Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KERKELIK LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KERKELIK LEVEN

22 minuten leestijd

Pluriformiteit der kerk en epigonisme. (Vil.)

De lezer vergeve mij, dat ik, in afwijking van wat ik verleden week beloofde, deze week niet over Calviju sclirijf, doch over het bekende oudgereformeerde dogmatische leerboek, dat in de 17e eeuw, in den bloeitijd dus van de kerk der Reformatie, in Nederland is uitgegeven, en dat bekend staat onder den titel: Synopsis Pürioris Theologiae. Het is een prachtig boek; Bavinck gaf er weer een uitgave van, in het latijn; het wordt in dit artikel verder genoemd: Synopsis.

Waarom ik eenigszins mijn programpunten laat wisselen ?

Niet, om den lezer te onthouden, wat ik verleden week in uitzicht stelde, want ik wil gaarne aan elk door Prof. Hepp te berde gebrachte argument volle aandacht schenken. Ik heb voor deze omzetting van de te behandelen punten deze reden, dat Prof. Hepp meent, in dit leerboek een gelijke onderscheiding tusschen „algeme e n e" en „b i z o n d e r e", of „enkel e", o f „particuliere" kerk te zien gemaakt, als hij abusievelijk dacht gevonden te hebben bij Calvijn. Omdat de voorgaande artikelen juist over deze onderscheiding hebben gehandeld, doe ik, geloof ik, beter, als ik in, het zelfde verband dan deze week maar dadelijk even deze zaak bespreek, en dan tevens Prof. Hepps beroep op de Synopsis wraak. Want, laat me het maar dadelijk zeggen, het beroep van Prof. Hepp op de Synopsis is ten eenenmale foutief, en kon slechts worden gedaan door in de Synopsis het omgekeerde te lezen van wat er staat.

We zullen eerst weer letterlijk citeeren, wat Prof, Hepp ervan opmerkt. We lezen op bl. 135:

In de latere Gereformeerde dogmatiek werden de gedachten van Calvijn systematisch geordend. Het verdienstelijkst geschiedde dit wellicht in de Synopsis. De onderscheiding tusschen ecclesia universalis en ecclesiae particularis werd behouden (Disp. XL. 44). In de WARE kerk wordt verschil gemaakt tusschen de zuivere en de onzuivere (vel pura est vel impura). Naar de graden van onzuiverheid worden achtereenvolgens opgesomd: impura vel simplïciter errans, vel haeretica, vel scismatica. Met de dwalende (simpliciter errans) kerk, die het fundament van het gelooi niet aantast, dient de zuivere kerk gemeenschap te oefenen, niet de haeretische en schismatieke niet. Toch wordt ook aan beide laatste de naam van kerk niet ontzegd (Disp. XL. 37, 38, 42), De pluriformiteitsidee staat hier wel in vollen bloei.

Tot zoover het volledige citaat.

Een enkele lezer zal misschien zich beklagen over het latijn, dat hier onvertaald bleef; maar hij trooste zich: 't komt met die vertaling straks wel in orde.

We zullen nu onze opmerkingen achtereenvolgens geven.

A. De eerste volzin, waarin door Prof. Hepp getracht wordt, de gedachten der Synopsis weer te geven, draagt reeds een misverstand in zich. „De onderscheiding tusschen ecclesia universalis" (de algemeene kerk, de kerk in het algemeen, K. S.) „en ecclesia particularis" (bizondere, particuHere kerk) „werd BEHOUDEN", zegt Prof Hepp. Tusschen haakjes zij opgemerkt, dat liier een zetfout moet ingeslopen zijn in den almanak. Er staat „ecclesiae particularis". Het moet zijn: „ecclesia particularis" (enkelvoud), óf: „ecclesiae particula r e s" (meervoud, particuliere kerken). Ik denk, dat het laatste door Prof. Hepp bedoeld is; maar het kan ook anders zijn; ik durf niet meer raden naar Prof. Hepps opvattingen en dogmenhistorische notities.

„De onderscheiding" — aldus Prof. Hepp — „werd BEHOUDEN"; dat kan natuurlijk Mljtren's het verband niet anders beteekenen, dan dit: dat Prof. Hepp in gemoede meent, dat hier „behouden" wordt wat Calvijn bedoelde, toen déze sprak van ecclesia universalis (algemeene kerk) en ecclesiae singulae (de kerken afzonderlijk, verdeeld, gelijk we uitdrukkelijk Calvijn hoorden zeggen, over STEDEN OF DORPEN).

Maar Prof. Hepps dogmenhistorische parallel tusschen de besproken Calvijn-plaats èn deze Synopsis-paragraaf is foutief.

Niet alleen, omdat Prof. Hepp hier voortbouwt op zijn reeds in twee artikelen aangetoonde vergissing ten aanzien van die „ecclesiae singulae"; hij maakte ers'an zooiets als „singuliere kerken", kerken, die in opvatting van de waarheid tegenover elkander konden slaan in éénzelfde stad, of dorp, terwijl, gelijk we herinnerden, ermee bedoeld waren plaatselijke kerken, die samen, telkens élke in een aparte plaats, onder de algemeene kerk begrepen waren zooals bij ons de plaatselijke kerken behooren tot een kerkverband).

Maar bij dit voortbouwen op het reeds gelegde ondeugdelijke fundament komt nu nog een tweede vergissing. Want terwijl Calvijn, in de door Prof. Hepp geciteerde paragraaf, het oog had op kerken in een bepaalde STAD of DORP; daar zegt de Synopsis letterlijk, en duidelijk, dat zij met haar „ecclesia particularis" (particuliere KERK, let op het enkelvoud!!) bedoelt: eea particuliere coetus (een particuliere saamvergadering, actief) van één(!) dorp, of stad, of PRO­ VINCIE (dat beteekent natuurlijk hier zooveel als: gewest). Wij zouden dus zeggen: een kerk in Beieren, of in TPruisen, of in Schotland, of in Polen, met de tot haar gerekende plaatselijke kerken. En door dit expres noemen van die „provincie", die hier onmiddellijk naast stad of dorp genoemd wordt, heeft de Synopsis al dadelijk Prof Hepps constructie afgewezen. Die constructie was: dat elke groep, al was ze ook in één plaats tegenover een andere geplaatst, en dus rhet die andere groep NIET in één kerkverband, noch plaatselijk, noch landelijk, institutair verbonden, ware kerk heeten mocht, als ze maar goed preekte, en sacramenten uitreikte. Maar dat die heele constructie van Prof. Hepp vreemd is aan de Synopsis blijkt wel hieruit, dat er uitdrukkelijk, en ondubbelzinnig bij staat, dat die ecclesia particularis (enkelvoud), hetzij in die ééne stad, hetzij in dat ééne dorp, hetzij in dat ééne LAND) (ook die landskerk wordt hier in het enkelvoud genoemd) verbonden is NIET ALLEEN door de gemeenschap van geloof en van sacramenten (inter se, ook in zoo'n ééne landskerk), MAAR OOK

door den vorm van het uiterlijk bestuur; m.a.w. het is een kerk vanéén enhetzelfde kerkverband; en daarmee blijkt Prol. Hepps heele constructie hier wel te passen voor zijn almanak, maar niet voor de Synopsis. Haar auteurs zouden verbaasd staan bij het lezen van zulke „interpretaties". Zoo'n ecclesia particularis, bijvoorbeeld als LANDSkerk gezien, kan dan natuurlijk „ecclesiae SINGULAE" (plaatselijke kerken, telkens één in één plaats) onder zich hebben, en DAT zou dan zijn wat Calvijn heeft behandeld in die bekende paragraaf der Institutie, die ik reeds uitvoerig besprak. Maar HIER is iets ANDERS bedoeld, dan wat Calvijn bedoelde met zijn „ecclesiae singulae"; de aangewezen fout van het nietgoed-verstaan van het woord „singulae" wreekt zich weer.

Dat laatste laat zich verklaren; niet te verstaan echter is, dat Prof. Hepp zijn fout niet zelf bemerkt heeft, toen hij móét gelezen hebben, dat zoo'n landskerk in de aanvaarding van een zelfde kerkorde haar eenheid bezat.

B. Nog onbegrijpelijker wordt voor mij Prof. Hepps vergissing, als ik weer let op wat een paar regels verder in DIEZELFDE paragraaf te lezen staat; maar door Prof. Hepp weer is overgeslagen. Nadat beweerd is door de Synopsis, dat die landskerken en stadskerken (in den Reformatietijd hadden bepaalde plaatselijke kerken heel vaak een eigen karakter), voorzoover ze particulier waren, in ELK geval dan ook één kerkverband, en één uiterlijken regeeringsvorm hadden, wordt dan vervolgens in de Synopsis opgemerkt, dat de „universeele kerk", verspreid als ze is over heel de wereld in verscheiden plaatsen, dikwijls wel ingrijpende verschillen aanwijzen kan in den uiterlijken regeeringsvorm, de uiterlijke inrichting, en in liturgische gebruiken, maar toch samenkomt in een wézenlijke gemeenschap van geloof en sacramenten.

Er is dus geen sprake van, dat die „algemeene kerk" in de lucht zou hangen, als een (niemand weet: hoe) „hoogere" eenheid van verscheiden elkaar binnen de grenzen van één stad of land tegensprekende kerken, die dus in éénzelfde landstreek, of dorp, of stad eikaars antipoden, of zélfs maar, varianten zouden zijn, maar desondanks toch maar saam de door Prof. Hepp in Calvijn abusievelijk ingewrongen „algemeene kerk" zouden „vormen" (niemand weet weer: hoe).

O neen. Want in deze fantastische algemeene-kerk-a-la-Prof.-Hepp staat het zóó: in één land zijn verscheiden kerkverbanden; die spreken elkaar tegen; maar'-ze „-komen" toch in die algemeene unasancta-op-papier, en in mooie speeches, bijeen. Maar de kerk van de Synopsis ziet er toch anders uit. Die is GEEN „hoogere eenheid" van elkaar in één ressort bestrijdende speciaal-kerken. EndatblijktweeruitdiedoorProf. Hepp overgeslagen regels.

Wat er dan staat in die merkwaardige regels? Wél, een zin, dien juist een hoogleeraar in de dogmageschiedenis bizonder interesseeren moest, omdat hij, behalve in die Synopsis, óók staat te lezen, bijvoorbeeld bij Seeberg, den bekenden man van het leerboek der dogmengeschiedenis (I, 1908, S. 508). Of, als Prof. Hepp soms liever meer dan één auteur wil zien geciteerd, om te erkennen, dat de zaak van beteekenis is voor wie dogmenhislorie doceeren moet als de eenige in de Gereformeerde Kerken: liarnack, I, 1931, 419. Of, als Prof. Hepp misschien liever de kleinere dogmenhistorische werken, die dus meer ziften tusschen belangrijk en onbelangrijk, geciteerd wil zien: Loofs, 1906, S. 209 (vgl. wat den zin van de ook hier aangehaalde plaats betreft): „de kleine" Harnack, 1905, 86.

De lezer is nieuwsgierig naar dit dogmenhistorisch gevleugeld woord?

Het is een overbekende zin van Cyprianus (3e eeuw na Christus), een zin, dien hij schreef in zijn verhandehng OVER DE EENHEID DER KERK, en waarin voor de dogmengeschiedenis Cyprianus juist is bekend geworden als de TEGENSTANDER van de doof Prof. Hepp geponeerde idee der PLURIformiteit, en als de handhaver der principiëele UNIformiteit der kerk: episcopatus unus est, cuius a singulis in solidum pars tenetur. Deze volzin nu beteekent: dat het bisschoppelijk gezag (wij zouden zeggen, het gezag van het generale kerkinstituut) één is; dat de ware, universeele kerk, ondanks Pfof. Hepps bewering van het tegendeel, haar éénheid vindt juist in een heusch niet abstracte, doch institutair uitdrukbare éénheid van kerkregeering; en van dat ééne bisschoppelijke gezag heeft nu iedere bisschop (elk gezagvoerend instituut) in elke „singuli" (nu niet weer verkeerd vertalen, s.v.p.) particuliere (lands)kerk of episcopaat een DEEL. Maar dat deel hebben ze dan ook slechts in den samenhang van een zichtbare eenheid, binnen welke variaties (in leer of liturgie) nooit antithesen van ja-contra-neen (in het instituut) kunnen zijn.

Déze cypriaansche volzin staat daar nu rustig en wei in die Synopsis, die dan de bloeiende bongerd van de pluriformiteitsboom bij Prof. Hepp heet... Let wel: die zin van Cyprianus, die in de dogmageschiedenis bekend staat als de vader van het roomsche kerkbegrip; als de man, die tegenover Prof. Hepps opmerking, dat overal, waar men maar Gods Woord goed preekt (etc.) een ware kerk is, tot de dissenters, met wie hij, JUIST over hun recht van afzonderlijk-gaan-staan, bitter gestreden heelt, dézen zin, met nog heel veel andere, als wapenen keert; als de man, die in zijn bekend geschrift over de EENHEID' der kerk juist met hand en tand de INSTITUTAIRE eenheid verdedigt; die aan de dissenters, al spreken ze nóg zoo „dierbaar", en al preeken ze nóg zoo stichtelijk, niet zonder sacraments-uitreiking, zoo heel gezond de vermaning richt, dat ze nu eens niet langer misbruik maken moeten van 't woord, dat ook Prof. Hepp citeert, maar tegen Synopsis-Cyprianus aanwendt: waar twee of drie in Mijnen naam vergaderd zijn, daar ben ik in het midden. Want, zoo z^t Cyprianus dan, die belofte geldt van wie (naar Christus' vlak eraan voorafgaand woord) eendracht houdt met het kerkinstituut; en wie zich afzondert, zondigt juist tegen die eendracht, en wordt dus nooit een ware kerk, al preekt hij ook zuiver, en zoo. Cyprianus, dat is de man, die de eenheid der kerk voorstelt onder het beeld van den rok van Christus, die zonder naad was (kom daar eens om bij die misduide „ecclesiae singulae" van Ftot. Hepps onjuiste Calvijn-interpretatie'). Cyprianus, die heeft de leus geïmporteerd, welke ook in de Ned. Geloofsbelijdenis staat: dat buiten de kerk geen zaligheid is (men mag dan ook deze uitdrukking niet losmaken van Cyprianus' pleit voor de eenheid der kerk-in-h et-zichtbare, niet losmaken van zijn door de Synopsis op dit punt („unde"!) geijkte theorie, dat de kerk MOEDER der geloovigen is, niet door een tegenover de zichtbare institutaire eenheid uitgeroepen, en dan verder tot ontlasting der scheurders-conscienties ausgenützle, maar toch oncalvijnsch g e-abstraheerde onzichtbare ker k-heer lij k-heid, doch in haar steeds meer te realiseeren instil u u t s-e e n h e i d).

Dat Prof. Hepp over dien dogmenhistorisch befaamden cypriaauschen zin is heengeloopen, verbaast me. Maar het is nu eenmaal zoo. Doch ik grijp deze gelegenheid aan, om aan degenen, die zoo gemakkelijk tegenover „De Reformatie" met het praedicaat „roomsch" klaar staan (en dat doet heusch niet Dr J. G. Ubbink alleen.., helaas) eens te herinneren, dat zóó de Synopsis, en ook zóó de Ned. Belijdenis te verstaan is; en dat Prof. Hepp eens wat minder gauw erbij moet zijn, aan zijn studenten te verzekeren, dat wie er anders over denkt, dan hij, in het hart der Reformatie snijd-t, excusez du peu. Geen water van de zee wischt weg, dat juist daar, waar Pirof. Hepp de „roomsche" gedachten van zijn mede-gereformeerden meent te zien ^, wègwerken" met de pluriformiteitsgedachte, dat juist daar de ook door Rome zoo sterk geaccentueerde eenheid-in-kerkinstituut als principieel vereischte wordt geleerd, door de Synopsis. Niet, dat daarmee de roomsche ambts-gedachte aanvaard is; dat zal de Synopsis straks wel anders leeren, als ze Rome onder den antichrist ziet staan... Maar dat er naar één instituut moet gejaagd worden, en dat pluraliteit van instituten in één stadoflandnooitmetdenmooiennaam van pluriformiteit mag worden goedgepraat, dat zegt Cyprianus, d& t zegt de Synopsis, en dal moest zeggen ieder, die tegen de gereformeerde belijdenis geen gravamen indient, en toch bevv-eert, ze historisch-trouw te interpreteeren. Wanneer Goebel, Kath. Apologetik, 1930, zich op Cyprianus beroept, gelijk ook andere roomschen het doen, dan zal Prof. Hepp, wiens rede over „Gereformeerde Apologetiek" wij kennen, tegenover de roomsche apologetiek de gereformeerde alleen dan zuiver kunnen stellen, indien hij op de lijn der Synopsis komt, en niet langer, onder den s c h ij n van zich daarop te beroepen, haar probleemstelling verwringt, gelijk bleek, en helaas nog blijken zal.

C. Want we zijn ©r nog niet. Prof. Hepp gaat verder: „In de WARE kerk wordt (door de Synopsis) verschil gemaakt tusschen de zuivere en de onzuivere." Aldus al weer Prof. Hepp.

Mair, dat is oolc al wssr onjuist. Er staat niet: do war© berk is (ten aanzien van leer of levein, zedon) zuiver of onzuiver; doch: deze ZICHTBARE kerk is zuiver of onzuiver (Synopsis, 441, XXXVII). Waarom die woord verandering, als men

a) op een voor het gereformeerde denken kardinaal punt zijn eigen dogmenhistorische reputatie als promotor aan een gereformeerde universiteit hoog moet houden, en b) anderen gaat beschuldigen van in het hart der Reformatie te snijden? Ik vraag dit met ernst, omdat de Synopsis eerst spreekt over de ZICHTBARE kerk, d© kerk, zooals ze zich aandient, en dan daarbij de onderscheiding maakt van dwalende, kettersche •en schismatieke kerk, tot en met § 42, en eerst DAARNA, dus in § 43, zegt: wat de WARE kerk is, en hoe men die kan onderscheiden. En juist bij § 42 houdt Prof. Hepp op De § 43 wordt dan maar verder niet meer meegerekend; en, hoewel eerst DAAR de WARE kerk wordt omschreven, beweert Prof. Hepp maar rustig, dat dit al gebeurt in § 37, waar het echter over de 'loerk gaat, gelijk ze zich voor de oo'gen voordoet

D. Ja, maar. zal Prof. Hepp zeggen: ook de kettersche (haeretische), en ook de schismatieke kerk „blijven den naam van KERK behoudem", zie bet citaat. Kom aan, is dat oofc al een argument? In dezelfde plaatsen, die Prof. Hepp citeert, hij heeft ze dus gelezen, staat, dat wie hardnekkig volhardt in de dwaling, — en dat wordt als het kenmerk van de haeretische (kettersche) kerk gezien — is te houden voor ©en heiden en tollenaar. Ware kerk? ? ? En die schismatieke kerk? Ja zeker, zegt de Synopsis, die is precies ©ven silecht als de kettersche. De kettersche zondigt tegen het geloof. Maar de schismatieke, al gelooft ze met ons hetzelfde, zondigt tegen de broederlijke liefde, want ze richt gesepareerde samenkomsten op, en dat mag ze niet doen, het is ©en ongeoorloofd© (iniquus) disscissie. Prof. Hepp zegt: als ze maar de waarheid preeken („hetzelfde gelooven als wij") dan is 't een war© b©rk. De door hem zoo hooggëloofde Synopsis zegt: pardon, dan is het een scheurkerk, met ongeoodioofde gesepareerde samenkomsten. En men mag er volgens de Synopsis geen gemeenschap mee o^efenen; men mag haar leden dus ook niet troosten: met de gedachte: we zijn toch maar eigenlijk

één, want zulk© anti-cypriaansch© zoethoudertjes gebruiken de leer van de onzichtbaarheid der kerk ten kost© van de majesteit der kerk, welk© wil vertoond worden in h e t z i c h t b a r e.

En als Prof. Hepp soms nu nóg zijn studenten troosten wil met het argument: ze heeten dan toch maar kerk, in die Synopsis, dan zou ik antwoorden: natuurlijk, want het ging niet, zooals U fantaseert, over d© WARE kerk, maar over de kerk, gelijk z© zich voor oogen vertoont (visibilis).

En leest U eens enkele bladzijden verder ? Daar heet ook de Roomsche Kerk „kerk", hoewel ze, wat wel niemand meer onder ons beweren zal, volgens d© Synopsis inplaats van omder Christus onder den Antichrist staat. Is dat gebruik van den naam kerk ook al ©en argument?

E. Ja, maar, zegt Plof. Hepp, ik ben nog niet uitgepraat; want di© Synopsis zegt maar: de ZUI­ VERE KERK, hoor toe, d© zuivere KERK moet gemeenschap oefenen met de

dwalende kerk, die het fundament van het geloof niet aantast, zoO' staat het in de Synopsis, kijkt u maar zelf, zegt triumfantelij'k Prof. Hepp. Nu, ik kijk dan zelf; en dat is maar goed ook, want nu zie ik, dat Prof. Hepp al wéér een fout begaat, en niet zoo'n kleine ook. Er staat letterlijk niets van, dat de zuivere KERK gemeenschap moet oefenen met de dwalende. Er staat heel gewoontjes, dat ©en UHRISTENMÉNSCH gemeenschap moet en mag oefenen met ©en dwalend© kerk (daarover straks). Quaeritur hic, an cum Ecclesia haeretica et scismatica lice at CHRIS-TIANO communione-m colere: d© vraag is, ol ©en christen, een christen-i n d i v i d u, gemeenschap oefenen mag met een kettersche, of scheurkerk. Antwoord: een christenmensch moet geen gemeenschap oefenen met de kettersche en schismatieke (ieder g©loovige moet dus breken met ©en kerk, die hetzelfde GELOOFT als de kerk, welke de wettige lijn voortzet), maar een christenmensch moet NIEl' breken met een kerk, di© „simphciter" dwaalt, d.w.z., die wel dwaalt, maar die — het staat er heel duidelijk — bereid is, d e f o u t © n te verbeteren, als ze haar getoond zijn (§ 38). Wat is daar voor vreemds in? WIE d©rg©nen, die Ptof. Hepp zoo als epigonistische reformatie-hartversnijders ten toon stelt, heeft dat ooit geloochend? Prof. Hepp verzekert

zijn studenten, dat hij' van d© opvatting dezer laatsten een „nauwgezette analyse" beeft gedaan. Ik hoop, dat ze een tikje nauwgezetter is, dan zijn analyse van Calvijn en de Synopsis. Maaj dat is tot daar aan toe. Uit die „nauwgezette analyse", aldus verzekerd zijnde, ontleen ik het récht, te beweren, dat, behalve Ds Feenstra, Ds den Routing, Ds v. 't Veer, e.a. ook ik door Prof. Hepp ben bestudeerd, en nauwgezet geanalyseerd (deze zijne bewering is de vast© grond voor mijn anders misschien nog tlieoretisch aanvechtbare stelling, dat Prof. Hepp ook aan mij moét hebben gedacht). Welnu, dan móét Prof.

Hepp weten, dat ik herhaaldelijk precies hetzelfde gezegd heb, als de Synopsis wil. Het zou ook niet anders kunnen. Wie loopt een kerk uit, zonder eerst te trachten, haar te verbeteren? Wie, behalve een scheurmaker? Prof. Hepp fantaseert hier TWEE kerken, want dat komt hem te pas: de zuivere (nr 1), en de dwalende (nr 2); en dan moet nr 1 met nr 2 gemeenschap oefenen, colere, staat er. Klaar zijn we. Maar het staat in de Synopsis nu net precies anders. Het staat er zóó: Ergens in een plaats, of in een land, breekt dwaling uit. Niet eruit loopen, zegt nu de Synopsis, en ook niet zeggen: het staat me niet aan, ik maak maar dadelijk ©en nieuwe kerk, want die is toch „waar", als ik maar voor een goeien dominee zorg, dien ik met mijn. autoriteit, want ik bèn toch zoo'n autoriteit, opdracht geef, namens Christus de sacramenten t© bedienen! Neen, zegt de Synopsis, zoo'n kerk ^ie dwaalt, loopt gevaar, zich af te zonderen. Probeer ze te verbeteren, opdat ze van schisma worde

teruggehouden, opdat er, al's-t-u-b'lieft geen pluraliteit van Icerlren kome (§ 42, ab errore ET scismate, dat dreigt, revocare). Niets bizonders; dat willen de door Prof. Hepp zoo nauwkeurig geanalyseerde broeders allemaal! Vooral, als ze togonover Prof. Hepp en „De Wekker" de verleening van den naam len de eere van de „ware" kerken niet vermenigvuldigen.

Heeft Prof. Hepp de uitdrukking: „s i m p 1 i c i - ter" dwalen wel goed verstaan? Het is niet een kerk, waarvan de dwaling geconstateerd is, en gefixeerd (en dat MOET Prof. Hepp wel bedoeld hebben, want hoe kan ter wereld anders zijn gefantaseerde zuivere KERK, als afzonderlijk geheel, gemeenschap oefenen met die dwalende? ), maar het is een kerk, b.v. in ©en provincie, of een stad, waar valsche leer, of nauw-onderkende dwaling dan kop opsteekt. Maai ZONDEB. dat die nog vasten vorm aamaam, of is vastgelegd, en geregistreerd. Voetius spreekt van d© „simplex abstentio", de „eenvoudige" afhouding van het avondmaal: waarbij niets officieel wordt meegedeeld aan de gemeente. Zoo is die kerk, die „simpliciter" dwaalt, bezig achteruit te gaan, maar — het kwaad is nog niet defiïdtief geregistreerd, het kan nog alles goed worden.

E. Wie wil, kan nog verder de pluriformiteitsgedachte zien verwerpen, en bestrijden, in de Synopsis: § 24, 25, 48, 51, Disp. XLI, § 3: wijl de kerk éénhoofdig is, kan ze niet veelhoofdig zijn. Ik heb geen ruimte meer.

F. En nu eerlijk zijn, al wie pruttelen mocht tegen wat „De Reformatie", zoover ik er in schrijf, heeft geschreven, en dan pruttelen mocht, wijl duistere vermoedens in hem leven omtrent de vermoedelijke waarheid van denkbeelden, als Prof. Hepp trachtte aannemelijk te maken uit de Synopsis, dat mooie leerboek. Nu eerlijk zijn: niet die Synopsis, eerst hemelhoog geprezen, achteraf gaan verkleinen. Neen, neen: hier heet het hart van de Reformatie te kloppen, en Calvijns gedachte in systeem gebracht te zijn. Volhouden nu.

Maar dan verder één van beide: weerleggen wat ik zei over die Synopsis, en dan zonder kunstgreepjes, óf toegeven: Prof. Hepp heeft zich op een kardinaal punt in dogmenhistorisch opzicht ten eenenmale vergist, toen hij meende, uit het project Calvijn—Synopsis te kunnen bewij'zen deze zijne stoute stelling: dat epigonisme van die door mij nauwkeurig geanalyseerden snijdt in het hart der Reformatie. Hij zelf heeft gezegd: de Synopsis, daar klopt het hart der Reformatie. Best. „D© Reformatie", rubriek Kerkelijk Leven, beweert beden rustig: Prof. Hepp sneed in de Synopsis. Hij sneed toen daar, waar inderdaad het hart der Reformatie zit.

En nu niet boos worden, want, voor de derde maal: ik heb dit debat niet gewild, maar Prof. Hepp. We moeten hier geen bonbons serveeiren, dat kan later wel weer eens. Het gaat nu oim de aanklacht, dat er gesneden wordt in het hart der Reformatie. Wie dat zegt, móet willen, dat men daarop antwoordt. Hij kan dan voorloopig nog even wachten, zijn studenten te vermanen, dat z'ij bidden, meer dan epigonen te worden. Ik huiver overigens een beetje, als ik me den tekst van dat gebed probeer voor te stellen, ijadat gedacht werd aan de namen van hen, die Prof. Hepps „nauwgezette analyse" móet hebben bestudeerd. Ik huiver voor een op zóó wankele gronden aan studenten gesuggeireerd gebed: het lijkt me wat te dicht te liggen bij ^een gebed, dat begon met: ik dank U, dat ik niet ben als deze

We gaan verder, natuurlijk.

K. S.

Amicus Plato; sed magis amica Veritas^).

Aan Ds K. G. van Smeden schijnt Plato bizonder lief te zijn. Want deze laatste heeft ons menschelijk woord eens vergeleken met ©en weeskind. Wanneer het eenmaal gesproken of geschreven is, blijft het eenzaam, zonder vader of natuurlijken beschermer, achter. Ieder kan er me© doen naar believen. En ook D's V. S. redeneert zakelijk op dezelfde wijze. Als antwoord op mijn laatste stukje beweert hij nu weer, dat een moraal niet alleen gegeven, maar ook getrokken kan worden. „Daarom dienen zij, die in het openbaar schrijven, zich vooraf ter dege rekenschap te geven van de draagwijdte hunner woorden. Wat schrijft, dat blijft. Heeft men eenmaal zwart op wit zijn oordeel vastgelegd, dan is te verwachten, dat daaruit, vooral door de aangeduide personen, hunne conclusies worden getrokken." Het geschreven woord is dus het weeskind van Plato. De moraal, die gij zelf niet er iia gelegd hebt, trekken de anderen er uit.

Of aan Ds v. S. de waarheid nog liever is dan Plato, zij aan d© beoordeeling der lezers gelaten.

Ds V. S. deelt in zijn kerkbode van 2 dezer aan zijn lezers wèl mee, dat ik het beeld van die gloeiende thee niet begrijp; maar hij vertelt er niet bij, waarom ik het niet begreep ©n ook niet, ho© m.i. het beeld geconstrueerd had moetan zijn. (Niet: gloeiend© thee, maar: thee van ©en ander zetsel.)

2o. Ds V. S. beweert nu, dat hij niet herroepen kan de bewering dat volgens de „Amsterd. Kerkbode" niet over 1892 len volgens mij niet over 1905 gesproken mag worden, omdat hij dit nooit gezegd heeft. Maar Ds v. S. liet wèl onder ©en uitspraak van „De Reformatie", die vlak het tegendeel inhield, cursief drukken: „M oraal: nietpraten over 1905, maar over 1892, want anders zijn we onnoozel!" En onder ©en uitspraak van de „Amsterd. Kerkbode": „Moraal: niet prateii over 1892, maar over 1905, want anders zijn we minderwaardig!" Heeft Ds V. S. het nu gezegd, en kan hij dus herroepen, of niet?

3o. En D'S V. S. maakt het nu nog erger. Want hij doet nu als of wij, wanneer wij uit iemands woorden de moraal trekken, niet aan bepaalde regels gebonden zijn, en alsof het geoorloofd zou wezen, die moraal het tegengestelde te laten zeggen, van wat de persoon zelf heeft beweerd.

Met leedwezen constateer ifc dezen afloop van een polemiek, di© D's v. S. van zijn kant begonnen is. Wanneer Ds v. S. het niet met mij eens is, waarom argumenteerde hij dan niet eerlijk en zakelijk? En als hij het wèl met mij eens is — en dat is hij, want in zijn kerkbode van 16 Jan. j.l. heeft hij toegegeven, dat iai 1892 sterker nadruk op de kerkrechtelijke geschiUen dan op d© leerstellige is gelegd — waarom herroept hij dan zijn geschrijf niet, en erkent hij niet, dat het artikel, waarmee hij den strijd aanving, ©en misgreep is geweest?

E. D. KRAAN.


) Plato is mij lief; maar de waarheid is mij nog liever.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken