Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

13 minuten leestijd

Pinksteren.

(Het arme? feest.)

Pinksterfeest is wel eens als het „arme feest" isquaJiticeerd'.

Wanneer we dje uitdrukking hier overnemen, ten we dat alleen formeel, als door anderen gekrakt, zonder dat we de..er mee ni.tgednikte kaakleristiek voor onze rekening nemen.

, Arm" en „feest" zijn trouwens ook al twee Sagen, die heel slecht bij mekaar passen; en geteld' men zou „arm" terwille van de welluidenddoor een eenigszins meer voegelijk synoniem rillen vervangen, zoo zou ook daarmee de zaak mt veel veranderen: het bleef een contradictio 1 terminis.

Men kan het in den mond nemen; ook op het ipier zetten; maar de logische geest zal het oortel vellen: Dat gaat niet; dat hoort niet bij kaar.

Een f e e s t kan nu eenmaal niet aan den arme- Ijken kant zijn. Dan is het geen feest meer, of het moet een feest van behoeftigen zijn, en dat is Pinksteren niet. Want het is een Feest van deni iijkste der rijken, van den Bezitter van het goud 1 zilver en van het vee op duizend bergen^), en «nneer Hij een Feest geeft, dan is het ook zulk «D, waar Hij van Zijn rijkdommen te genieten leeft

Als het een feest is, en de arme voor een feest H het beste bij elkaar brengt, dat zijn hand 'ereiken kan, dan kan een Feest van Hem niet 'i^i of scliraal, of hoe ge het noemen wilt, zijn. > vendien kan ook om andere reden dit Feest ! „arm" Feest zijn. Laat het een feit wezen, menige dominee er over klaagt, dat er geeni H van den jaar lij ksclien feestcyclus is, die zoo- *1 moeite biedt voor het maken van een frissche, wendige, practische preek, en dat b.v. Kerstfeest J'Paschen veel rijker is in dat opzicht, dan moet 'ïarop toch worden geantwoord, dat dit oordeel l * juist zijn kan, zonder daarmee te beweren, , een dergelijke gedachte bij schrijver dezes "•^ffler eens is opgekomen.

™ moeten echter maar eens „in de lijn" blijven. Maat Pinksteren soms los naast Kerstmis, Pam en Hemelvaart? Hangt het daar maar zoo '* bij aan?

«nder eenigen twijfel niet. ueze vier vormen een vast aaneengesloten ? |is, waarbij het een op het ander volgt. Wie 1^1 Kerstfeest is geweest, moet bij Paschen terecht- "men; wie Paschen heeft gezegd, moet ook "aelvaart zeggen; en Hemelvaart en Pinksteren ya in eikaars verlengde.

j/a niet de Heiland Zelf reeds in Zijn vernede- , §1 dat Hij straks verhoogd zou worden en jngaan tot den Vader en vandaar den Trooster ''uden? 2) Indien het dan zoo is — en wie zou het willen betwisten? — dan staat evenzoo vast, dat we daarin ook een opklimming hebben van het lagere tot het hoogere; een voortschrijden van het mindere tot het meerdere. Alle vier dagen van' herr denking zijn een herinnering aan de fasen uit het steeds voortschrijdende werk van het vleesch geworden Woord, dat geboren werd in Bethlehem, en als de aanvankelijke kroon op dat werk vaa den Vader dien Trooster zendt. Die in alle waarheid leidt.

Dat kan geen „arm" Feest wezen! Wil echter iemand toch die gedachte vasthouden, en bij dit Feest van armoede spreken, laat hij het dan niet hebben over het Feest, maar over de „paupertas" van den eigen menschelijken geest, die den rijkdom van den Geest van God in zijn lengte en breedte en diepte en hoogte, en in zijn veelkleurigheid niet bevatten kan.

Het is dan ook zeer de vraag, of iemand, die dan toch in elk geval relatief wil spreken van een „arm" Feest, door Pinksteren te vergelijken met de er aan voorafgaande Feesten, ooit wel den rijkdom van die voorafgaande Feesten heeft gepeild, en of hij niet in uitwendigheden is blijven Hangen, en die voor het wezenlijke iieeft aangezien.

Want we mogen in geenerlei verhouding spreken van een „arm" Feest.

Het is rijk, omdat het een Feest is van Hem, van Wien alle goede gaven afdalen. En het is rijk, omdat Hij dit Feest geeft als de kroon op alle Feesten, die Hij Zijn Gemeente heeft geschonken.

We moeten daartoe maar eens een oogenblik aan het vergelijken gaan met een bepaald punt, dat bij elk van die F'eesten meer of minder naar voren komt.

Want wat wij op onze Feestdagen herdenken, is datgene, dat door de profeten des Ouden Testaments werd aangekondigd met den naam van „Dag van Jahweh".

De Dag van Jaliweh. Dat is de groote, geweldige „dag", waarop Jahweh, de God van Israël, die ook is de Schepper van de einden der aarde en de God der geesten van alle vleesch — Hij is heusch niet alleen maar de „Jodengod!" — tot Zijn volk zal komen en hun brengen dien heerlijken tijd, waarin Hij de vervallen hut van David weer zal oprichten; het is de Dag der openbaring van Zijn Heil, dat komen zal door groote gerichten: met een zon, die veranderd zal worden in duisternis, en een maan in bloed; met sterren die van den hemel vallen; het is de dag, die wordt ingeleid met en aangekondigd door een sidderende aarde, die zal waggelen gelijk een dronkaard en bewogen worden als een nachthut, en waarbij uiteindelijk de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de aarde met hare werken die er op, zijn verbranden, en de elementen zullen versmelten in den gloed van dien grooten wereldbrand, waaruit nieuwe Hemelen en een nieuwe aarde zullen tevoorschijn treden, herschapen door de almachtige Hand des Heeren.

Het is de „dies irae, dies illa", die „siolvet saeclum in favilla". 3)

Zijn er bij elk van die gebeurtenissen, waaraan onze Feestcyclus ons herinnert, ook sporen te vinden, dat het dien kant uitgaat, en die „dies irae" nader komt? Ze zijn er!

Ze zijn er heel spaarzaam, wanneer bet begin van dien „Dag van Jahweh" is gekomen: met de

Geboorte van den Koning der Joden te Bethlehem. Dan wordt door den Engel, die zijn Geboorte aankondigt, reeds gesproken van dat eeuwig Koninkrijk, dat geen einde zal hebben. En bij de Geboorte zelf komt er een wondere beweging in de natuur: Engelen dalen neer in Hemelsch licht, en Wijzen in het Oosten zien Zijne ster (in biet) „opgaan".

Het zijn echter maar heel vage aanduidingen. Op Bethlehem is Golgotha gevolgd. Daar zien we er meer van.

We zouden ook nog kunnen wijzen op andere dingen, die tusschen Bethlehem en Golgotha liggen: op de woorden, gesproken door dat vleesch geworden Woord Zelf, waarmee Hij de verdere ontwikkeling van dien „dies irae" heeft aangekondigd.

We gaan daaraan voorbij. We willen ons beperken tot de „Feesten". En dan komt eerst het Pascha. Dat groote Paaschfeest, dat door Christus vervuld werd, verloopt in twee fasen, die beide iets laten zien van dat Gericht, van dien dag der toekomst, waarvan reeds de profeten spraken, toen de Geest van Christus in hen getuigde.

Dé eerste fase is Golgotha. B-eeft dan niet de aarde, wanneer de Zoon van God Zijnen Geest beveelt in Zijns Vaders handen? Daar scheuren de steenrotsen en de sluitsteenen der grafspelonken worden weggeslingerd, en dooden treden levend uit de graven tevoorschijn. Dan komt de tweede fase: De Opstandingsmorgen. „Drie dagen" later.

Dan is het weer „Gericht". Want een Engel daalt neer van den Hemel in bliksemend licht, doet de aarde beven onder zijne voeten, en wentelt den steen van het graf des Heeren.

Er is weer een aardbeving, een rechtstreeksche aanwijzing van de nadering van het gericht Gods. En we zijn al weer verder, dan voor „drie dagen": thans treedt Christus als de Levensvorst uit Zijn graf, en maakt tegelijk, dat die opgestane heiligen nu aan velen kunnen verschijnen in de Heilige Stad. We zien al geleidelijk de zaligheid, die het Gericht meebrengen zal, op den voorgrond stellen.

We komen tot Zijn Opvaart, veertig dagen daarna, en het gaat weer een stap vooruit. Want de Heere vaart op van de aarde om plaats te nemen aan de Rechterhand Gods, en we hooren weer van dien grooten dag Zijner wederkomst nu: de Boden Gods zijn er weer, en spreken er van, dat de discipelen Hem alzoo zullen zien wederkomen,

gelijk Hij van hen is opgevaren. Het is anders, dan vroeger. Maar het gaat in dezelfde lijn voort. Letten we maar eens even op: Eerst, op Vrijdagavond, was alles schrikwekkend: de aarde beefde en de graven sprongen open en dooden stonden op.

Toen, Zondagmorgen daarop, weer een aardbeving en een open graf, maar nu komen de opgestanen in de Heilige Stad, om een voorbeeld te geven van het ingaan van al de heiligen eens in de Heilige Stad der toekomst, die als het Nieuw Jeruzalem zal afdalen van den Hemel van God. Het is minder schrikwekkendj dan op den avond van 's Heilands sterven, maar een meer duidelijke heenwijzing van het naderende Heil des Heeren. Vooruitgang!

Naar diezelfde orde gaat het voort op den dag der Hemelvaart. Want het „alzoo", waarvan die twee mannen met witte gewaden spraken, ziet zonder twijfel op het lichamelijk wederkomen des Heeren, maar evenzeer op het zegenrijke van Zijn iwederkomst: zegenend voer Hij heen; zegenend zal Hij weer verschijnen voor Zijne discipelen. Is het geen vooruitgang?

Of wil mogelijk iemand' den vooruitgang daarin zien, d'at het al schrikkelijker moet worden?

Dat kan alleen hij maar meenen, die de Weder- (komst des Hoeren ziet als den dag, die anders niet is, dan een dies irae, een dag van toom. Maar hij heeft ook nog een andere zijde, en die is de hoofdzaak: hij is ook een dies gratia e, een dag der genade:

Haec est dies nostrae spei, Huius mira vis diei Legis 'teslimonio. *)

Wie het zóó ziet — en het is niet anders — die zal ook tot het inzicht komen, dat de rijkdom van die genade op den Pinksterdag weer duidelijker in hel licht is gesteld, en de Godsopenbaring weer in die richting is vooruitgegaan.

Niet voor hen, die meenen, dat die „dag van Jahweh" uitsluitend of overwegend een dies irae is.

Daar hooren we ook wel iets van. Petrus heeft het er over; over die woorden van Joel, dat de zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed eer die groote en doorluchtige dag des HEEREN komt.

Maar hij heeft gelukkig wat voorafgaat niet vergeten: het profeteeren, en droomen en gezichten zien door jong en oud, door kinderen en knechten, dat alle vleesch den Geest ontvangt! En dat is de hoofdzaak van „dien dag". Ook van het Eindgericht: Vervuld met den Heiligen Geest.

We worden hier nog duidelijker dan. te voren gewezen op het volkomen Heil, dat in dien „dag" het deel zal worden van Christus' Gemeente.

We willen met dat alles niet zeggen, dat de beteekenis van den Pinksterdag alleen maar van toekomsügen aard zou zijn. Hij is( dat evenmin als het feit, dat we met de viering van Kerstfeest herdenken, of als Christus' sterven en opstaan. Doch er ligt een profetisch element in, zooals ook in die gebeurtenissen, en dat element der profetie is tegelijk weer de genade, die het Pinksterfeest zelf inhoudt.

Wal is dat dan voor genade? We moeten daarvoor eerst maar eens nagaan de beteekenis van het oud-testamentische Pinksterfeest. Want dit Pinksterfeest wordt uitdrukkelijk genoemd de vervulling van dat van den Ouden dag. Dat is ontegenzeggelijk de bedoeling mee, wanneer er staat, dat „de dag van het Pinksterfeest vervuld was". We komen hier in aanraking met het vervulde Pinksterfeest.

Wat was dan hel onvervulde Feest? Pinksteren was het feest der eerstelingen. Op dien dag bracht Israël twee brooden der eerstelingen tot een beweegoffer voor het Aangezicht des Heeren. ^)

Dat waren eerstelingsbrooden, d.i. de eerste brooden van den nieuwen oogst van dat jaar. Die werden den HEERE gewijd. Israël gebruikte geen brood van zijn oogst, of liet moest eerst die brooden in het Heiligdom hebben gebracht. Nu zijn de eerstelingen de vertegenwoordiging van wat er volgt.

Op die wijze wijdde Israël heel zijn oogst aan den HEERE, en gaf alles aan Hem. Zoo gaf het volk zijn leeftocht aan Zijn God. Waartoe?

Om zoo te kennen te geven, dat het niet leefde van zijn brood, maar uit de Hand zijns Gods. Israël leefde pas, en kon alleen maar leven, wanneer het den HEERE had gegeven, wat het voor zijn levensonderhoud noodig had; niet van het brood, maar van alle „woord", dat uit den mond des HEEREN uitgaat.

Dat was symboliek. Heden is die dag van Pinksteren vervuld. Dat wil zeggen: Nu is de tijd aangebroken, waarin zal worden geopenbaard, wat Pinksteren aan schaduwen in zich heeft gehad; wat Christus als Zijn schaduw heeft vooruitgeworpen in de viering van het „oude" Pinksterfeest, dat wordt nu „nieuw"; wordt werkelijkheid.

Zooals Israël van den Ouden Dag zich op Pinksteren met het zijne den HEERE kwam toewijden om daarin zijn leven te vinden, zoo komt nu de Kerk des Heeren zich ook met het hare toewijden aan den Heere haren God, om daarmee te verklaren: Hier zijn we met alles, wat we hebben en zijn om U, onzen God er mee te dienen, en dat is ons leven!

Pinksteren is het Feest van het leven, het geestelijk leven uit den Heiligen Geest. Maar was dal vroeger dan ook niet zoo? Niemand zal dat bestrijden, zoomin als iemand het zal betwisten, dat het kruis van Christus ook voordat hel op Golgotha was opgericht, de eenige grond der zaligheid was.

Doch die levenskracht is nu veel rijker geworden !

De aanraking met den Heiligen Geest is nauwer; er komt persoonlijk contact met Hem; en hel openbaart zich als gevolg daarvan ook met veel meer energie!

Er wordt thans een leven des Geestes gewekt in de Gemeente des Heeren, zooals dat nog nimmer te voren het geval is geweest, door de persoonlijke aanwezigheid van den Geest in de Kerk en in elk lidmaat van deze.

Het is de Geest, Die de Kerk doet leve% en haar een rijk en heerlijk leven geeft, dat opbloeit in schoone bloesem en rijpe vrucht tot eere van God.

En nu gaan we verder. We hebben straks reeds even op dat woord van Petrus gewezen, waardoor ook Pinksteren wordt geplaatst in het raam van de wederkomst des Heeren, en dus een eschatologische beteekenis ontvangt en profetiscli vooruit wijst.

En we vergelijken even met de andere „Feesten". Zijn we dan achteruit gegaan?

Of is dal soms minder, dan datgene, waarop die andere Feesten ons wijzen, wanneer hier wordt heengewezen naar dat heerlijke, volle, zalige leven in het Nieuw Jeruzalem, waarin al de opgewekte heiligen zullen ingaan om te zien het Aangezicht Gods; om als Zijne dienstknechten Hem Ie dienen en daarin het leven te vinden?

Wie durfl er nu nog spreken van een , , arm" Feest? Neen, het is niet „arm", maar rijk! Het Feest van het rijke, zalige leven der geloovigen uit den Geest des Heeren!

Looft, o volk! den Geest des levens, Hem, Die schept en wedersohept. Dien ge in 't hart ontvangen hebt!^)


3) Vertaald: O, die dag, die dag van toom, die de wereld zal oplossen in asch.

4) Zyma vetus, door Adam van St. Victor; vertaald: Dit is de dag onzer hoop, Van welks wondere kracht Gij leest in de getuigenis.

•5) Lev. 23:15 v.v.

6) Da Costa.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1936

De Reformatie | 12 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1936

De Reformatie | 12 Pagina's

PDF Bekijken