Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Groen van Prinsterer en de vrijmaking der kerk.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Groen van Prinsterer en de vrijmaking der kerk.

24 minuten leestijd

„Vrijmaking van de Hervormde Kerk is, met toenemenden aandrang, begeerd; van het oogenbük af dal zij aan banden gelegd werd.

In en buiten de Tweede Kamer nam ik, met mijne vrienden deel aan den langdurigen strijd. — Buiten de Kamer, van 1837 tol op heden. — Als volksvertegenwoordiger. In 1840. In 1849. In 1852. In 1862. In 1863. — Niets heeft gebaat.

De zoogenaamde Kerk is telkens meer ontaard in een gouvernementaal en enkel reglementair kerkgenootschap, waar het Evangelie, voorals nog, voor hoe lang nog? door het ongegeloof getolereerd wordt", i)

Aldus geeft Groen op 68-jarigen leeftijd een overzicht van zijn worsteling voor de vrijmaking der geknechte Kerk, een worsteling die tegelijk was een streven naar de hereeniging van alle leden der Hervormde Gezindheid. 2)

Door dezen kerkeüjken strijd heeft Groen de Doleantie mee voorbereid en daarom kan de Doleantie niet ten volle worden herdacht, indien niet ook voor Groen's onvermoeid streven naar kerkherstel de aandacht wordt gevraagd.

In de Nederlandsche natie ziet Groen verschillende „gezindheden", de natie is uit die gezindheden samengesteld, s) Een ervan is de Hervormde gezindheid, de Hervormde gemeente of kerk. *) Deze gezindheid wortelt diep in de historie van ons volk, het is de „Gereformeerde martelaarskerk". ^} Ze heeft een beslissenden invloed op het volksleven uitgeoefend, zóó krachtig zelfs „dat Nederland, lot op den huldigen dag, onder de christelijk-protestantsche Natiën behoort" ^) AI wil Groen volkomen staatsrechtelijke gelijkstelling der gezindheden') en al verwerpt hij de idee ©ener heerschende kerk als „onzinnig", als een „hersenschim", s) toch wil hij erkend zien de feitelijke voorrang en meerderheid der Hervormdte Kerk.")

Die Kerk is niet een Genootschap met veranderlijken grondslag, waarin telkens bij overeenstemming een nieuwe leer kan worden vastgesteld, maar een instelling Gods, gevestigd op waarheden wier aanneming, door alle lijden heen den band' der geloovigen, het wezen der gemeente, de eenheid der Kerk vormt, i") De waarheid, die zij belijdt en die bij tegenspraak of betwijfeling in woord of schrift geformuleerd wordt, is het eenig kenmerk der Kerk. 1^) Ze gaal te niet, zoo er geen overeenstemming is omtrent hetgeen men, op grond van de Heilige Schrift als zaligmakende waarheid beschouwt, i^) De Hervormde Kerk heeft die waarheid uitgedrukt, beschreven, in de drie bekende formulieren. Die zijn het onwraakbaar getuigenis van hel voorvaderlijk geloof. Ze zijn niet de oorzaak, maar wel hel bewijs van het kerkelijk gezag der waarheden over welker dierbaarheid en onmisbaarheid tusschen de leden der

Hervormde K; erk geen verschil is.i') Niet krachtens maar blijkens de formulieren is beslist en uitgemaakt het verschil omtrent den inhoud en de beteekénis van hetgeen de leden met het hart gelooven en met den mond belijden.!*) En nu dat geschied is, mag de handhaving van het voorvaderlijk geloof in de kerk geëischt worden, niet op grond van de waarheid of de schriftmatigheid ervan — dat is door en voor de Kjerk reeds uitgemaakt — maar op grond van de onbetwistbare identiteit met de geloofsbelijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk. i^)

Groen verlangt niet een „onvoorwaardelijk en bekrompen Tiandhaven der Formulieren" en in geen geval in een tijd van aanvankelijke herleving na langdurigen doodslaap. i'') Hij durft een goed omschreven „geest en hoofdzaak", een „quatenus" dus, wel aan. 1') Nooit wil hij de formulieren beschouwd zien als den regel des geloofs — dat is alleen de Heilige Schrift —, maar de formulie- Ten zijn wel regel voor prediking en catechisatie; niet alleen wat sommige, maar wat alle geloofswaarheden betreft. 1*) Het prijsgeven der formulieren is niet slechts het prijsgeven van de Hervormde Kerk in haar wettig aanzijn en afzonderlijk bestaan, maar ook van de Evangelische waarheid. 15) Te zeggen, dat de Bijbel alleen voldoende toetssteen is, ook waaneer het de rechten der Kerk geldt, is een noodlotüge dwaling. Het onraiddellijk gevolg van het aanvaarden, daarvan is, dat er geen erkende belijdenis van allen, geen geloofsgemeenschap, geen Gemeente, geen Kerk kan ontstaan. Een bestaande Kerk zou er door vernietigd worden. Er kan niets anders tot stand komen dan een vereeniginig van menschen ter vereering van een onbekenden God, een bajert van gevoelens, een Babel der meeningen, ^o) En daarom: de vereeniging der Gemeente en het criterium van de Kerk ligt niet in veranderHjke Reglementen en voorbijgaande leerstellingen en grillen, telkens der regeerende partij, maar in de onveranderlijkheid van het geloof dat, in de menigvuldigheid en overeenstemming der vormen van beUjdenis aan het licht gebracht wordt, in het levend en blijvend Formulier, in ©en hetzij beschreven, hetzij niet beschreven Symbool, waarin de Kerk rekenschap geeft van haar hoop, waarin zich de historische eenzelvigheid van haar wezen, de voortzetting van haar persoonlijkheid openbaart. 21) „Waar het geloof is, daar is de gezindheid". 21a)

Voor die Nederlandsche Hervormde Kerk is het jaar 1816 een rampjaar geworden.

Algemeen werd destijds gedacht naar en geleefd uit de ideëen der Revolutie. 22) Overeenkomstig die alles overmeesterende, revolutionaire theorie werd de Kerk beschouwd en behandeld als een maatschappelijke inrichting in den Staat, onder het landsbestuur, als een element, dat moest worden geutiliseerd, als een werktuig dat zeer nuttig maar ook zeer schadelijk kon zijn en dat daarom in de hand dient gehouden en zelfs een "weinig moet worden geklemd, als een dienares, welke aan de hand van het Gouvernement behoort te gaan.

Geleid door deze theorie heeft de Regeering met schromelijke overschrijding van haar bevoegdheden de kerk geadministreerd, georganiseerd, gereglementeerd en gecentraliseerd. De Geref. Kerk v/erd 'n deel van de Staatsmachine, 'n Departement van Algemeen Bestuur. Er is toen een soort Rerk- Staat gevormd, waarin de leeraars bijna als ambtenaren, de lidmaten, ook als zoodanig, bijna als onderdanen werden beschouwd en waarin de Koning, die, als lidmaat der Gereformeerde Kerk geen rechten dan die van ieder ander lidmaat bezat, bijna als Regent en Opperhoofd werd aangemerkt. 23)

De Staat heeft, naar e'igen bekentenis geheel onbevoegd, voor de Kerk een organisatie gedecreteerd, strijdig met haar recht en behoeften, een organisatie, die in den grond der zaak desorganiseerend is. ? *) De instelling van de nieuwe Synode, met de geheele organisatie van 1816, was een daad niet yan, maar tegen de Kerk. 25) Ze is in haar and-presbyterialen oorsprong en inhoud ©en inbreuk op het recht van de Kerk, ^s) een met haar beginselen lijnrecht strijdende, nieuwerwetsche, anti-christelijke, opgedrongen kerkvorm, die de Herv. Kerk heeft verscheurd en bedorven. 2') Een anti-gereformeerde organisatie, ^s) een gouvernementale kerk, 29) een vijandig kerkbestuur, ^o) een gouvernementaal dwangjuk. ^i) De instellingen van 1816 zijn caesaropapislisch van aard. ^2) De Synode is maar in naam orgaan der Kerk, inderdaad is ze een creatuur van het Gouvernement, een dienares van den Staat, 3') ze heeft een onwettig, bestreden, wankelend gezag.''*) Aan kerkbesturen is geen gebrek, maar met de eigenaardigheid en het geloof der kerk staan ze in geenerlei verband, ^s) De organisatie bewerkt alleen de ongerijmdheid van een kerkgemeenschap enkel van reglement en traktement, ^G) Al zijn afkeer van het revolutionaire, anti-kerkelijke product van 1816 drukt Groen uit als hij spreekt van de „erbarmelijke misgreep van 1816". 3')

De gevolgen van deze desorganisatie der Kerk zijn verschrikkelijk. De waarheid heeft in haar geen uitsluitend burgerrecht meer. ^s) Met één pennestreek heeft de Synode niets of alles tot leer van het 'Kerkgenootschap gemaakt, s^) De Kerk is een vereeniging geworden, waaruit de Godloochenaar, zoolang hij zelf zich dien naam niet geeft, geenszins mag worden geweerd, daarentegen wel hij, die onvatbaar is om zich tot de hoogte dezer algemeene christelijke verbroedering te verheffen en in een kerkelijke verbintenis met Godloochenaars bezwaar vindt.*") In naam des vredes wordt in liaar door de leugen aan de waarheid het zwijgen opgelegd. De Synode buigt voor den Staat, om te heerschen over de 'Kerk. Zij laat elke verkeerde richting toe, begunstigt die en beschermt die, waar het noodig is, ook met de vervolging der geloovigen.«) Inderdaad wordt het gezag der formulieren vernietigd. *2) Politiek en kerkelijk liberalisme brengt met onrechtvaardige willekeur door middel van het kerkvernietigend stelsel de Kerk onder het juk van een partij, die vijandig slaat zelfs tegenover de grondtrekken van het algemeen christeUjk geloof. Alle waarheden, die de Kerk, als grondslag; der Gereformeerde, der Proteslantsche, der Christelijke belijdenis lieeft gesteld tot regel van prediking en onderwijs, tot Evangelische leus van Godsdienstoefening en gemeenteleven worden in de Hervormde Kerk ontkend. *3) De Kerkbesturen en zelfs de Algem. Synodale Comm. volgen een gedragslijn, waarbij elke waarborg tegen verloochening der waarheid tot een tooneelvoorstelling wordt. **) Er is een louter reglementaire kerk met feitelijke leervrijheid ontstaan^ die grootendeels in handen is gespeeld van de stelselmatige verloochenaars van alle geopenbaarde waarheid. *5) De oorspronkelijke Nederlandsche Hervormde Kerk ontaardt van lieverlede door grenzenlooze leervrijheid in een Academie van j geloovige en ongeloovige wetenschap, in een disputeer cdllegie, waar men naar den onbekenden God zoekt. De laatste levensvonk der historische Kerk, onder den reglementairen toestel en het veelsoortig ongeloof altijd nog smeulend, schijnt langzamerhand be worden gesmoord. ^^) De anti-christelijke kerkvorm is oorzaak van een oneerlijk bedrijf, een mystificatie, een quet-a-pens (valstrik), waardoor zielemoord wordt gepleegd.*'. De caesaropapistische organisatie is het steunpunt voor de moderne richting en is oorzaak van een taktiek, welke dient ter uitdrijving van het confessioneele, waardoor bet wezen der kerk door een inderdaad tragisch comediespel aan de vijanden wordt prijsgegeven. *8)

In 1873 schrijft Groen, dat het quatenus gekomen is tot het nee plus ultra der ongerijmdheid. Er is een verheerlijking van de reglementaire organisatie van den chaos. Grenzenlooze kerkvrijheid heerscht. *3a) Artikel XI van het Algemeen Reglement, *^) sinds 50 jaar op non-activiteit gesteld, al dien Üjd slechts een „slapende phrase", is nu een „vogelverschrikker", waarmee het gevogelte den spot drijft, .'t Is een zwaard door onbruik en roest verteerd. En dat niet alleen. Het is eenj vlag, die verboden waar dekt; een leus, die argeloozen misleidt; een bedriegelijke steun, waardoor men op de ware le\'enskracht der kerk geen acht geeft. 50)

Een half jaar voor zijn doo'd geeft Groen deze si tu atie-teekening:

Het Hervormde Kerkgenootschap week telkens meer van de Evangelische belijdenis af. Vóór weinige jaren werd sidderende gevraagd: „Is er nog een Gereformeerde, een Protestantsche, een Christelijke Kerk? "

Thans is men bij grenzenlooze leervrijheid tamelijk gerust. Langzaam maar zeker (wat er in het Kerkgenootschap gebeure) het wiegelied.

Thans berust men in de handhaving van Art. XI. In de handhaving; namelijk als slapende zinsneê. 51)

Daar de toestand der gereglementeerde Hervormde Kerk zóó is, verwacht Groen in geen enkel opzicht eenig heil van bestuursreorganisatie, want herziening der kerkelijke organisatie blijkt alleen maar ter bevestiging van den opgedrongen Kerkvorm te zullen strekken. *2) Jn 1842 is het zoo gegaan, dat de poort, door vorstelijke billijkheid geopend, om aan de kerk meer ware vrijheid' te geven, is gemetamorfozeerd in een bolwerk te meer ter insluiting van andersdenkenden. *3) In 1842 en 1852 is niets anders geschied dan de overlevering van de Kerk door den Staat aan de Synode, het creatuur van het Gouvernjement. En dit caesaropapistisch schepsel handhaaft de verkondiging van het ongeloof tot in het toppunt der anti-christelijke ontwikkeling en dat nog wel, terwijl het geroepen was tot handhaving der kerkleer. 5*) De Synode is van Staats creatuur zooals ze van den beginne was, een vrije, losbandige S taats erfgenaam geworden, ^s)

Zooals uit het bovenstaande reeds hier en daar bleek, onderscheidt Groen scherp tusschen de Hervormde Kerk, op geschiedenis en belijdenis gegrond, die reeds voor de grondwet bestond en door de grondwet werd erkend en het Genooischap, dat in 1816 werd opgericht. Het bekeadf Adres aan de Algemeene Synode (1842) begim aldus: De ondergeteekenden, leden van de Nederlandsche Hervormde Kerk en tevens van het Kertgenootschap gelijk dit in 1816 is opgerigt. 56) j.^, is een reglementair kerkgenootschap en een ooj. fessioneele Kerk. De Hervormde Kerk is niet eenzelvig met het in 1816 opgerichte gouvernementale kerkgenootschap. 57) Het Genootschap heeft zjci, zelfs facto afgescheiden van de Gereformeerde Kerk. 58) Jn het Kerkgenootschap zijn „andersdenkenden", bestrijders der Kerkleer en van hel bovennatuurlijke, ja, zelfs doodvijanden der Kerk.», In de gereglementeerde Kerk is nog wel een Hervormde Gezindheid „overgebleven", maar die is er niet ident mee. 8")

Behooren zoo lang niet allen, die in het „Genootschap" zijn tot de kerk, evenzoO' zijn er vdej buiten het Genootschap, die toch tot de Kerk behooren. 81) Zou de geloofsvereeniging met de Kerk beperkt zijn tot het opgeschreven zijn in de hoiken van een bij vorstelijk decreet opgericht genootschap? ''2) ]vjj.gt een van Gouveirnementswegc opgedrongen Kerkbestuur, maar de Gemeenten (! (uit de Kerkleer geboren) zijn de Kerk. '^'^a.)

Met name denkt Groen hier aan de Afgescheidenen. De Afgescheidenen zijn gereformeerden, gereformeerden bij uitstek. ^3) Ze hebben zich builen het Genootschap begeven, maar blijven bij de Herv. Kerk. •!*) Ze zijn gestooten, gesmaad, getergd en uitgedreven. ^5) In naam deir verdraagzaamheid is in 1834 de Gemeente gedeeltelijk uit het Hen, Genootschap gejaagd."") De Hervormde Kerk is thans in Synodaal-kerkelij ken en Afgescheidenen verdeeld."') Die vormen de tijdelijk uiteengeraakle deelen der Geref. Kerk. "8) De Afgescheidenen vormen een veerkrachtig deel der Hervormde Gemeente, ze zijn door het verlaten van een gouvernementaal kerkgenootschap, „welligt des te meer'' Ud gebleven van de Hervormde Kerk. s^)

Boven iedere andere kwestie heeft, naar Groens' meening, de emancipatie, de vrijmaking, het lierstel der Hervormde Kerk, op historie en belijdenis gegrona, den voorrang. Zelfs boven de gebiedend noodzakelijke schoolwet-herziening.'") Steeds dringender wordt daarom Groen's eisch, dat toch eindelijk de Kerk zal worden verlost van de caesaropiapislische organisatie.") Het denkbeeM van een dergeUjke vrijmaking der kerk stamt niel, zooals sommigen beweren, uit de school van Danton en Marat (leiders der Fransche revolutie) maar uit die van Savigny en Stahl (geestverwanten van Groen), 'ia) 'Voor dat doel moet een kerkelijke strijd worden gestreden en agitatie gewekt." Lang genoeg, zegt Groen in 1869, is de intrekking der organisatie van 1816 en 1852 gevraagd. Met dubbelen ernst moet op het periculum in mora (het gevaar van het uitstellen) worden gelet.") De regeering moet meewerken. Ze moet n.l. streven naar een wezenlijke scheiding van Kerk en Staat.'*) In de verwikkelingen die komen moet de Staat neutraal zijn. De Regeering moet zich van lieverlede zooveel mogelijk in onzijdigen toestand stellen te^genover de gouvemementale kerk, teneinde in den beftigen strqd die bijkans onvermijdelijk schijnt en waaruit scheuring zou kunnen ontstaan niet door een voortdurend legitimeeren van een onregelmatigen toestand, genoodzaakt te worden partij te Idezen voor een richting, die, naar veler oordeel vijandig is aan de Kerk.'5)

Zoo' moeten de boeien, waarin de Gereformeerde Kerkgemeenschap door een anti-gereformeerde organisatie is gebracht ten langen leste worden losgemaakt en dan niet als een gunst, maar ais een recht.'") Met en door die vrijmaking zal ook komen de hereeniging met de Afgescheidenen, waar 'Groen heel z'n leven lang zoo vurig naar heeft verlangd.") Al wil Groen in 1847 daar nog niet zooveel van weten, later komt hij met kracW op voor de „kerkregtelijke verdrijving der Modernen". Het streven daarnaar staat bij de w 1864 mee door Groen opgerichte Confessioneele vereeniging zelfs op den voorgrond.'s)

Afscheiding heeft Groen nooit gezocht en „of Afscheiding van 1834" heeft hij steeds afgekeurd. Die inbreuk op de rechten der Kerk, in 1816 g«' schied was wel feitelijk, maar geenszins naar recbt geschied. Handhaving der leer bleef verplictileDO. De Synode mèg niet en kan ook niet de forni''' lieren afschaffen of veranderen. Rechtens, en ach - gevend op het overblijfsel der geloovigen o» feitelijk, is het Kerkgenootschap de voortzettiB» van de Kerk. '"> ) Daarom behoefde men, en mocn' men dus ook niet aan afscheiding denken, 't «as ©en eigendunkelijk verlaten van den post, dooi God gewezen. Verlaten van ©en kerk is z*"* als het geen phcht is. Zoo is de AfscheidiUS ongeoorloofd, ontijdig, overijld, voorbarig, P^*^' matuur.»")

T^cEëK»ïi8 ^^ '^^^ ^^^ gezocht. Maar blijkens het bovenstaande kan de noodzaak tot Afscheiding inderdaad komen. Zullen wij ons afscheiden? vraagt Groen in 1847. En hij antwoordt: „Welligt; te weten, op de voorwaarden die wij van den beginne af als de conditio' sine qua non van ©en geoorloofde (!) Afscheiding gesteld hebben. Ja, |, ji zuUen ons afscheiden, zoo men ons bewijst dat de SymboUsche Schrift in bet kerkgenootschap geen wettig gezag heeft; dat elk uitzigt op verbetering en herstel onder de vrome wenschen of droomerijen van welmeenend zelfbedrog behoort"."))

Afscheiding mag niet gezo'cht, maar ze kan noodzaak worden. Want Groen wil ©en kerkrechte^ lijken, wettigen strijd tengevolge waarvan onze ggnige troost in leven en sterven óf als grondslag van het Kerkgenootschap wordt erkend, „of, zoo dit ondoenlijk bevonden wierd, aan een vrije Kerk, voortzetting der Nederlandsche Gereformeerde Kerk, ten grondslag zou worden gelegd." s^)

Afscheiding mag niet gezocht, maar wanneer de burgerlijk© rechter het kerkrecht zou miskenaön en deze misfceiming ©en onoverkomelijk bezwaar wordt tegen de gehoorzaamheid aan het Hoofd dei Cremeent© ©n tegen de ontwikkeling van het geloofsleven der Kerk(!) dan „zou, bij Christelijke getrouwheid, in Nederland geschieden, wat onlangs in Schotland is geschied: d© Kerk zou, ten kost© van opoffering en lijdan, onafhankelijk worden van de menschen, om afhankelijk te blijven van den Heer." *')

„Geen Afscheiding, maar Kerldierstel moet worden bedoeld."

„Afscheiding kan het gevol'g zijn; maar dan onder den vorm van zoodanig ©en Vrij© Kerk, waardoor (ook bij en welligt om haar volkomen afscheiding van den S t a a t) de regten ©ener Christelijke natie, d© regten ©ener Protestantsch© bevolking fcmmen worden beschermd." s*)

Geen Afscheiding, — maar — nooit kan ©en dergelijke organisatie, geworteld als ze is in caesaropapistische willekeur, ©en kerkeraad ontheffen van de verplichting om ©en godslasterlijke prediking onverwijld te beletten, s*)

Geen Afscheiding — maar met een anti-christelijke richting Ininnen Christenen geen kerkgemeenschap hebben en zoolang de kerk een Christehjbe is, hebben Christenen het recht ©r in te bhjven, doch slechts dan, wanneer ALLES geschiedt om de anti-christelijk© moderne richting kerkelijk ©r uitte drijven. Scheiding wordt onmisbaar, hetzij men de modernen er uit drijft, hetzij: men' door hen uitgedreven wordt, ss)

Geen Afscheiding — maar het blijven in ©en f€ iÉeIijk-regl©m©ntaire berk is ongeoorloofd, zoo men niet een strijd aanbindt di© op overwinning kans geeft. 8')

Geen Afscheiding — maar in 1864 verlangt 'Groen onverwijld© schorsing van den modernen Haagseben predikant Zaalberg en kennisgeving daarvan aan hooger kerkbestuur. En daarna? Doorzetten, niet lafhartig terugdeinzen voor een onchristelijk bevel van een zoogenaamde Synode. Eten algemeen© strijd zou dan kunnen ontstaan di© bet begin van het eind© kon worden. „De vrijh©id eener Cliristelijke Gemeente ter pligtbetraohüng zou over den geestverdoovenden synodalen toestel, onder dankbare blijdschap van elk di© het Evangelie lief heeft, d© overhand hebben bebaald.ssj

'Geen Afscheiding — maar Groen is in 1868 overtuigd dat d© Kerkeraad van D©n Haag moeit verklaren geen persoon op de'U kansel te kunn'öu toelaten die zich door zijn lastertaal buiten de gemeenschap 'der christelijke kerk gesteld heeft. Het woord: Ik kan niet anders. God help© mij, zou een daad zijn, ©en begin der gewenscht© agitatie ter verbreking van d©n reglementairen toovercirkeil, di© telkens meer de gemeente onder de slavernij van het ongeloof brengt, s^)

Groen heeft heel zijn leven geworsteld de „Vrije Kerk". om

„Verbreek het gouvernementale kerkgenootschap in 1816 gesticht; de Hervormde; kerkg'Ome ens chap herrijst en ontplooit zich in hislorischen vorm". „Laat de V r ij e en aldus C o n- f'Bssionele Kerk herrijzen uit het graf van den reglementairen toestel". „Inderdaad, geef ons de mj-e Kerk", roept hij in 1869 uit. 9») En vol meed is de grijsaard voor de toekomst. Meer dan 70 jaaroud, schrijft hij deze profetische woorden: Indien de Ij'hristenende Scheiding van Staat en Kerk a^nvaardeninChristelijk-histoi^schen zin. Indien de Kerk ^an dikwerf schadelijken band losgemaakt, indien deze zelfstandige Kerk in 't besef'van roeping en "racht, den onzijdigen Staat, door evangelizeirende P'iigtbetrachting met eigen levensbeginsel bezielt... Js-^i gaat de vrij© Kerk in den vrijen Staat ©en "eilrijfce, een heerlijk© toeko'mst tegemoet, «i) • *

Wat zou Groen in 1888 hebben gedaan?

We weten het niet ©n we willen niet gissen. Uit weten we: Groen heeft de revolutionaire ^p'^^satie van 1816 in al haar verderf scherp het •"'*' ^^^ ii^eïl meer dan iemand anders in j ."''dden der vorige eeuw, tegenover ethisch- ^nische lauwheid het kerkelijk" besef opgewekt Verhelderd. Hij heeft de oogen geopend' voor de schuld der gieloovigen aan den vervallen toestand 'der Kerk, Hij heeft nadrukkelijk gewezen op den eenigen eisch, dien God ook ten aanzien van het kerkelijk leven aan Zijn kinderen stelt: gehoorzaamheid, alleen maar: gehoorzaamheid.^ia)

Dit weten we: hij heeft het zaad gestrooid, waaruit de Doleantie moest opschieten, den strijd ontketend, die in 1886 tot volle felheid kwam, dte wapens gesmeed, die de zege konden behalen, den weg naar de vrijheid gewezen, de leus geformuleerd, 'die de mannen van '86 heeft bezield' „vrijmaking der kerk", „afwerping van het juk".

Dit weten we: jaren lang heeft hij met vreugde en hartelijke instemming Dr Kuyper's strijd voor fcerkherstel gevolgd, ^s)

Dit weten we, dat de trouwe vrienden van Groen, Elout van Soeterwoude en Keuchenius „het juk 'der aan de Nederlandsche Gereformeerde Kerk vijandige Synode" ten slotte hebhen afgeschud. ^2)


1) Nederl, Gedachten (hier steeds geciteerd de tweede serie) I, 134; II, 96; vgl. III, p. 159, 160.

2) Regt der Hervormde Gezindheid, p. 20, 21. Ned. Ged. I, 98/9; II, 247/8. Zie ook noot 77-

3) Narede van vijfjarigen strijd, p. 15, 58. Vgl. Ned. Ged. III, p. 318.

4) Deze namen gebruikt Groen afwisselend, zie b.v. Het Regt enz. 1.

5) Ned. Ged. V, p. 108.

6) Ned. Ged. III, p. 294; vgl. 342; vgl. Regt, p. 117; Vrijheid v. Chr. Nat, onderwijs enz. p. 67.

7) Regt, p. 64; Ned, Ged. I, p. 126: „Niemand heeft meer dan ik de staatsregtelijke gelijkstelling der gezindheden aanvaard", II, p. 280; III, p. 253, 290 v.

8) Adres a. d. Herv. Gem.; 1843, 87; Adviezen i. d. 2e Kamer in dubbelen getale, p. 144; Regt, p. 64. Parlement. Stud, en Schetsen, XVIII, 23.

9) Ned. Ged- III, p. 294; vgl. p. 342.

10) Regt, p. VI, Vil­

li) Idem, p. 66-

12) Regt, p. 23. „Zander handhaving van een regel, zonder geloofseenheid, op grond waarvan men belijdt en uitsluit, zie ik geen kerk". Leervrijheid of Kerkbewustzijn, p. 23.

13) Regt, p. 28, 126; Narede, p. 165.

14) Regt, p. 20.

15) Idem, p. 70, 76, 93.

16) Idem VI, p. 40, 120.

17) Adres aan de Algemeene Synode enz., 2e druk, p. 5 v.; Adres a. d. Herv. Gem., p. 45; Regt, VI, 38, 40, 110, 120; Aan Ds van Velzen (1848), in: Verspr. Geschr. II, p. 129.

18) Adres a. d. Herv. Gem., 1843, p. 89.

19) Idem, p. 92; Regt, p. 95.

20) Regt, p. 70, vgl- p- 6, 20.

21) Regt, p. XIII; Kerkgemeentelij k Overleg, p. 27; Ned. Ged. H, p. 96; vgl. Regt, p. 100: „Het kenmerk der Gezindheid is het Formulier waarbij de leer geconstateerd wordt".

21a) Maatregelen, p. 62.

22) Ned. Ged. I, 120 v.

D e Revolutie, dus niet een of andere verplaatsing van het gezag, zooals b.v. de Fransche revolutie was, maar de omkeering van denkwijs en gezindheid in geheel de Christenheid openbaar, waarbij Gods Woord en Wet ter zijde wordt gelegd. Ongeloof en Revolutie, 1904, p. 4; vgl. Stud, en Schetsen der Schoolwet herziening, XIV, p. 47—50.

23) Maatregelen tegen de Afgescheidenen enz., Leiden, 1837, p. 14, 15; Narede, p. 64; Vrijheid van Christel. Nat. Onderw., p. 99; Ned. Ged. I, p. 122; Ned. Ged. II, p. 96.

24) Adres a. d. Herv. Kerk, p. 81.

25) Regt, p. 41.

26) Regt, p. 105; Verklaring van 1848 Verspr. Geschr., p. 96; Kerkgemeentelij k Overleg, p. 100.

27) Parlement. Stud, en Sch-, XIII, p. 12; Ned. Ged. I, p- 76; V, p. 108.

28) Ned- Ged-, I, p. 134.

29) Natuurlijk of Ongerijmd, p. 27. Ned. Ged. I, p. 76.

30) Narede, p. 165.

31) Ned. Ged., I, p. 98.

32) Parlement- Stud, en Schetsen, IV, p. 27. Ned. Ged., I, p. 28, 29.

33) Ned. Ged., I, p. 17, 122, 156.

34) Adres a. d. Ned. Herv. Kerk, p. 64.

35) Parlement. Stud, en Schetsen, XIII, p. 12.

36) Leervrijheid of Kerkbewustzijn, p. 8.

37) Ned. Ged. I, p. 115.

38) Maatregelen enz., p. 21.

39) Idem, p. 22.

40) Adres a. d. Herv. Kerk, p. 29.

41) Idem, p. 41.

42) Idem, p. 47, 76.

43) Narede, p. 18, 59; Regt, p. 61, 62; Vrijheid van Christelijk Nat. Ond. enz, p. 99.

44) Narede, p. 66.

45) Vrijheid van Chr. Nat. Ond. enz., p. 99, 101.

46) Confess, of Reglement, p- 1; Natuurlijk of Ongerijmd, p. 2. Vgl. Regt, p. 4.

47) Parlement. Stud, en Sch., XII, p. 13; XVII, p. 21; Kerkgemeentel- Overleg, 99.

48) Ned- Ged- I, p. 28/9, 91, 98, 99.

48a) Ned. Ged. V, p. 107, 159.

49) Dat artikel luidt: „De zorg voor de belangen, zoo van de Christelijke kerk in het algemeen als van de Hervormde Kerk in het bijzonder, de handhaving harer leer moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen, met het kerkelijk bestuur belast zijn".

50) Ned. Ged., V, p. 98.

51) 20 Nov. 1875; Ned. Ged-, VI, p. 30.

52) Adres a. d. Herv. Gem., p. 42; vgl. de opmerking over de ministerieele dispositie van 1842, p. 80.

53) Regt, p. 117.

54) Ned. Ged., I, p. 17.

55) Ned. Ged., I, p. 135; II, p. 96.

56) Dit adres werd door Groen opgesteld. Geciteerd is de 2e druk. Leiden 1842, p. 1. Telkens komt Groen op die tweeheid van reeds lang bestaande Kerk en in 1816 opgericht Genootschap terug. Vgl-: Maatr., p. 1, 16; Kerkgemeentelij k Overleg, p. 32, 49; Confession, of Regiem., p. 1; Parlem. Stud- en Sch- IV, p. 27; Ned. Ged. I, p. 76, 99; II, p. 319; V, p. 39, 107, 375.

57) Ned. Ged. I, p. 292; V, p. 39.

58) Maatr., p. 61.

59) Regt, p. 77, 84, 117; Kerkgem. Overleg, p. 11.

60) Regt, p. 40, 93/4, 125/6; Kerkgemeentel. Overleg, p. 46; Narede, p- 165-

61) Ned- Ged- I, 294; V, 375.

62) Regt, p- 56- Aan de Herv. Gem., p. 80.

62a) Ned- Ged. V, 99.

63) Maatr., p. 60, 62. Het beginsel der Afscheiding was behoefte aan de waarheid, Maatr., p. 38; Regt, p. 129, 133, 134.

64) Maatr., p. 61; Regt, p. 133/5; Parlem. Stud, en Sch., IV, p. 27.

65) Maatr., p. 39; Ned. Ged I, p. 119. . Ned. Ged. I, p. 119.

66) Narede, p. 165; Ned. Ged., I, p. 30.

67) Ned- Ged-, I, 115; II, 247/8.

68) Ned. Ged. II, p. 284.

69) Ned. Ged. II, 247/8; V, p. 99.

70) Ned. Ged- I, p. 115; VI, p. 53. Verklaring 1848 in: Verspr. Geschr. II, 97.

71) Alan de Herv. Gem., p. 79—84; Regt enz., p. 88—93; Verklaring 1848, in: Verspr. Geschr. II, 97; Narede, p. 59; Ned. Ged. I, 8, 17, 29, 76, 91/2, 98/9, 100, 104, 115, 119, 125, 129, 132, 134, 148, 164, 188, 229, 308; II, 96, 247/8; III, 159/160; V, 108, 159-

71a) Ned- Ged. III, 159/160.

72) Parlem. Stud, en Sch-, XVII, 21; XXI, 17; Kerkgemeentelijk Overleg, p. 95; Ned. Ged. I, 17, 76.

73) Ned. Ged. I, 76.

74) Vergelijk voor Groens opvattingen inzake scheiding van Kerk en Staat: Vrijdheid van Chr. Nat. Schoolonderw. enz- 1863, vooral de inleiding-

75) Groen in de Kamer, Nov- 1863; Ned. Ged. I, p. 76; Natuurlijk of Ongerijmd, p- 27-

76) Ned. Ged. I, p. 134.

77) Regt, p, 21, 136; Narede, p. 57; Kerkgem. Overleg, p. 46, 101; Ned. Ged. I, p. 99, 115; II, 247/8; III, 159; V, p.

108 375 78) Kerkgem. Overleg, p. 95. Parlem. Stud, en Sch. XV, p. 32; XVI, p. 26; XVII, p- 20; XXI, p- 17 en Natuurlijk of Ongerijmd.

79) Maatr-, p. 35; Aan de Herv. Gem., p. 76—79; Regt, p. 4, 5, 33, 40, 41, 42, 119; V; Kerkgem. Overleg, p. 95.

80) Aan de Herv. Gem., p. 76—77; Regt, 128, 132; Kerkgem. Overt, 96, 100; Ned. Ged- III, 159; V, 292.

81) Regt, p. 136.

82) Regt, p. 20.

83) Regt, p. 41. In Schotland vond een afscheiding plaats, onder leiding van Chalmers, in 1843. Zie ook daarover Kerkgem. Overleg, p. 97.

84) Narede, p. 70.

85) Parlem. Stud, en Sch. XIII, p. 12; XVII, p. 20.

86) Dit schrijft Dr Schwartz in De Heraut. Groen citeert het in Parlem. Stud, en Sch. VI, p. 26, en zet onder het citaat: Zeer juist. Onophoudelijk, sedert 1842 en vroeger tegen de modernen of vaders der modernen ook door mij gezegd. Vgl- Regt, XVII: „Zoo men aldus of een uitdrijven of een uitwijken der geloovigen onvermijdelijk maakt".

87) Parlement- Stud- en Sch- XVII, p. 21.

88) Confessioneel of Reglementair, p. 3, 4.

89) Bijdrage voor Kerkgemeentelijk Overleg, p. 1.

90) Ned. Ged- I, p- 99, 115.

91) Ned. Ged. V, p. 367/8.

91a) Regt, p. 80.

92) Kerkgemeentelijk Overleg, p. 17, 45, 50. Ned. Ged. I, p. 68, 76, 115, 135, 164, 196, 212, 213; III, p. 338; V, p. 176.

93) Gaarne zoti ik breeder behandeld hebben Groens beschouwing omtrent de „scheiding" van Kerk en Staat en zijn wenschen inzake de theol. faculteiten aan de Openbare Universiteiten. Groen wilde b.v., dat de Kerken niet gebonden zo'uden zijn bij hun beroepingswerk aan de candidaten, gevormd aan de openbare universiteiten, Parlem. Stud, en Sch- IX, p. 25, maar dan zou dit toch reeds lange artikel t e lang zijn geworden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1936

De Reformatie | 24 Pagina's

Groen van Prinsterer en de vrijmaking der kerk.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1936

De Reformatie | 24 Pagina's

PDF Bekijken