Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Correspondentie van de Redactie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Correspondentie van de Redactie.

6 minuten leestijd

W. t e L. — ü schrijft mij, over een punt, dat reeds eerder in „De Reformatie" ter sprake is gekomen, maar dat ik, wegens de door U gegeven praeoiseering, gaarne nog eens aanstip. II sclirijft mij o.m. (ik laat een enkele naamsaanduiding weg):

„In October j.l. las ik een artikel „De concrete vraag", behandelende (in het kort) de verhouding Overheid— Onderdaan. In dit artikel werd (zooals zoo vaak gebeurt) weer gesproken over: DE OVERHEID DIE HET ZWAARD NIET TEVERGEEFS DRAAGT. Nu had ik mijl bij lezing van Romeinen 13 al vaak met eenige verbazing afgevraagd, hoe men het woord „zwaard" in Rom. 13 vers 4 nu kan doen slaan op oorlog, doch, aannemende de goede trouw zoolang niet het tegendeel duidelijk blijkt, heb ik miji tot de redactie gewend, doch daar gaat men niet op de kwestie zelf in.

Een vriend van mij had intussohen naar een professor te Leiden geschreven; die schrijft: „Natuurlijk is wat 't door U genoemde blad schijnt te doen — ik las 't stuk niet — ongeoorloofde exegese van Rom. 13 : 4. „Zwaard" is hier de crimineele jurisdictie en executie: Ulpianus Digest. I 18-6-28, of Tacitus Hist. Ill, 68; Cassius Dio XIII, 27. Wat het bedoelde blad, naar Uw brief, doet, is de leer der „passive obedience", uit de dagen van de Engelsche koningen Jacobus en Karel II —• ook uitstrekken tot het geval in kwestie.

Nu zou ik het zeer op prijs stellen als U mij in 't kort Uw meening zoudt willen zeggen." Tot zoover Uw vraag.

Het lijkt me het eenvoudigst, dat ik — zonder andere auteurs te citeeren — doorgeef, wat Prof. Dr S. Greijdanus in zijn „Kommentaar op Romeinen" (Rottenburg, Amsterdam) opmerkt.

Ten aanzien van heel de perikoop Rom. 13 : 1—7 merkt Prof. Greijdanus op: „De geloovige kwam met de overheid in aanraking, overal, en niet het minst in Rome. Dus was eene uiteenzetting, hoe hiji haar beschouwen en zdoh jegens haar gedragen moest, als vanzelf geboden en op hare plaats, te meer omdat de overheidspersonen schier zonder uitzondering van het Evangelie niet wilden weten, en er zich tegen stelden"... „Hier gaat het.... over het gedrag der geloovigen tegenover de overheid ALS overheid, op haar eigen terrein".... „Aan de overheid moet om Gods wil gehoorzaamd worden tot de grens van Hand. 5 : 29. En de overheid heeft tot roeping, wat de apostel hier noemt. En al ontzinkt zij aan die roeping, dat neemt haren plicht van Godswege niet weg, noch de roeping der onderdanen, haar tot genoemde grens gehoorzaam te ziin".... „In verzen 3 en 4 noemt hiji" (de apostel) „hare roeping".

In vers 3 komt dan volgens Prof. Greijdanus sprake de „Goddelijke roeping" der overheid „tegen !? • W het doen of misdoen der menschen". „De insteUing , overheid" (dit bij vs. 4) „dient juist tot heil van tti Ina goed doen". Zij: is er „tot HET goede" (het lidwooti I or nadrukkelijk gehandhaafd) (meer dus dan: ten goede) 1 n „tot datgene, wat u wezenlijk ten heil strekt, tot u» [ei welzijn, rust, bescherming". I

Vervolgens komt dan de passus over dat „zwaard* Men lette erop, dat eraan voorafgaat: „indien gij ^l kwade doet". Prof. Gr. interpreteert dit aldus: „iiuüj, gij echter het zedelijk ongeoorloofde en verderfelijke uil. voert" (wat dit „uitvoeren" betreft, lette men erop, dJ het grieksche woord „poiein", hier door „doen" of „uj. voeren" vertaald, volgens Prof. Gr., vgl. op 1 : 32, spreei|| „van een doen, waardoor iets tot stand komt, iets voort. gebracht wordt". Wie nu zulke zedelijk ongeoorloofdji daden met zulk resultaat uitricht'-), moet vreezen want de overheid draagt het zwaard niet tevergeetji Het zwaard, — „d.i. de bevoegdheid en macht om |, straffen, des noods met den dood". Prof. Greijidanui verwijst hier naar 8 : 35, Hand. 12 : 2, 16 : 27, en noem het „het instrument om te dooden, en HIER om J doodstraf toe te passen, het zinnebeeld van het ijl schikkingsrecht over leven en dood". Het is „de mtersij straf, die de eiardsche overheid oefenen kan". „Deji sluit alle geringere straf in". Tenslotte wordt dotor Pr^ Gr. aangehaald Sanday-Beadlam: de overheidsmaij „exists positively for the wellbeing of the communHj, negatively to check evil by the infliction of punishmenl and both these functions are derived of God". lof e I en e bi [•v 1 p l Z I t I m |aj I h d d I D 1 y [d I fa I

Zoo bevestigt zich, wat ik reeds eerder schreef, dal deze tekst het zwaard der overheid slechts beziet, zoovs het reikt binnen den kring van haar eigen onderdanen. Men kan dus op deze uitspraak nis zonder meer fundeeren het recht van oorlog. Immer^ in een oorlo'g keert de overheid het zwaard niet tega haar onderdanen, doch tegen vreemden. En eigenlijl keert zij zelf het heelemaal niet tegen den vijand, j laat dat dan juist de onderdanen doen. Bij een reclits. vonnis houdt ze de onderdanen op een afstand van di| galg; in een oorlog zegt zij' tot de onderdanen zelf: schiel 1 [

Een eventueel recht tot oorlogs-verklaring blijft natuurlijk voorbehouden aan de overheid. En dat recht kii| men m.i. inzóóverre in het verlengde van Ron, 13 : 4 zien betoogd worden, als een oorlog noodig kan zijn tot bescherming van de onderdanen. Is eei oorlog tot bescherming van die onderdanen onafwendbaar, dan heft de overheid haar beschermend zwaaill niet op tégen een deel van haar onderdanen, maai vóór hun geheel. Tegelijk evenwel beschermt ai haar eigen zwaardreoht: want als de vijand haar vol overmeestert, is het met haar recht-van-straffen-enbeschermen gedaan. Zulk een oorlog is dan ook door èl overheid tot zaak van heel het volk gemaakt; en als ii\ dan den dienstweigeraar zou straffen, desnoods met de: kogel, dan is dat weer een tenuitvoerlegging van wr in Rom. 13 : 4 als haar bevoegdheid wordt voorge-'^teW, De vraag, of ziji van haar macht in zulk een geva'; overeenkomstig haar „roeping" gebruik maakt, zal d aij afzondertijik zijn te beantwoorden. o in u


1) Of ook „zich ermede - bezig houdt, zijn werk ervan maakf'j „prassein" vgl. 1:32 (prof. Geijdanus). I a

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 3 January 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

Correspondentie van de Redactie.

Bekijk de hele uitgave van Friday 3 January 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken