Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dr Kuyper en het sociale leven.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dr Kuyper en het sociale leven.

22 minuten leestijd

Om de groote beteekenis van Dr A. Kuypeir voor het sociale leven van ons volk recht te verstaan, is het noodig te letten op den tijd waarin deze machtige figuur naar voren treedlt. Het was de bloeitijid van 'tmo'demism'6 en van 't liberalism e.

Het modemisme in ide kerk, het liberalisme op publiek terrein. Het was de tijd van het christendiom boven geloofsverdeeldheid en van het chrisbendomi van de binnenkamer. Op sociaal gebied had het geen andere bood'ischap dan lijdelijk berusten in so'raale misstanden.

Hoe de verhoudingen allengs geworden waren, kan men lezen tn het boek van Dr I. H. Brugmans: „De arbeidende klasse van Nederland in de 19e eeuw".

Tegen de daarin beschreven maatschappelijke wanverhoudingen en sociale zonden waren reeds de mannen van het Reveil: Büderdijk, "Willem van Hogendorp, Da Costa en Groen van Prinsterer in verzet gekomen.

Laatstgenoemde schreef in zijn „Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap'":

„Armoede, geen werk, verbiroken verhouding der „hoogere en lagere standen; geen betrekking dan „van loon en arbeid; proletariërs en kapitalisten. „Wat zal hieruit voortkomen? „Het is onzeker, maar het is niet twijfelachtig „waaruit het voortgekomen is.

„Uit vrijheid en gelijkheid in revolutionnai- „ren zin."

En wanneer hij dan geteekend heeft hoe als gevolg van het laat-maar-loopen stelsel, van het liberalisme, de overmacht van het kapitaal en de onderdrukking der handwerklieden steeds toeneemt, eindigt Groen met de woorden: „Zij heeft Europa in een toestand gebracht. „akelig en somber genoeg om velen sidderend „te doen uitroepen: is er geen middel om gewij- „zigd de associaüën te doen herleven, die men „zoo roekeloos onder jde revolutionnaire bouw- „vallen vergruisd heeft."

Groen voelde dat het komen moiest tot christelijk-socialen arbeid en herstel van het organisch' leven op het territoir van de maatschappij. Maar dat was de stem van een enkeling. Tot het volik drong deze stem door. Want deze veldheer had geen leger.

Ondertusschen begon het revolutionnaire soidahsm© den kop op te steken. De lucht in het oude Europa werd almeer bezwangerd door revolutionnaire ideeën, dlie in gewelddadige omkeering der bestaande orde den eenigen uitweg uit de sociale ellende zagen. Dat revolutionnaire socialisme, stoelend op denzelfden 'geestelijken - levenswortel, kwam aan het onde liberalisme de rekening van jarenlange .sociale schuld presenteeren.

In dezen tijd treedt Dr Kuyper opi Door zijn studie over a Lasco in aanraking igekomen met de Gereformeerde belijdenis, vindt hij deze in Beesd terug, beleden en beleefd door eenvoudige loonarbeiders. Dank zij- Gods genade, gaat daar voor hem op het Ucht, dat de Gereformeerde waarheid straks in volle heerlijkheid voor hem doet schitteren. In datzelfde Beesd komt hij ook in aanraking met het sociale leven.

Hij vindt daar op maatschappelijk gebied wanverhoudingen tusschen landheeren, boeren en arbeiders en bemerkt tot zijn groote droefheid dat de Kerk geen enkele bemoeienis met het sociale leven heeft. Zij laat op die zonden niet vallen het ointdekkend en bestraffend Hcht van Gods Woord'. De Kerk, zij heeft geen woord van bemoediging, van deernis of bestraffing.

En een tweede dat Kuyper ia Beesd' trof, was dat het liberalisme liooghartig en meedioogenloos heerschte over het ^, gewone valk", terwijl hij juist ondfcr dat volk, het volk achter de kiezers, de kleine luyden, geestverwanten vond), trouwe belijders van den Naam des Hebren. Van dat oogenblik wordt over hem vaardig het verlangen, straks versterkt tot bewustzijn van roeping, om in Gods kracht dat verdrukte, miskende volk, geestelijk en stoffelijk tot vrijheid en erkenning te voeren, om het uit het diensthuis van het liberalisme uit te leiden.

"Wanneer hij uit Beesd naar Utrecht vertrekt, teekent zicii dit reeds af. Hij voei-t hier het pleit voor de vrije ohris'r telijke school.

Daaraan zat voor hem ook een sociale kant. De rijke kon buiten dfe officieele openbare school, zijn kinderen de opleiding geven die hij Wenschte. Maar den arbeider en eenvoudigen burgerman was dat financieel onmogelijk. Deze was wel genoodzaakt van de openbare, godsdienstlooze school gebruik te maken. Dat gevoelde Kuyper ook als een sociaal onredht.

Maar nog veel klaarder komt dit uit in de intreerede, waarmede hij op 10 Augustus 1870 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam het herdersambt in de Nederlandsch-Hervormde Kerk aldaar, aanvaardt. Daarin vinden wij o.m. deze uitspraak:

„Bovenal de groote sociale vraagstukken A^an „ontucht en overbevolking, van arbeid, en armen- „zorg, achte onze Kerk niet buiten zich. Zij „vooral moet de zonde bestrijden; !zij vooral heeft „de roeping om het betrekkelijk recht der lagere „volksldasse tegenover den tijdgeest te handhaven. „Wat verdrukt wordt hebbe haar 'steun, de armen „in haar een toevluchtsoord en voor rijk en arm „saam worde zij weer de Engel des Vredes, die „èn van het misbruik èn van de utopieën onzer „eeuw ons met zachte hand terugleidt naar de „ordeningen van Gods Woord."

Terug naar de ordeningen van Gods Woord, en die ordeningen tot gelding gebracht voor heel het leven, op die gedachte komt Kuyper telkens terug; zij beheerscht zijn leven.

Dat houdt meer in dan mededoogen en barmhartigheid te betrachten. Zeker, ook daarvoor had hij een open oog. En wanneer het diaconaat in het Gereformeerd kerkelijk leven een breede plaats kreeg, dan is dit zeker mede aan Kuypers optreden te danken.

De geest des Ontfermers, zooals hij op een andere plaats schreef, moest tot openbaring komen. Maar hij wenschte niet alleen leniging van socialen nood in den weg der barmhartigheid, doch eveneens door toepassing van het recht. Het is de roeping der Kerk hét Licht des Woords en den eisch van dat Woord uit te dragen in het gemeenschapsleven.

Wanneer hij op 23 Maaït 1873 zijn mededienaar 'Ds Ph. S. van Konkel in het ambt bevestigt, komt hij op dit onderwerp terug en ontwikkelt die gedachte dat de gemeente van Jezus Christus, de Kerk, een roeping heeft tegenover de maatschappij.

In 1871 vertaalde hij uit het Duitsch een boekje getiteld: „De arbeidskwestie en de Kerk". In de inleiding trekken vooral de volgende zinnen de aandacht:

„Elke levensvraag toch, en bovenal het vraag- „stuk van den arbeider, ontstaat door een nood, „een ellende, een jammer en is dus een vragen „naar een genezenden balsem voor een pijnlijke „wonde van ons menschelijk leven.

„Hoe wil men zich dan een Kerk van Christus „denken zonder hart voor zulk een lijden en „zonder den innerlijken drang, om haar Heiland „dien zij aanbidt, ook hier in de Majesteit Zijner , ^, reddende liefde te doen schitteren?

„Of is niet juist de lijdende menschheid het „haar aangewezen arbeidsveld en zijn niet de klei- „nen der aarde haar bij uitnemendheid toever^ „trouwd, opdat ze de kracht harer vertroosting^ „de kracht van haar levensbeginsel, den zegen „van geheel haar verschijning vooral aan dezulken „toonen zou?

„Daarom kan het niet goed vooa* God zijn, dat „dié Kerk van Cliristus zich ook ten onzent „willoos aan de beihandeUng van dit vraagstuk „heeft gespeend. De wereld kan de Kerk van „Christus op den duur niet eeren, zoo ze wel „van een kracht van Gods Woord spreekt, maar „die la-acht bij het lijden der mensdhheid niet „werken laat."

In Amsterdam neemt de eigenlijke arbeid van Dr Kuyper op puWiek terrein een aanvang. Op 1 April 1872 verschijnt het eerste nummer van „De Standaard". Reeds 16 dagen later begint hij als hoofdredacteur een artikelenreeks over: „De Sociale kwestie".

Het arbeidsvraagstuk, zoo Imdt het, is een broedervraagstuk. God heeft den mensch tot arbeiden geroepen, heeft hem gemaakt tot een vrijen arbeider. Maar de zonde maakte dien vrijen arbeider, den beelddrager Gods, tot een slaaf.

Arbeid moet beschouwd worden als uitvloeisel van Goddelijke ordinanüe en dus als levensvoor­ waarde voor alle schepselen. De sociale kwestie is voor Kuyper niet allereerst een broodvraag, maar het herstellen van de organisöhe maatschappij, het herstellen van de banden, die God gelegd' heeft tusschen de verschUlende deelen der samenleving en teruggeven aan den arbeider van de plaata die hem in die samenleving toekomt.

De strijd voor dat doel kenmerkt ook zijn arbeid in de Tweede Kamer.

Wanneer in 1874 daar aan de orde is de behandeUng van het kinderwetje Van Houten, grijpt hij die gelegenheid aan om zijn denkbeelden omtrent de taak der Overheid ten ppizichte van het maatschappelijk leven uiteen te zetten. Het uitgangspunt van den voorsteller. Mr S. van Houten, was een verbod van allen arbeid in fabrieken en werkplaatsen voor Idnderen beneden de 12 jaar.

Tegen een zoodanig uniform verbod had Dr Kuyper bezwaar. Hij formuleerde dit aldus: „Mijn „grootste bezwaar tegen het voorstel is, dat het „uitgaat van een verkeerd legislatief beginsel. Dat „beginsel is, om daar waar iets verkeerds in de „maatschappij bestaat, kortweg een principe, een „idee, een stelling op den voorgrond te plaatsen , , die these tot wet te verheffen, en voorts de „maatschappij naar dat idee te modelleeren. Hier- „van nu ontken ik de mogelijkheid."

Tegenover zulk een algemeen verbod en dan voor allen arbeid' gelijk, wilde Dr Kuyper bescherming van den loonarbeid van minderjarigen, daarbij rekening houdende met den aard van het werk en de omstandigheden waaronder dit moest worden verricht.

Rondweg sprak hij het uit dat hem het wetsvoorstel niet ver genoeg ging. Hij wilde ook bescherming tegen de geestelijke en zedelijke gevaren 'die de jeugdigen in het moderne fabrieksleven bedreigden. Hij wilde de gelegenheid openen dat aan den arbeid in de fabriek en op de werkpilaatg verbonden werd opleiding voor het vak, regeling van vacantie en vrijen tijd, een en ander verband houdende met den leeftijd der jeugdigent en den aard van den arbeid.

Een verbod' als Van Houten wilde, eenvormig •en geen rekemng houdende met het gevarieerde bedrijfsleven, werd door hem verwerpelijk geacht In verband daarmede vroeg hij om een Wetboek op den Arbeid. Hij erkende den gedesorganiseerden toestand waarin de maatschappij' onder den invloed der beginselen van de Fransohe revolutie •was gekomen. Daarin moest verandering komen. Daarom voerde hij het pleit voor organisatie van Ihet bedrijfsleven. Maar een organisatie niet van staatswege opgelegd, doch uit het vrije leven opgekomen, door den Staat bekrachtigd en gesteimd.

Principieel ging Dr Kuyper bij dit debat in tegen de revolutionnaire beschouwing van de taak van den Staat tegenover de Maatschappij. Hij erkende die taak, maar niet als een opleggen van regehiigen aan de maatschappij. Hiertegen waarschuwde hij nadrukkelijk. Dit zou moeten voeren tot een verderfelijk staatsabsolutisme. Hoe heeft Kuyper ook hierin als met profetischen blik de gevaren van de fascistisdlie staatsidee voorzien!

In hetzelfde jaar kwam Dr Kuyper in de Tweede Kamer op de gedachte dat er komen moest een Wetboek van den Arbeid terug. De organisatie van den arbeid', een organische ontwikkeling van de maatschappij was het ideaal dat hem vasthield.

Een dergelijke organische ontwikkeling, waarbij de arbeider de plaats krijgt die hem naar Gods bevel toekomt, heeft hij doorloopend en met groote kracht bepleit. Kuyper wilde komen tot wat wij thans noemen Bedrijfsorganisatie.

Toen in 1932 de wet op de Bedrijfsraden in de Tweede Kamer in behandeling kwam, heeft het Vrijzinnig-Democratische Kamerhd, Mr Joekes er aan herinnerd dat 60 jaren terug Dr Kuyper reeds voor bedrijfsorganisatie had gepleit. Hij vond echter weinig bijval. Regeering zoowel als Kamer staken met zijn denkbeelden min of meer den 'draak. En hoewel hij tegen het ontwerp-Van Houten stemde, heeft hij later wel toegestemd!, dat in de gegeven omstandigheden, meer dan Van Houten wilde niet te bereiken was.

"Want ook in de kringen van het christelijk volksdeel, in de kringen zijner naaste geestverwanten, was men allerminst rijp voor ingrijpende wijzigingen als door hem voorgestaan.

Teneinde bij die geestverwanten het inzicht te verhelderen, en tot sociale studie aan te moedigen, werkte hij mede aan de tot standkoming van het eerste Christelijk Sociaal Congres, dat van 9—12 November 1891 te Amsterdam werd gehouden. Dr Kuyper werd er de bezielende voorzitter en leider van en opende het met de beroemde rede: „Het sociale vraagstuk en de christelijke religie".

Het Congres was in drie secties verdeeld:

1. De sociale kwestie van haar christelijk re 1 i g i e u s e z ij d e.

a. Algemeene beginselen b. De opvatting van goed en arbeid. c Het huisgezin en de arbeid. d. De Kerk. e. De dienst der barmhartigheid. 2. De sociale kwestie van haar maatschappelijke zijde. a. Sociale volkszonden. b. Patroons en werküeden c. Klerken, enz. d. De nationale arbeid.

3. De sociale kwestie van haar staatkundige zijde. a. Burgerlijk recht. b. De Landbouw. c. Wetgeving op den arbeid. d. Belastingwezen.

De invloed, die van dit congres is uitgegaan, kan niet gemakkelijk geschat worden, maar is ongetwijfeld zeer groot geweest.

De sociale kwestie kwam er door ia het midtdelpunt te staan van de belaagstelling van het christelijk volksdeel.

Er kwam erkenning dat de christen ook een taak heeft op maatschappelijk terrein. Er kwam beter inzicht in het wezen dier taak. De cfhristelijk-staal; kundige actie is er door bevrucht. De christelijk-pontieke partijen zagen sindsdien beter dan voorheen, dat de Overheid door wetgevende maatregelen ter bescherming van het sociaalen economisch zwakkere, mede invloed ten goedie heeft uit te oefenen op het maatschappelijk leven. Waardevolle riclitlijnen zijn ten dezen op 'dit congres getrokken.

Deze richtlijnen hebben de opkomende ohristelijk-sociale actie, ook de opkoinende christelijke vakorganisaties van patroons en arbeiders gi-oote diensten bewezen.

Voor de noodzakelijkheid van die sociale o'rganisaües had T)r Kuyper eveneens een open oog. Al heeft hij zich met de cliristelijke vakbeweging 'rechtstreeks vrijwel niet bemoeid, èn door zijn gesproken èn door zijn gesctoeven woord is zijn arbeid voor de christelijke vakbeweging van groote beleekenis geweest. In „De Standaard" bepleilte hij vakorganisatie onder eigen banier.

Niet als instrument ter bestrijding van het sociahsme. Van zulk een negatieven strijd, die de middellijke oorzaak van dit socialisme, het sociale onrecht bestendigde, ver-wachtte Kuyper niets. Hij wil'de sociale organisatie, vakorganisatie, om de positie van den arbeider in het bedrijfsleven, in het vak, naar christelijken maatstaf, overeen-' komstig den eisch van Gods Woord, te regelen. De verliouding tusschen patroon en arbeider, zoo schreef hij, mag niet afhangen van willekeur, maar moet geregeld worden naar Gods ordinanüën. Die positie moet steunen op het arbeidsoontract. Een welvarende, ontwikkelde, arbeidende stand was voor hem eisch van 'het christelijk beginsel, en noodzakelijk voor den bloei en de toekomst van het volk.

Een arbeidende stand, neergedrukt tot de diepte van het proletariaat was niet alleen een christelijke samenleving onwaardig, maar zou ook een vruchtbare voedingsbodem blijven voor revolutionnaire agitatie. Arbeid is een plicht, een roeping en een zegen, hij is Goddelijke ordinanüe; maar dan ook dien arbeid verricht onder zulke verhoudingen en zulke voorwaarden dat de zegen van den arbeid gevogeld, het eervolle van den arbeid' wordt gezien.

Om dat te bereiken was volgens Kuyper noodlg dat de opbrengst van den arbeid in staat stelt het gezin te onderhouden; om wat af te zonderen voor Kerk, school en arme medebroeders en zusters; moet deze zoo kunnen verricht worden, dat geen inbreuk wordt gemaakt op de eischen van hygiëne, veiligheid, eerbaarheid en nacht- en Zondagsrust.

Maar dat niet alleen. Die arbeid moet ook geven wat voor het levensonderhoud noodig is in tijden van ziekte, bij ongeval, invaliditeit en ouderdom. En dat laatste niet als gunst, als gave van werkgever of Overheid', maar als recht, als uitvloeisel van het arbeidscontract. Principieel wees Kuyper af Staatspensioen voor den ouden arbeider.

Hij wUde den arbeidenden stand omhoog brenr gen, zoo dat hij zelve in staat werd gesteld in den weg van sociale verzekering zich een recht te scheppen op uitkeering. Een recht, ontstaan in den weg van getrouwe vervulling van Gods gebod: „In het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten".

Zijn pleidooi in „De Gemeene Gratie", dat het gebruik maken van het verzekeringswezen voor den Christen geoorloofd is, opende hier de mogelijkheid om wettelijke voorzieningen te treffen.

In 1901 Minister geworden heeft Dr Kuj^per met groeten ijver en zeldzame krachtsinspaaning gepoogd zija christelijk sociale idealen te verwezenlijken.

In de Troonrede waarmede het Kabinet dat zijn naam droeg in 1901 optrad, werd naast de oplossing der Schoolkwestie, zoover dat Mimen het raam der Grondwet mogelijk was, en herziening der Drankwet, ook genoemd: verpüc'hte vei^ zekering ten bate van zieken, invaliden en ouden van dagen, met bijdragen van het Rijk.

Het is Dr Kuyper niet vergund' geweest, dieze sociale verzekeringswetten in 'het Staatsblad' te brengen.

Maar de voo^rbereidende arbeid daor hem verricht, het rijp maken der geesten voor het aanvaarden der verzekeringsgedadite en van den pliclat der Overheid om ten dezen aan bet bedlrijfsleyen leiding te geven is baanbrekend geweest

Voor de ontwikkeling van het sociale leven is de arbeid van het Ministerie Ii.uypea-, ondanks dezen tegenslag toch van groote beteekeiiis geweest.

De vrije christelijke school kreeg ruimte door de herziening van de Lage'r Onderwijswet. Exn herziening van Middelbaar en Hooger onderwijs volgde. De omzetting van de Polyteolmisehe school te Delft in een Teehnische Hoogescihool is voor ons bedrijfsleven van verstrekkende gevolgen geweesit Voor onderwijzers en onderwijzeressen bradht hij een pensioenregeling tot stand. De berzieninig dor Drankwet beoogde het kwaad van dranlcmisbruik te beteugelen. Het gezag werd door hem ki-achtig gehandhaafd, toen in 1903 een misdadige woeling, de staldng van het spoorwegpersoneel, het op dat gezag had gemunt.

Het treft telkens weer, bij het bestudeeTen van Kuyper's geschriften, hoe hij zijn tijd vooruit was. Het opkomende sociaUsmie zag de sociale kwestie slechts als een broodvraag. Dat was het ook voor het den toon aangevende liberalisme. Voior Kuyper "was het meer dan dat, het was voor hem een herstellen van de door Goid gewilde, maar tengevolge van de toepassing der revolutiebeginselen, verbroken organische gemeenschap. Daarop had hij reeds in zijn vragen om een Wetboek voor d'en Arbeid in 1874 gewezen.

Na zijn ministerieele periode, en na zijn reds om „De oude Wereldzee" komt hij op de zaak, •waarom het ten deze ging, terug.

En nu in meer concreten vorm.

In „De Standaard" in 1910 en bij de Begrooüngsdebatten in de Tweede Kamer in 1911 ontwikkelt hij zijn gedachten omtrent bedrij f s-organisatie. Die bedrijfs-organisatie is nood'ig om te komen tot socialen vrede.

In 'de voorlichting, de uiteenzetting van zijn inzicht ten aanzien van de hier aan de orde komende vraagstukken, ligt vermoedelijk wel de gi-ootste beteekenis van Dr Kuyper's arbeid voior de sociale verhoudingen in ons land.

Voor-zoover de maatscliappielijke toestanden daartoe aanleiding gaven, erkende hij de bevoegdheid van den Staat om in te grijpen.

Maar het gevaar dat in een dergelijke gecentraliseerde gemeenschapsoprvatting school, zag hij niet voorbij. Integendeel, daarop wees hij met jiadruk. Een dergelijk optreden van den Staat, zoo zette hij opnieuw uiteen, moet leiden toit een staatsmacht, waarbij alle vrije' levensontplooiing en alle souvereiniteit in eigen levenskring op den duur teloor gaat. Dat moest voorkomen wordien. Geen Staatsalmacht, en geen Staatssocialisme. Daartegenover plaatste hij het christelijk beginsel: Souvereiniteit in ijigen kring: De maatschappij haar eigen organen.

In 1880 had hij de lessen der Vrije Universiteit reeds geopend met een rede die deze gedaclhte tot titel droeg, Aan den toen opgenomen draad spon hij thans verder voort.

Tegenover hen die op maatschappelijk, op sociaal terrein alles wilden opdragen en overlaten aan het centi-ale gezag van den Staat nam hij het op voor het bestaan - van vrije levenskringen. Daarom naast de vrije Kerk en de vrije soliool ook een vrij bedrijfsleven. 'En hij bleef niet staan bij het propageeren van dezen wensch, maar gaf ook aan hoe dat vrije bedrijfsleven op natuurlijke, organische wijze zich zou kunnen ontwikkelen.

Hij wenschte colleges van patroons en arbeiders, waar de belangen van het bedrijf zouden kunnen worden besproken.

Deze afzonderlijke colleges, voor patroons en arbeiders, dan weer overkoepeld door Kamers, waarin beide groepen paritetisch vertegenwoordigd zouden zijn, onder leiding van een door de Kroon te benoemen voorzitter. Deze colleges wilde Dr Kuyper zelfslandige verordenende bevoegdheid zien toebedeeld.

Hunner zouden alle belangen van 'het bedrijf ter behartiging worden toevertrouwd. Al wat in het bedrijf regeling behoeft wilde hij aan deze organisaties ter beslissing zien onderworpen. Met name werd door hem genoemd: regeling van het leerlingwezen, de bepaling van den arbeidsduur, naar de eischen en behoeften der verschillende vakken, en dus zoo noodig verschillend.

De taak der Overheid ten deze zag Dr Kuyper niet alleen beperkt maar zij kwam ook volgens hem in de tweede plaats.

De personen die in het maatschappelijk leven •werkzaam zijn, en de krinaen die zich daar hebben gevormd moeten de onderlinge verhoudingen en hechten tusschen individu en individu, tussahen kring en krin^g vaststellen.

De Overheid biedt daaraan steun, geeft daaraan ^ijn sanctie en beveiligt deze maatschappelijke orde tegen haar belagers. Op deze wjjze werd de samenleving gevrijwaard voor de ramp'zalige ge­ volgen van het laat-maai--loopen-st©lsel der liberale economie, en eveneens voior de alle vrijheid en zelfstandigheid doodend© leer van Marx, die de maatschappij in boeien van den Staat wilde slaan.

* In zijn strijd tegen die sociale misstanden was

Kuyper uiterst fel. Hij gebruikte menigmaal woorden die, wanneer een ander ze op d'e lippen had genomen, hem tot socialist hadden gestempeld. Wij denken aan zijn toornen tegen kapitaUsme en mammonisme in de openingsrede van het eerste Christelijk Sociaal Congres, later uitgegeven onder den titel;

„Het sociale vraagstuk en de Christelijke Religie". In wezen heeft echter niemand het socialisme krachtiger bestreden dan hij. Dat deed hij door eenerzij ds de sociale wanverhoudingen als kwaad scherp te bestrijden, anderzijds door vanuit het christelijk beginsel de middelen ter genezing aan

te geven. Tegenover het socialisme met zijn verderfelijke leer van .den klassenstrijd plaatste hij aldus het ideaal: samenwerking in het bedi-ijfsleven, een harmonische eenheid te bereiken langs den weg der bedrijfsorganisatie. De \'ruchten van den menschelijken arbeid mogen, zoo betoogde hij, niet slechts aan enkelen ten deel vallen, maar aan allen die in het productie-proces samen­

werken. Kuyper heeft geworsteld om herstel van het gemeenschapsleven in overeenstemming met den

eisch der Heilige Schrift. In dien strijd heeft hij resultaat bereikt van ver­

strekkende beteekenis ook voor onzen tijd. Dank zij zijn arbeid zag het christelijk volksdeel gaandeweg weer de roeping waarmede God in dat gemeenschapsleven tot ons komt. Hij opende het oog voor de gevolgen van de toepassing van verkeerde beginselen op elk levensgebied. Want dit was steeds zijn opzet: de zonde in den wortel aan te tasten. Niet het afkappen van wat wild- en woekergroei, maar 'in den

wortel. Met de zeldzaam rijke gaven hem door 'God geschonken, heeft hij gewerkt en gewoekerd, gestreden en geworsteld in taaie volharding en nimmer versagenden moed, voor den triumph der christelijke levensbeschouwing in de maatsahapr pij; heeft hij opgeroepen tot het erkennen van de ordinantiën van Hem die aller Koning, aller Gebieder, aller Wetgever is. Hij heeft dat gedaan niet stuksgewijs en zonder onderling verband, maar organisatorisch en stelselmatig zooals hij met zijn

universeelen blik heel dat terrein overzag. Dr Kuyper was democraat in hart en rderen. Dat sproot reeds voort uit zijn Calvinistisdi©

levensbeschouwing. Maar hoe heeft hij ons christenvolk en de arbeiders in het bijzonder, het ingeprent dat er is tweeërlei democratie: een valsche en een ware. Een valsche die alles gelijk wil malcen. Die mis- Keni ae onderscheidingen die God heeft gewild, ook in de verhouding tusschen de mensohen onderling en uitgaande van de leer der volfcssouvereiniteil, het volk scheidt in twee tegenover elkander staande, elkander meedoogenloos fel be-

'kampende legers: bezitters en niet-bezitters. Neen, dat is geen democratie, dat is daarvan

een carricatuur, aoo heeft Dr Kuyper geleerd De ware, de echte democratie, vindt haar uitgangspunt in de belijdenis van de souvereiniteit Gods, en aanvaardt de onderscheiding en variatie die God in het leven heeft gewild, maar toch zoo dat de eenheid van 't volk steeds gezien wordt en niemand uit bezit rang of geboorte eenig privilege heeft, noch ook uit het enkele feit d!at iemand' arm is, eenige aanleiding voor achteruitzetting gelegen zij.

Tegen die valsche democratie verzet hij zich; , daartegen strijdt hij met inzet van alle kracht wanneer hij betoogt: „dat de Fransche revolutie „stenden en standen heeft doen verdwijnen.

„De Staat werd een mengelmoes van looze be- „standdeelen, atomen van individuen, slechts door „een z.g. maatschappelijk verdrag verbonden. In „dezen materiahstischen warrelkamp nu, werd het „geld almeer de eenige aantrekkingskracht die „een massa individuen vereenigen moest

„Hieruit ontstond de ondragelijke heerschzudhit „der bourgeoisie en de onduldbare tyrannie der „groote kapitalisten.

„Tegenover die overmacht van het kapitaal „stond elk arbeider afzonderlijk, uit den aard „der zaak machteloos.

„De vakorganisatie schoot die zwakke arbeiders „te hulp. Zij werd een tegenweer tegen de geld- „macht van het kapitaal, een tegenweer uit nood „geboren."

Maar de toestand moet weer zoo worden dat beide partijen samen werken. Dat is ware democratie.

Hoe meer Dr Kuyper's werken wordten bestudeerd, hoe sterker men onder den indruk komt van zijn machtigen geest

Iets daarvan en dan nog slechts voorzoover het betrekking had op het sociale leven, werd in het voorgaande aangeduid.

Zelf heeft hij, aan het slot van zijn openingsrede ter inleiding van de Deputatenvergadering in 1891, de 'bekend© Maranatharede, het doel van zijn arbeid, zijn strijden en worstelen aldus gekarakteriseerd:

„Voor mij, één doel slechts kent mijn leven, Eén uitzicht slechts verrukt mijn ziel; En moog mij de adem eer begeven, Dan dat dit uitzicht mij ontviel 't Is om in heirge geestverrukking Het Ongeloof en zijn Verdrukking Omver te stooten van den troon. Hij die de Gohath's kon treffen. Kan 't land van 't Ongeloof ontheffen. Door één uit 't hart geweiden toon."

Reformatie van het maatschappelijk leven. De regeling van het sociale vraagstuk in christelijk-socialen zin, was voor hem beslissend voor de toekomst van ons volk. De drang tot socialen arbeid werd telkens aangevuurd. Hij wilde de ordeningen des Heeren, waar Woord en Schept' ping van getuigen, in 't volk zoO' helder graveeren tot weer dat volk voor God zich boog.

Aan dien drang is hij tot zijn Matsten ademtocht getrouw gebleven. Nog in de Deputatenrede in 1918 gehouden, heeft hij op de vraag: „Wiat nu? " er op gewezen, „dat wanneer de school- „kwestie van de baan zou zijn, de sociale kwestie > „de aandacht moest hebben. Ons politiek strevena „moet stuwkracht leenen aan de sociale belangen, ! „en omgekeerd de sociale worsteling moet verband! „en samenhang zoeken met de historische ont-| „wikkeling van volk en vaderland." 1

In die rede gaf hij nog allerlei richtlijnen voorl de toekomst. I

Zoo leeft Dr Kuyper nog ondter ons, nadatl hij gestorven is. Met eerbiedige bewondering eni d'ankbare liefde bestudeeren wij zijn geestelijkel erfenis en wij danken God voor wat Hij ons ial dit rijkbegenadigde menschenkind gaf. |

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1937

De Reformatie | 48 Pagina's

Dr Kuyper en het sociale leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1937

De Reformatie | 48 Pagina's

PDF Bekijken