Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Recht van critiek; recht en methode van anti-critiek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Recht van critiek; recht en methode van anti-critiek.

10 minuten leestijd

Het is natuurlijk ieder, die zich bezint op den inhoud van de belijdenis en van het dogma toegeslaan, den toetssteen der Schrift aan te leggen aan den inhoud van hetgeen tot dusver werd geacht te zijn in overeenstemming met 't Woord van God.

Maar al dadelijk zullen we dan met enkele dingen rekening moeten houden. Bavinck wees er reeds op, dat iemand, die critisch tegenover de historie positie neemt, in een moeilijke situatie is; een situatie, veel moeilijker dan die van den dogmaticus in het algemeen. Immers de dogmaticus, die christen is, neemt positie in het geloof, onderwerpt zich aan het Woord van God, maar spreekt tevens ook zijn gemeenschap uit met de kerk aller eeuwen, i) Maar hij, die zich critisch instelt tegenover het dogma en zijn formuleering heeft eenerzij ds altijd een min of meer geïsoleerde positie, en anderzijds komt hij toch ook weer steeds met een bepaalde opvatting tot de Schrift. Niemand toch is, als hij begint de Schrift te onderzoeken, een blanco blad papier jegens haar. Men kan zich ook hier niet ontdoen van zijn omgeving en zijn tijd, en men brengt reeds een zekere opvatting van de Schrift en haar inhoud mede^ wanneer men begint die Schrift te bestudeeren. ^)

In zijn afwijzing van de methode van het biblicisme zeide Bavinck het volgende: „De Schrift is geen wetboek, waarvan de artikelen maar behoeven nageslagen te worden, om in een bepaald geval haar opinie te kennen. Zij is samengesteld uit vele boeken van onderscheidene personen, uit zeer verschillende tijden, met uiteenloopenden inhoud. Zij is geen abstracte, maar een organische, levende eenheid. Zij bevat nergens ©en schets der geloofsleer, maar deze moet uit heel het organisme der Schi-ift worden afgeleid. De Schrift is er niet op ingericht, dat wij haar napraten, maar dat wij haar als vrije kinderen Gods zullen nadenken. Maar dan is ook alle zoogenaamde Voraussetzungslosigkeit en objectiviteit onmogelijk. Dan is er zooveel studie en nadenken van liet subject mee verbonden, dat één persoon daartoe ten eenenmale onbekwaam is. Daar zijn eeuwen voor noodig. Daar is de kerk voor aangesteld, die de belofte heeft van de leiding des Geestes in alle waarheid. Wie van de kerk, d.i. van 'de christenheid, van de gansche dogmenhistorie zich isoleert, verliest de christelijke waarheid." ^)

Men ziet hier, hoe naar het oordeel van den dogmaticus Bavinck, die toch zeker zoo goed als iemand anders over deze dingen kon oordeelen, de taak van hem, die zich opmaakt met een eigen nieuw ontwerp kritiek te leveren op datgene, wat in den loop der eeuwen door de kerk en de liistorie werd geformuleerd, bijna onmenschelijk moet worden geacht.

Des te meer is hiermede dan ook tegelijkertijd gezegd, dat wij zeer groot respect hebben voor het pogen van hen, die oordeelen, dat.zij tot zulk een kritiek zijn geroepen. Wie het werk onderneemt om het dogma en de uitspraken der geloofsleer aller eeuwen te zuiveren, van hejtgeen hij paganistische motieven acht, heeft stellig een

uiterst gewichtige poging ondernomen, en hij heeft zich een geweldige taak gesteld.

Maar als men dan het recht heeft datgene, wat al de eeuwen door als juiste formuleering werd aanvaard, te onderwerpen aan critiek — natuurlijk in het licht van de Heilige Schrift — hebben wij toch ook weer het recht, en zelfs den plicht deze critiek critisch te toetsen.

Vooral geldt dat, wanneer wij spreken over „de ziel". Immers op schier geen enkel pimt verdedigde de in de laatste jaren opgekomen „opvatting" zoozeer „andere" meeningen, dan juist üp dit punt; en juist daar, waar de kerk en de ouden spraken over „natuur", „persoon" en dergelijke begrippen, meende deze „opvatting" haar sterkste critiek op de uitspraken der eeuwen te moeten laten hooren.

Nu kan niemand meenen, dat het juist zou zijn de van bedoelde zijde uitgebrachte critiek op het werk der eeuwen critiekloos te aanvaarden; noch ook, dat wij geroepen zouden zijn zonder nader onderzoek te erkennen, dat het christelijk denken van negentien eeuwen op uiterst belangrijke punten zich grondig zou hebben vergist.

Daarom willen wij, neen, daarom moeten wij nader op hetgeen van bedoelde zijde wordt betoogd, ingaan.

En hel is zoo gelukkig, dat wij dit kunnen doen onder broeders. Immers het hoofdwerk, dat we critisch zullen moeten bespreken, is geschreven door een hooggewaardeerden broeder, die zelf zegt, zich onvoorwaardelijk voor het gezag der Schrift te buigen. En die zegt vrijmoedig al het overige — óók eigen werk — nader op zijn waarheidsgehalte te willen onderzoeken. ^) En ook als hij het niet zeide, wisten wij het nóg van hem.

Zoo hebben we al dadelijk een gemeenschappelijke basis voor discussie. En dat geeft hope, dat ook deze discussie niet vruchteloos zal blijven.

Natuurlijk is nu van het eerste belang de vraag „Wat zegt de Schrift? "

Zeker, maar vergeten we nu niet, dat de door ons besproken richting zich bij dat antwoord min of meer los moet maken van de historie. Immers reeds zeiden we, dat deze richting tot de conclusie komt, dat in de historie allerlei paganistische terminologie de overhand kreeg in het christelijk denken.

Het boven-bedoelde werk geeft dan ook het antwoord, dat de schrijver noemt „het calvinistisch antwoord". Dat antwoord op de vraag „Wat zegt de Schrift" kan dan volgens bedoelden schrijver aldus worden samengevat:

„a. De Heilige Schrift leert de rechtstreeksche souvereiniteit van dien God, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, over alle dingen, in welk verband en op welk terrein ook, en onderscheidt in overeenstemming'daarmee helder tusschen God als den Souverein en het door Hem geschapene.

„b. Zij beschouwt de religie als een verbond (nnio foederalis), het menschelijk geslacht ook reeds vóór den zondeval bekend door woordopenbaring.

„c. Zij predikt, wat den toestand na den val betreft,

1. de algemeene verdorvenheid van den mensch,

2. den dood als straf op: de zonde, en

3. de openbaring der genade van den souvereinen God in den Middelaar."

Het zij ons vergund al dadelijk hier een viertal opmerkingen te maken:

I. Zooals deze regels daar staan zal wel niemand er eenig bezwaar tegen hebben; afgedacht dan van hetgeen we onder II opmerken.

II. Het betoog, dat de Schrift de religie als eea verbond beschouwt, behoeft stellig nader bewijs; in ieder geval is het historisch niet juist, dat het calvinisme heden belijdt of vroeger betoogde, dat volgens de Schrift dereligieeenverbond IS.

III. Met de aanvaarding van de formuleering van deze stellingen is daarom nog niet de toelichting, daarop te geven, aanvaard. Immers, (weer afgedacht van hetgeen over religie als verbond werd gezegd) hetgeen hier staat is niet specifiek. Noch specifiek calvinistisch; noch specifiek luthersch, of iets anders. We zouden Isunnen zeggen: het is reformatorisch. De reformatoren zouden (afgedacht van b.) allen zonder onderscheid dit hebben kunnen zeggen. Daarom zijn deze uitspraken natuurlijk niet minder goed, — integendeel; maar wel zijn ze dus nog zóó algemeen, dat ze, zooals ze ^geformuleerd zijn, nog geen uitdrukldng geven aan consequenties ten opzichte van het denken aller ecuwen, en ten op^zichte van de terminologie der zielkunde, zooals er, gelijk blijken zal, toch uit getrokken worden)

IV. Wanneer deze stellingen nader worden uitgewerkt, is het van de grootste beteekenis, op welke wijze dan voor hetgeen uit deze stellingen wordt afgeleid, het bewijs wordt verkregen. Bovendien interesseert ons bizbnder het bewijs voor de stelhng, dat de religie een verbond IS. Bij de bedoelde bewijzen nu gaat het in de eerste plaats om de bewijzen uit de Schrift, en daarna om de bewijzen, die uit anderen hoofde, dan doordien ze aan de Schrift ontleend zijn, als bewijsgrond worden aangevoerd. We krijgen dus ook te ondei-zoeken de bew ij smet bode dezer richting, waarbij dan naar twee zijden het onderzoek moet worden ingesteld: a. de methode aangaande de schriftuurlijke bewijzen; b. de methode aangaande de niet-schriftuurlijke bewijzen.

Nu zal het duidelijk zijn, dat in deze artikelen, het onderzoek naar de b e w ij s m e t h o d e bij deze „richting" (in het algemeen, en in het boven aangeduide boek in het bizonder) vooropi moet gaan. Immers, wanneer wij een betoog met deszelfs bewijzen bespreken, moeten we vooraf op de hoogte zijn van de methode, die men aanwendde om de bewijzen te vinden.

Dikwijls geeft de methode zooveel licht over datgene, wat als resultaat van de bewijsvoering werd verkregen. En een foutieve metWode heeft niet alleen wanneer het ging over historische vragen, maar ook wanneer er kwesties van bewijsvoering in het geding waren, reeds menigeen op een dwaalspoor geholpen.

Om een enkel voorbeeld te noemen. Zeer dikwijls gebeurt het in het leven, dat de menschen een zekere stelling poneeren. Die stelling moet dan bewezen worden. Ten bewijze haalt men dan een bepaalde gebeurtenis aan of een bepaalden tekst, en ziet daarbij deze gebeurtenis of dezen tekst in zulk een hcht, alsof de te bewijzen stelhng reeds bewezen ware. Dat is natuurlijk fout. Inplaats van met „het bewijs" de „stelling" een vasten grond te geven, geeft men in zulk een geval „het bewijs" of „de bewijsplaats" zijn zin en zijn grond uit „de stelling". Maar die stelling moet juist nog bewezen worden! Het is duidelijk, dat !de stelling zelve géén invloed hebben mag op de manier, waarop ik een gebeurtenis of een tekst, die als bewijs moeten dienen, opvat.

Zeker, wie zou niet weten, dat men wel heel dikwijls ten dezen in fouten vervalt? In den gewonen redeneertrant der menschen worden telkens dergelijke fouten gemaakt. Maar in het wetenschappelijk betoog mag zulk een bewijsvoering uiteraard niet voorkomen. Ook al is natuurlijk daarmede tegen den persoon, die bewijst, niets kwaads gezegd, — wanneer zulke fouten in een wetenschappelijke verhandeling voorkomen, is de verhandeling zelve er zwak door geworden.

We namen dit enkele voorbeeld, om duidelijk te 24S maken, van hoeveel beteekenis het is, bij een ernstige discussie te letten op de bewijsmethode van hen, met wie men van meening verschilt.

En, gelijk gezegd, dit onderzoek moet voorop gaan.

Behalve om de genoemde, ook nog om een andere reden. Het zou toch niet wel mogelijk zijn, een bestreden betoog te volgen, wanneer dat betoog werd gerefereerd — en men telkens moest ondei'breken om formeel-methodische vragen te behandelen. Hebben wij de bewijsmethode besproken, dan kan punt voor punt de opvatting der door ons besproken richting naar voren gebracht worden, en kunnen wij bij elk punt, na de bewijzen van andere zijde te hebben aangewezen, de gronden voor onze instemming met het betoog, — of de gronden, waarop we van den schrijver moeten verschillen, aangeven.

Daarbij komt nog iets.

Wanneer wij handelen over anderer bewijsmethode hebben we tegelijkertijd gelegenheid onze eigen opvatting over de eischen, waaraan een bewijs volgens de regelen der logica moet voldoen, te omschrijven.

Telkens weer blijkt, dat dit punt, inzonderheid bij het aanhalen van de onderscheiden Schriftuurplaatsen als „bewijs", van overwegende beteekenis is.

En we zullen dan ook vanzelf met de vraag van de beteekenis der exegese in verband met het Schrift-bewijs in aanraking komen.

Zoo willen we dan een volgend maal beginnen met de bespreking van de methode aangaande de Schrift-bewijzen, zooals we deze bij de door ons besproken nieuwere „richting" vinden.


1) H. Bavinck. Ger. Dogm., 2e dr.. Dl. 1, pag 26.

2) Bavinck, t.a.p. 67. • '

3) Bavinck, t.a.p. 68.

4)^ Dr D. H. Th. Vollenhoven: Het Calvinisme en de Reformatie van de Wijsbegeerte, pag. 20.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

Recht van critiek; recht en methode van anti-critiek.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1934

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken