augustus 1891 te Leeuwarden samenkwam, hield hij een leerrede over Philipp. 4:5. Bet was toen de vierde maal in zijn leven, dat hij zich geroepen zag op den avond, die aan de bijeenkomst der Synode voorafgaat, ©en predikatie t© houden e» voor te gaan in het gebed. Een vorig maal. Augustus 1885 te Rotterdam, had hij een keurig© preek gehouden over 1 Tim. 3:15b, die ook inj druk verscheen onder den titel: Pilaar en Vastigheid". Bij die gelegenheid wees hij er op, dat d© gemeente te Rotterdam, nu voor d© ©erst© maal, een Synode in haar midden bijeen zag, di©', sinda 1869, de uitdrukking was van eenheid d©s geloofa en des kerkelijken levens. Mannen broeders, die van het begin der Scheiding af, één waren in het geloof, waren nochtans jaren, lang, niet hel minst in deze stad, van elkander gescheiden geweest. Gedurende die jaren was het in waarheid: van buiten strijd en van binnen vreeze". Maar tot roem van Gods barmhartigheid mochten z|j thans weder een aantal jaren als broeders ook te zamen wonen, ondervindende, hoe goed en liefelijk die broederlijke samenwoning vooral in deze tijden was. „De Heere heeft ons, na strijd en verdeeldheid, den liefelijken vrede geschonken. Vastheid kreeg ons bestaan als belijdende gemeente, en tot velerlei gewichtigen arbeid werd de eens klein© em verachte Kerk geroepen".

Thans, te Leeuwarden in 1891, sprak hij over „Bescheidenheid" als ©en eisch ook voor het kerkelijk leven, 't Was een kostelijk woord, om ajle hoogheid van de ©ene kerkengroep tegen de andere neer te werpen en ook in de kerkelijke verhoudingen nederigen zin te kweeken.

In beginsel kwam toen d, an ook reeds de vefeeniging der Christelijke Gereformeerde en Nederduitsch Gereformeerd© Kerken tot stand, zoodat Gispen het volgend jaar April in „De Bazuin" ter snede kon opmerken, dat niet meer het vraagstuk der vereeniging, maar alleen d©_^quaesti© van uitvoering op de straks dagende Synode aan da orde zou komen. „De vraag: kunnen, zullen we vereeni^en? bestaat niet meer. Zij is, ten vorigen jare, van weerszijden, toestemmend beantwoord. Nu is de vraag aan de orde: hoe kunnen en moeten we handelen orn op elk© plaats, in elke classis, in elke provincie, die eenheid des kerkelijken levens in het leven te doen treden, er eene zichtbare ge» stalte aan geven, overeenkomstig den aard en de natuur der Gereformeerd© Kerkenordening ? Dat. het antwoord op die vraag heel wat hoofdbrekens kost, dat er veel beleid_, veel geduld, veel voor-i zichtigheid noodig zal zijn, om alles tot ©en goed eind© (e brengen, begrijpt gij lichtelijk. Doch wi^ hebben goeden moed. De voorteekenen zijn niet oin-. gunstig. Er is van weerszijden een ernstige wil om tot ©ene goede uitkomst te komen. Er is^ zoovejr mij bekend is, eenstemmigheid. Diat er hier of daar nog een enkele bezwaarde broeder of zuster is, geloof ik wel. Die bezwaardheid vloeit me©stal uit misverstand voort. Een Doleerende broeder kan denken: nu hebben ze mij toch tot het stand-, punt der Scheiding gebracht, en dat wil ik niet. En ©en Afgescheidene broeder kan denken: nu worden we toch (Joor de Doleerenden oj)g©sloikt, en is het met de Scheiding uit. Beide voorstellingen zijn onwaar ©n ongegrond. Wij eerbiedigen elkanders bijzondere zienswijze, zooals we dat ook in 1869 gedaan hebben. En practisch gaat dat gansche verschil, met den loop der jaren, vanzelf de wereld uit; dan groeien we vanzelf saam, op éénzelfden wortel, die niet is: separatie of doleantie; maar de Belijdenis en de Kerkorde der Nederlandsche Gereformeerd© Kerken".

Op de buitengewone algemeen© Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Juni 1892 te Amsterdam tot voorzitter gekozen, sprak Gispen het dan ook, als voor het aangezicht des Heeren ©n voor de geheel© vergadering uit, dat d© Christelijke Gereformeerden en de Nederduitsch Gereformeerden één waren, en er dus geen nieuw fundamenit behoefd© gelegd te worden.

En toen kwam de vereenigde zitting der beid© kerkengroepen in Generale Synode op 17 Juni in d© Keizersgrachtkerk, door Ds Gispen als oudste der beide voorzitters geopend met een lierinnering aan het jaar 1836, toen in ditzelfde Amsterdam de eerste Synode gehouden werd van de „Gemeente Jesu Christi", zooals ze zich noemde. Z© werd gehouden Qp de Baangracht in ©en pakhuis, in alle stilte, om der vervolging wil; op een plekje, waar de politie haar niet zoo dadelijk vinden kon. Dat was de toestand ruim ©en halve eeuw geleden. „En nu — wat heeft d© Heer© ons een reden gegeven tot het grootmaken vani Zijn heihgen Naam! — 't Staat mij nog levendig voor den geest, dat de Voorzitter der laatste Voorloopige Synode (Dr-Kuyper) in zijn intrêerede als predikant hier te Amsterdam zeide: „Wij moeten verbouwen of — verhuizen!" — Hij wist nog niet hoe. Hij heeft echter gedaan wat hij doen moest. Evenals de mannen van '34 hebben ook hij en de mannen, die met hem waren^ gedaan wat ze konden. Ook zij zijn wederrechtelijk uit hun huis gezet. God heeft echter nieuwe woningen gegeven; ziet het hier in dit kerkgebouw; en niet het minst is hun wetenschappelijke arbeid rijk gezegend, zoo dat heel de Christelijk© wereld nu dez© gebeurtenis zal moeten aanvaarden als ©en feit, ©enig in de geschiedenis van Nêerlands k©rken. Als wij ook dit aanschouwen, dan juicht ons harte: de Heere heeft groote dingen aan ons

gedaan. Gode zij dank vooral daarvoor, dat de mannen van '34 en '86 ©Ikaar hebben leeren verstaan en begrijpen. D'oor Zijn genade zijn wij vereenigd."

Met een enkel woord heette hij ook den ouden vader Van Velzen welkom, wiens catechisaties hij in zijn jeugd genieten mocht. „Eerlang gaat gij henen in de-vreugde uws Heeren. Ik weet niet, hoe het in den hemel is; maar als de gelukzaligen daar met elkaar spreken en helang stellen in den strijd en de blijdschap dei kerk op aarde, vertel dan uw oude medestrijders wat gij hier hebt aanschouwd, en hun vreugde zal groot zijn als gij hun toeroept: Ze zijn één!"

Daarop ontving de tweede voorzitter. Dr A. Kuyper, het woord. Hij gebruikte o.m. dit beeld: , „Zie, wanneer hier in Amsterdam onze lagere scholen uitgaan, zien wij langs onze Keizers-en Heerengrachten vaak benden jongens loopen, die, zoodra zij elkaar op een brug ontmoeten, met riemen en tasschen op elkaar inslaan, om geen aindere reden, dan omdat de een in deze, de ander in die school thuis behoort. Maar komt ge nu zes, zeven jaren later, en ontmoet ge dezelfde jongemanneia op de H o o g e s c h o o 1, dan is alle veet© vergeten, aan de worsteling van eertijds wordt niet meer gedacht, en, na behoorlijk ontgroend te zijn, omarmen ze elkander als broeders. Die hoogere school maakte hen één. En zoo nu ook gingen wij dusver elk op ©en lagere school, en vlogen, omdat we tot een andere school behoorden, elkander soms vrij hardhandig in het haar. Maar nu ontmoeten ook wij elkander saam op een zelfde hoogere school, en is daarmee ook onze eenheid bezegeld. We zijn nu beiderzijds opgeklommen tot een h o o g e r standpunt, en juist in dat hoogere ligt onze hope vooi de toekomst".

Na deze rede heeft de Praeses, Ds W. H. Gispen, aan zijn mede-voorzitter de hand gereikt en gezegd: , , Zoo hebben wij dan te niete gedaan, hetgeen eens kinds was; God make ons meer en meer mannen". Nu voeren nog verscheidene ander© broeders het woord, waarna, op verzoek van Dis Gispen, prof. Kuyper den voorzittersstoel inneemt en voor een poos de verdere werkzaamheden leidt. Daarvan deelen we hier alleen dit mede, dat d© Synode Dis W. H. Gispen benoemde tot redacteur van , , Het Kerkblad", officieel orgaan van de Gereformeerd© Kerken in Nederland.

Het volgend jaar. Augustus 1893, leidde Ds Gispen wederom de ure des gebeds, nu voor de Generale Synode t© Dordrecht. Hij hield thans een toespraak over 2 Cor. 5:13: Want hetzij dat wij uitziimig zijn, wij zijn het Gode; hetzij' dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn het ulieden". Ook ditmaal deed hij het niet af met een stichtelijk woord, maar drong in de zakten in, ©n drong ©r in met den leidraad van het woord: oor God ©n d© Gemeente.

Van de sinds ontstane actie tot scheuring zei hij hier o.m. het volgende: „D© vereeniging der Gereformeerd© Kerken is niet zonder ve©l strijd on gebed tot stand gekomen. Een plichtmatig en rechtmatig gebruik van de fijnheid ©n buigzaamheid onzer schoon© moed©rtaal was noodig om elkander tegemoet te komen en, zooveel mogelijk^ all© misverstand af te snijden. Maar zij is feit g©worden. Zij is erkend als geschied te zijn door d© hand des Heeren. En wat ook in het eerst© jaar onzer kerkelijke vereeniging gezegd ©n g©daan, gevreesd en gehoopt zij, het is geschied, ©n het is wonderlijk in onze oogen. Wat er ook, in het geheim of openlijk, tegen deze vereeniging beraadslaagd worde, en al mocht het in de toekomst den booze gelukken opnieuw verwarring en verdeeldheid in de kerken t© brengen, wij zullen blijven erkennen dat ook op haar van toepassing is liet woord des Hoeren: hetgeen dan God samengevoegd heeft, schelde de mensch niet. — Gij weet, mijn Broeders, hoe verschillend de oordeelvellingen zijn over de ten vorigea jare tot stand gekomen vereeniging der Gereformeerde Kerken in Nederland. AVel beeft de Hoogo Regeering geen bezwaar r; emaakt, noch tegen de aanneming der oud© kerkenordening, noch tegen den historischen naam van Gereformeerde Kerken, maar aan ondergeschikt© machten was dit blijkbaar minder welgevallig, en me©r dan één verschijnsel wees reeds op een niet te miskennen weerzin, om wat geschied was eenvoudig te aanvaarden. —• Van d©n kerke-Igken hartstocht en d© daaruit voortvloeiend© hatelijkheden en vreeselijke uitspraken, ja vloekspraken, zwijg ik liefst. Maar onmogelijk kan ik zwijgen van het onuitsprekelijk smartelijk verschijnsel, dat uit ons eigen midden mannen zijn opgestaan, waaronder ©r zijn, di© d© gansch© handeling der Vereeniging mede hebben verricht, die hd waren van onz© eerste Generale Synode, die hun stem hebbien gegeven voor de vereeniging der kerken, en di© daarna van de Gereformeerde Kerken zich hebben afgescheurd, op gronden en met motieven, welk© doen blozen ©en iegelijk die, ik zal niet zeggen het Gereformeerde kerkrecht ©enigszins kent ©n li©fheeft, maar di© prijs stelt op natuurlijk waarheidsgevoel en mannelijke trouw. Deze broeders ontzien zich niet zeer zware beschuldigingen, schier week aan week, uit te spreken tegen hen, di© hun doen veroordeelen, ja als verraders en roovers aan het publiek voor t© stellen degenen met wie zij zelven plachten saam t© wandelen en te handelen. Dat die scheuring nog maar ©©n betrekkelijk kleinen omvang kreeg, kan ons geen troost wezen, want ook de kleinste scheuring mag in d© kerk van Christus niet bestaan. Daar worden slachtoffers gemaakt onder d© on-en minkundigen, en de leiders zelven zien het, tot nog toe, niet in, dat ook zij slachljoffers zijn, wellicht van hunne persoonlijk© eigenaardigheden, maar niet onduidelijk van verborgen werkingen der geesten, di© zoomin hen als ons beminnen, doch die hen gebruiken, om beroering te verw©kk©n, onrust, wantrouw©n, verdeeldheid te zaaien, en zoodoende t© beproeven d© Gereformeerd© Kerken te verzwakken, en de gevolgen der getroffen vereeniging zoo gering mogelijk te maken. — Gaat het U als mij. Geliefden, dan hebben deze dingen U niet bitter gemaakt, maar wel bedroefd. Zij hebben menigmaal 't bekend© Psalmwoord voor den g©©st gebracht: „de rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn". Zij hebben er toe geleid onze conscientiën, in verband met de gansche handeling telkens te onderzoeken, en ons vaster gemaakt in de overtuiging, dat ©en werk, zoo fel b©streden, zoo valsch beoordeeld, en dat aan zooveel strijd en bestrijding onderworpen is, niet satanisch wezen kan, maar dat ©r iets in is van God, iets dat blijken zal st©rker t© wezen dan de machten die het zoeken te vernietigen. Zij hebben d© vrijmoedigheid grooter gemaakt om met diepen ootmoed, maar dan ook zonder aarzeling het uit te spreken: wat geschied en gedaan is^ bet is gedaan en geschied voor God ©n de Gemeent©".

Op dez© woorden werd ©en scherp© oritiek geoefend door „D© Wekker", alsof Gispen mannen als Van Lingen en Wiss© als door demonen bezeten had voorgest©ld. Hierop nu antwoordde d© redactie van „D© Bazuin", alias Gispen:

In „De Wekker" van 13 October 1.1. komt in de rubriek: „Kerkelijke stukken" een vrij gematigde bespreking voor met W. onderteekend, van de door Ds Gispen gehouden Rede, in de ure des gebeds voor de onlangs te Dordrecht gehouden Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland. W. oordeelt niet geheel ongunstig over die Rede, maar één zin heeft hij niet goed gevat. De zin luidt: „De leiders zelven zien niet in, dat ook zij slachtoffers zijn, wellicht van hunne persoonlijke eigenaardigheden, maar niet onduidelijk van verborgen werkingen van geesten, die zoo min hen als ons beminnen, doch die hen gebruiken om beroering te verwekken, onrust, wantrouwen en verdeeldheid te zaaien, en zoo doende te beproeven de Gereformeerde Kerken te verzwakken, en de gevolgen der getroffen vereeniging zoo gering mogelijk te maken".

In het woord: geesten kan W. niet anders zien dan dat er mede bedoeld is: booze geesten, kwade geesten, alzoo: demonen of duivelen. Waaruit dan zou moeten volgen, dat de leiders, predikanten en voorgangers in de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, mannen zijn, die arbeiden onder den invloed en de verborgen werkingen van booze geesten; menschen alzoo van wie niets goeds te wachten is, maar die men met alle macht moet bestrijden. Het spijt W., dat Ds Gispen zulk een insinuatie in zulk een vergadering en op zulk een oogenblik aan het adres zijner broederen te lezen gaf, en vraagt, of de redacteur van „De Bazuin" wellicht de goedheid wil bewijzen, vroeger of later, nadere verklaring te geven van hetgeen hij op den kansel te Dordrecht met zijn „verborgen werkingen van geesten", bedoelde.

Gaarne wil de redacteur van „De Bazuin" aan dit verlangen voldoen. Hij wil dit evenwel niet aangemerkt hebben als een „bewijs van goedheid". Wanneer broeders opheldering vragen van een door hem gesproken of geschreven woord, acht hij het niet een „goedheid", maar niets dan schuldigen plicht, althans te pogen de gevraagde opheldering te geven. En dan spreekt hij het nu openlijk en onomwonden uit, dat hij noch bij het schrijven, noch bij het uitspreken der bewuste woorden, gedacht heeft aan helsche geesten, demonen of duivelen. In hoeverre de booze geesten invloed uitoefenen op de verdeeldheid van de belijders des Heeren, en van alles wat daarmede in verband staat, kan met geen paar woorden besproken of uitgemaakt worden. Ook is het niet goed den duivel van alles de schuld te geven, om den mensch zooveel mogelijk vrij te pleiten. En had W. nu eenvoudig gelezen, wat er staat, en niet het woord „booze" er in gelegd, dan zou allicht zijn vermoeden niet zoo ongunstig geweest zijn.

Er wordt in den bedoelden zin gesproken van: geesten.

Geesten, die zoo min de Christelijke Gereformeerde Kerk als de Gereformeerde Kerken beminnen.

Maar die de leiders in de Christelijke Gereformeerde Kerk gebruiken om beroering te verwekken, onrust, wantrouv/en en verdeeldheid te zaaien.

En zoo doende beproeven, de Gereformeerde Kerken te verzwakken en de gevolgen der getroffen vereeniging zoo gering mogelijk te maken.

Bij dit alles heeft Ds Gispen niet gedacht aan duivelen, maar aan menschen, menschelijke geesten, die in Den Haag, Utrecht en op andere plaatsen wonen. Geesten, die zich uitspreken in het „Algemeen Handelsblad", het „Nieuws van den Dag", de „Gereformeerde Kerk" en andere bladen; geesten, die hun afkeer van alle separatisme niet onder stoelen of banken steken, maar het separatisme van Ds Wisse CS. goedkeuren, om een in hun oog nog verwerpelijker separatisme te fnuiken. Deze geesten maken van de verdeeldheid der Gereformeerden vijgebladeren om zichzelven te dekken. Zij verdeelen om te heerschen en steunen met hun geld en hunne toejuichingen een verschijnsel op kerkelijk gebied, dat zij principieel afkeuren. Zij onthouden zich van de Christelijke Gereformeerde Kerk zoowel als van de Gereformeerde Kerken; voor beide hebben ze geen liefde. Hunne geschenken en adhaesiebetuigingen hebben een strekking, die minder edel is, al hebben zij ook het recht om een adellijk predicaat bij hun naam te voegen. En vandaar, dat, wanneer een paar menschen zich aan de gemeenschap der Gereformeerde Kerken onttrekken met den grootsten ophef dit vermeld wordt, alsof nu Holland in last was en het laatste uur voor de Gereformeerde Kerk dier plaats weldra zou slaan. W. zou, b.v., wel eens aan Ds Kreulen kunnen vragen, ol het geschil tusschen hem en Ds Felix al bijgelegd is, en of Ds Felix teruggekomen is van zijn oordeel over de Scheiding van 1834, welke volgens den Utrechtschen leeraar de vrucht is van Novatianisme, Donatisme en Labadisme.

Wij vleien ons met de onderstelling, dat W. zelf zal willen erkennen, dat deze opheldering aan duidelijkheid niets te wenschen overlaat.

En nu we toch aan 't ophelderen zijn, willen we meteen ophelderen, wat Ds Gispen bedoelt met de uitdrukking „on-en minkundigen". W. brengt die uitdrukking in verband met het geloof in den Heere Jezus, en de smalende woorden van 's Heeren tijdgenooten: „heeft ook iemand van de oversten in Hem geloofd of van de Farizeën? "

Dit nu heeft Ds Gispen niet bedoeld. Van on-en minkundigen sprekende, heeft hij niet gedacht aan menschen, die uit onkunde in den Heere Jezus gelooven en hunne behoudenis in Hem zoeken; maar aan menschen, die, hoe geloovig en vroom ook, geen genoegzame kennis hebben van de Gereformeerde wijze van kerkregeering, en tengevolge daarvan, als zij hooren van eene „Synode des verraads" en van „krenkend onrecht der gemeenten aangedaan", door zulke groote woorden zich laten beet nemen en tot handelingen vervoerd worden, die met de Gereformeerde kerkregeering niet te rijmen zijn, en evenmin overeenstemmen met de belijdenis des geloofs, die de Nederlandsche Gereformeerden, van de dagen der Reformatie af, als de hunne erkennen.

Zoo werkt© Gispen krachtig me© aan het bestendigen van d© getroffen v©reeniging. En ook was het niet het minst door zijn toedoen, dat d© G©r©form©©rd© K©rken A en B t© Amsterdam op 16 S©pt©mb©r 1897 tot plaatselijke ineensmelting kwamen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1933

De Reformatie | 4 Pagina's

„Ze zijn één!”

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1933

De Reformatie | 4 Pagina's

PDF Bekijken