Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

28 minuten leestijd

Prof. Hepps misverstanden inzake de algemeene genade. (VII.)

Kwade gevolgen van Prof. Hepps verbondsbeschouwing. (II.)

Kom.en we thans toe aan een nadere bespreking van wat Prof. Hepp inzake het medewerkerschap van den mensch bij God opmerkt en als bezwaar aanvoert, dan kunnen we een gevoel van groots verwondering alweer niet terughouden. Telkens en telkens blijkt, dat Prof. Hepp zich met een zorgeloosheid, die na zooveel waarschuwingen toch nog telkens verrast, op het ijs gewaagd heeft. Gelijk de kwestie van het door mij geaccentueerde oer - „mandaat" met de heel andere kwestie van de oorspronkelijke gerechtigheid door Prof. Hepp vermengd is, wat natuurlijk wetenschappelijk onverdedigbaar is (een andere gerechtigheid in werk- of genadeverbond is nog wat anders dan een ander mandaat), zoo treedt nu ook in betrekking tot het vraagstuk van den mensch als medewerker Gods Prof. Hepp in het krijt met een constructie, die voornamelijk aan drie euvels lijdt:

a. Het eerste euvel is reeds in één der voorgaande artikelen genoemd. Prof. Hepp geeft van mijn meening met een tour de force, die in den grond der zaak zwakheid is, een verwrongen beeld. Hij heeft ergens verklaard, nog wel er op te rekenen, dat men hem zou verwijten, de meening zijner tegenstanders onzuiver weer te geven: hij had zich daarop gewapend. Temeer van zoo'n gewapend man verwondert het me, dat hij heeft durven schrijven, dat ik de beteekenis van den mensch als ONDER-arbeider (onder God) „in den ban doe" (85). Zulke enormiteiten, die dan verder Prof. Hepps redeneering beheerschen, zijn slechts mogelijk door een schuldig voorbijzien van het feit, dat ik van meet af — het wordt ergens door Prof. Hepp , , zelf geciteerd — heb gezegd: d e p a r t ij e n (i n h e t verbond) blijven ongel ij k; de vrijheid i van God is dus in aard en wezen heel an- | ders dan die van den mensch. Zij is het niet ' alleen in het monopleurisch kómen van God tot den mensch, maar ook in heel het tweezijdig bestaan en voortbestaan van het verbond, gelijk ik opmerkte (zie wat Prof. Hepp zelf van mij citeert op bl. 73). Men kan het een ongeoefende vergeven, dat hij aldus oppositie voert. Maar een hoogleeraar kan men zoo iets pas in wetenschappelijk opzicht vergeven,

als hij openlijk schuld belijdt over deze aantasting van de confessioneele trouw van een collega.

b. Tvsfeede fout is, dat Prof. Hepp inzake den mensch als mede-arbeider Gods bezwaren maakt, die deels parallel loopen met de lange reeks van bezwaren, die de gereformeerden steeds hebben ontwikkeld tegen de synergisten uit den synergistischen strijd. Die strijd liep vooral over de kwestie, of de mensch met God meewerken kon in de tot-stand-koming van de genade, in de verkrijging der zaligheid. Maar hoe lichtvaardig is het • nu, als Prof. Hepp de solutie der daarbij optredende kwesties uitbreidt over heel de linie van het verbondsverkeer tusschen God en mensch? Is dat niet hetzelfde misverstand, als hetwelk ook opgetreden is in Prof. Hepps poneeren van de „onwederstandelijke genade"? Men zie daarover in dit nummer het uitgebreide artikel onder „Stemmen uit onze Kerken". Het is jammer, dat een uitspraak: geen synergie o p een bepaald punt wordt uitgebreid over heel de linie, over alle punten van den weg, dien God met den mensch „houdt". Dat geeft maar nieuwe uitglijdingen. O ja, als de praepositie „mede" ook maar een oogenblik werd opgevat als aanduiding van GELIJKHEID der partijen, dan zou daarmee een streep gehaald zijn door wat ik mijn leven lang gepreekt en geschreven en gesproken heb met alle gereformeerden mee. Dèn zou ik in het gereformeerde denken hebben ingedragen, wat ik verfoei; en ik zou me daarvan niet even gemakkelijk hebben afgemaakt als indertijd Dr Kuyper, toen hij werd aangevallen op zijn Encyclopaedic, en toen men hem verweet, dat hij dingen beweerde, die, consequent doorgedacht, zouden moeten leiden tot pEintheïsme; ik kom daar in ander verband nog wel eens op terug. Maar daar is geen sprake van. Prof. Hepp zal geen enkel voorbeeld kunnen aanhalen, waarin het voorzetsel „mede" in dien zin werd opgevat door mij. Ik heb alleen maar gezegd: men moet de praepositie „mede" niet van allen zin beroo- V e n. Maar dat is natuurlijk wat anders, dan dit voorzetsel verabsoluteeren. Het laatste is goddeloos; maar het eerste (het niet-ontkrachten van de praepositie „mede") is gereformeerd; het is een protest tegen... single-track-theology. Maar daar heeft Prof. Hepp in mijn geval geen oog voor gehad.

De praepositie „mede" krijgt immers weer haai' schriftuurlijken inhoud, en haar recht, door de leer van het twee-zijdige verbond. Daarom is die kwestie ook zoo ongemeen ernstig.

Overigens haalt Prof. Hepp zelf uitspraken van mij aan, waarin ik met nadruk zeg: de mensch is Gods mede-arbeider, NIET in geboorte, of wedergeboorte, NIET in schepping of herschepping (84). Hij is het — zoo vervolgde ik — alleen maar NADAT God met Zijn werk een aanvang in ons gemaakt heeft (monopleurisch); want dan is de verhouding verder di-pleurisch (zonder dat de partijen gelijk worden).

Deze verdere uitwerking van Kuypers grondgedachten kan Prof. Hepp nu helaas niet waardeeren. Geen wonder, nu hij in dit punt van de beide Kuypers, vader en zoon, verschilt, zooals uit de van Dr A. Kuyper en van Dr H. H. Kuyper gegeven aanhalingen blijkt.

c. Derde fout is, dat Prof. Hepp, tengevolge van dit halen van een ongereformeerden streep door de gereformeerde verbondsleer der tweezijdigheid, de zaak van het medewerkerschap alleen maar onderdak weet te brengen bij de leer der VOORZIENIGHEID. Hier komt hij aan zijn eigenlijke theorie. En omdat die èn in haar historische constructie, èn in haar thetische uiteenzetting fout is, moet ik daar wel nader op ingaan, om alweer feilen te ontdekken in Prof. Hepps vertoogen.

Beginnen we met de historische constructies.

In zijn ijver zich wat overhaastende, constateert Prof. Hepp, dat niet alleen onze Catechismus en Confessie, maar ook andere Confessies, o.a. de Westminstersche, de medewerking van den mensch (als mede-arbeider Gods) „niet eens noemen". Vermoedelijk heeft Prof. Hepp vergeten, te letten op de Conf. helvetica prior, art. 15 (16): „das die diener der kirchen mittarbeyter gottes syen, als sy der heilig paulus nent". Alsmede op de Conf. helvetica posterior, art. 18: Dei cooperarij. Benevens op den Consensus Bremcnsis, 10, 3: Gottes mittarbeyter. Gelijk ook op de Confessio tetrapolitana, 13: die rechten mitwtirckerdesHerrn.

Prof. Hepp vergist zich dus ten eenenmale, als hij opmerkt, dat de confessies „de medewerking" niet eens noemen. Ze doen dit wèl.

Natuurlijk is het daarbij hun niet ontgaan, dat de aangehaalde plaatsen doelen op het medewerkerschap in bepaalden zin, het met God medewerken n.l. in den dienst des Woords, den dienst van het Evangelie. Zoodra dan ook van niet-gereformeerde zijde de remonstrantsche of synergistische dwaling den kop opsteekt, zijn dogmatici of exegeten van gerefoi-meerden huize er haastig bij, om te zeggen: denkt er aan, dat ge niet lichtvaardig met dien tekst omspringt. Dat herinnert b.v. — om maar een enkel voorbeeld te noemen — zoowel het „beroemde leerboek" de Synopsis^), als ook zijn mede-auteur Rivetus^), en de bekende De Moor^); om nu maar geen anderen te noemen. En met gelijken nadruk houden ze vol, dat in het eerste moment der krachtige roeping Gods (der wedergeboorte) etc. de mensch met God niet meewerkt. Precies hetzelfde, als wat ik met nadruk vooropplaatste: geen medewerking in het monopleurische.

Maar diezelfde gereformeerden leeren dan ook met precies dezelfde stelligheid, dat, NADAT eenmaal God is aangevangen met Zijn monopleurisch begonnen genadewerk in de onwederstandelijke acte der wederbaring en der principiëele overwinning van den zondigen tegenstand, die zelfde mensch VERVOLGENS medewerker Gods heeten mag. Rivetus wil er niet graag een ernstig bezwaar tegen inbrengen*). Als men maar iniet Gods medewerking met ons van gelijke kracht noemt als onze medewerking met God, dan heeft hij niets tegen den term mede-arbeider Gods. Als er maar niet onder verstaan wordt, dat God en mensch net zoo tegenover elkaar zich zouden verhouden, als twee sjouwerlui, die samen een vrachtje torsen, of als twee trekkers, die samen een schuit door de trekvaart sleepen. Want zoo staan de zaken niet: in de verhouding van God en mensch immers heeft het werken van den één zijn oorzaak te danken aan het werken van den Ander (God heeft monopleurisch ons wedergeboren, wat we dus kunnen, dat danken we aan Hem). Staat dit monopleurische maar vast, d è n zal Rivetus tegen het dipleurische element in het „mede-werken" geen protest inbrengen, zooals thans Prof. Hepp doet, onder negatie van mijn desbetreffende woorden.

Moeten we nog andere namen- noemen ter illustratie van dit heel gewone gereformeerde gevoelen? Dan wijzen we op Z a n c h i u s, die opmerkt, dat het niet aangaat, God medewerker met den mensch te noemen in de ZONDE. Wie nu op de wijze van Prof. Hepp tegen de idee van den mensch als mede-arbeider Gods in verbondsverhouding bezwaar maakt, die zou tot Zanchius kunnen zeggen: ge kunt, broeder Zanchius, het probleem gauw afhandelen. Zeg maar, dat de theologie single-track-theology moet zijn, zooals Prof. Hepp zijns ondanks feitelijk onophoudelijk daartoe neigt, zeg dus maar: de mensch is altijd o n d e r - arbeider, en stel in alternatieve verhouding dit onder-arbeiderschap dan zóó lang tégenover het mede werkerschap, dat ge het dipleurische element „onzuivere lucht" kunt noemen, en het bewijs is dan geleverd; het luidt dan zóó: God is nooit, en in niets met den mensch dipleurisch mede-werker; ergo: Hij is het ook niet in de zonde. Ja, dat zou een manier zijn, zooals Prof. Hepp ongeveer volgt (ongeveer, want consequent is hij niet). Maar intusschen denkt toch Zanchius er niet over, de dingen zóó te construeeren. Hij doet het anders. Hij zegt^), dat God net is als de ondei-wijzer bij het kind; maakt de leerling een s c h r ij f- f o u t, dan is de onderwijzer geen mede-werker in die fout, maar hij is het wèl in de handeling van het schrijven zelf.

Hier is dus wel degelijk onder het aspect eener concursusleer het begrip van mede-werker, ook in de voorzienigheid (niet in de Schepping, maar wel in het handhaven van het geschapene) gehandhaafd. Opzettelijk koos ik voorbeelden „uit den bloeitijd". Het begrip van medewerker is ten allen tijde door de gereformeerden erkend en aanvaard; het is alleen maar ontdaan van valsche aankleeding. En die heb ik ook duidelijk weggewerkt. Wat ik deed, was alleen maar, de tweede „rail" ook als een h e u s c h e „rail" (maar dan monopleurisch gelegd door den Oppersten Arcnitect) te laten zien; „mede-rail", zoo zei ik, opdat het woordje „mede" niet van zijn zin beroofd zou worden, al bleef het te veretaan in menschelijk-creatuurlijken zin, en opdat we bewaard zouden worden voor single-track-theology. En in dien zin spreekt ook Heidegger over den mensch als mede-werker"), en a Lasco').

Men moet nu niet tegenwerpen: „ja, maar, deze theologen hebben dit alles gezegd, zonder rekening te houden met de moeilijkheden, die van de zijde der ketters aan de rustige ontwikkeling van het begrip „medearbeider Gods" in den weg gelegd zijn; hadden ze daarmee gerekend, dan zouden ze wel tegen dat begrip van „medewerker" kopschuw geworden zijn". Dit ware een historisch onjuiste redeneering. Want al de geciteer-' de schrijvers kennen die moeilijkheden, zonder evenwel den tenn medewerker daarom prijs te geven, of hem, die het voorzetsel „mede" ernstig opgevat wil zien.i te beschuldigen van deformatie. Prof. Hepp heeft in zijn strijd tegen Prof. VoUenhoven zich nadrukkelijk op de Synopsis — het bekende leerboek der gereformeerden — beroepen; wel deed hij het op onjuiste wijze, maar hij wilde toch dit boek in zijn volle waarde gelaten zien. Welnu, de Synopsis zelf noemt uitdrukkelijk de ketterijen, die in de nadere uitwerking van het begrip „medewerker" opgetreden zijn (zie noot 1); maar is niettemin mij voorgegaan in de constructie, die ik gaf: de mensch n.l. geen medewerker Gods in het begin, geboorte, schepping, wedergeboorte, herschepping) ^), maar wèl degelijk medewerker in het vervolg ®); geen medewerker in het monopleurische, wèl medewerker in het dipleurische. En dit is van beteekenis, waar de Synopsis herhaaldelijk het woord „medewerker" (avvsQyog) ook bezigt voor het strikt o 15 voet van gelijkheid met elkaar meewerken van Vader en Zoon en Heiligen Geest.' Een woord, dat de verbondsverhouding tusschen de drie personen teekent, kan (krachtens het verbond) ook gelden in de verhouding tusschen God en (verbonds)mensch, natuurlijk, alweer pro captu' hominis, in creatuurlijken zin. Precies wat Kuyper zegt. | Op deze wijze construeert de Synopsis, wetende, dat de ketters het begrip „medewerker" zoo vaak vervalscht hebben").

Ja, zóóver is het er vandaan, dat dit begrip van „medewerker" in den ban te doen zou zijn, of dat het „m ede" verzwakt zou moeten worden, dat Dr A. Kuyper in zijn Dictaten-Dogmatiek (over het verbond, niet over de voorzienigheid, zooals Prof. Hepp wil!) er van uitgaat, als van een grondbegrip. Dr Kuyper zegt (Locus de Foedere, gedicteerd gedeelte, ed. Kok, Kampen, bl. 1934) letterlijk: „Wel is hier (in het genadeverbond, K. S.) onderscheid te maken tusschen hetgeen toekomt aan den nog dooden zondaar, die niets anders dan volstrekt passief zijn kan, en tusschen hetgeen na zijnlevendmakinginen door hemzelven geschiedt in zijn hoedanigheid van avvegyo'; TOV & £.OV (medearbeider Gods; K. S.). In dit alles toch rekent zijn eigen bewustzijn en zijn eigen wilsactie mede". En in het nietgedicteerd gedeelte van dezen zelfden Locus de Foedere lezen we op bl. 152: „Wat het synergisme betreft, dïiarover liggen we in geschil met de Lutherschen... Daartegenover leeren de Gereformeerden met Paulus (1 Cor. 3:9), dat de mensch een avveQybg tov êeov (medearbeider Gods, K. S.) is. Deze belijdenis is echter in het"» z.g. synergisme door Methodisten, Ethischen, enz. ver-l valscht, toen ze haar ook gingen toepassen op de wedergeboorte Met beslistheid (moet) worden volgehouden, dat de wedergeboorte een werk is, I waarbij van 's menschen zij alles passief, en alleen vair Gods zij alles actief toegaat. Maar ook moet het geleerd, om te ontkomen aan de Roomsche dwaling, volgens welke de mensch niet geheel dood en in den grond van zijn hart een vriend van Satan is. Daaruit volgt evenwel nog niet, dat de mensch passief blijft ook na de wedergeboorte. Dat zou een loochenen zijn, van de efficaciteit der wedergeboorte.! De wedergeboorte is juist het aanbrengen van leven, \ van levensactie. Zoo wordt de mensch awsgyog tov êsov 1 (mede-arbeider Gods, K. S.).

Het is toch wel merkwaardig: in dezelfde periode, waarin de kwestie van het zelfonderzoek naar voren I gekomen is, wil Prof. Hepp een poging, om het voor- I zetsel „mede" weer zijn echte beteekenis te geven, afdoen I met de bewering, dat wie het „mede" (in: mede-l arbeider) op mijn manier (in het dipleurisch ver- I bond) weer ten volle (hoewel naar den aard des men- I schen) tot zijn recht wil doen komen, daardoor onver- 1

raijdelijli het „onder" (in: on der-arbeider) t I kort moét doen, als hij n.l. de „onzuivere lucht i van het dipleurische verbond inademt. t

Geen wonder, dat de debatten inzake het zelfonder 1 zoek zoo scheef loopen. I

Want ook in dat debat komt het voorzetsel „mede I in geding. Ik bedoel het schriftuurlijke leerbegrip, dat 1 althans naar de exegese der vaderen, poneert, dat onze 1 geest „met" Gods Geest getuigenis geeft, dat vrij kin I deren Gods zijn. Onder voorzitterschap van G o m a r u s 1 Is reeds over dat „met God mede-getuigen" ge 1 handeld"). Denkt iemand nu werkelijk, dat dit bij de j uitwerking van het actieve element in het zelf-onder 1 zoek, het met Gods Geest mede- getuigen moet wordei I gebracht in een o.i. valsch-altematieve tegen-stelling 1 met „onder God" getuigen? Maar dat ware een vol I maakt misverstaan van al wat hierover gezegd is I Indien er eenig onderscheid mag worden aangegeven 1 tusschen hen, die onder ons over dit zelfonderzoek I spreken, dan zou het dit kunnen zijn, dat de één meer 1 op het „onder" God, en de ander meer op het „met I God mede-getuigen den nadruk geneigd is te leggen. De I groepeering zou echter dan anders zijn dan in de j kwestie, die Prof. Hepp ditmaal aansneed. Maar in 1 dezen is van een alternatief gelukkig geen sprake. Bi i niemand. Laat men dan ook niet inzake het mede 'j werkerschap van „mede" en „onder" een alter i natief gaan maken. Dat ware deformatie van bedenke I lijke consequentie. Prof. Hepp wil deze deformatie niet Maar ze dreigt bij hem wel degelijk daar, waar hi i de aloude opvatting van het dipleurische verbond (waarin het voorzetsel „mede" ligt „verankerd") o n z u i v e ' noemt. In dezen zin zeggen wij tot Prof. Hepp: u w i gevoelen is niet in de Schrift verankerd i En tevens: in dit principiëele uitgangspunt, dat ook het begrip „medewerker" beheerscht, stelt ge U tegenove I gangbare meeningen, en tegenover de vaderen. !

En dit is dan ook de reden, waarom we Prof. Hepp eigen thetische uitspraken in dezen afwijzen moeten

K. S.

Meewerken tot den vrede.

In „Amerefoortsche Kb." hebben eerst de duidelijke en degelijke artikelen gestaan, die Ds Popma over de brochures van Prof. Hepp schreef. Thans komt er een artikel, geteekend S.

S. vraagt, dat men met strijden ophoude. Hij is echter met die vraag aan het algemeene, en dus aan het verkeerde adres. Onzerzijds is al lang gezegd, dat we wilden ophouden, we hebben zelfs heel wat artikelen inzake de kwesties-Prof. Vollenhoven willen inhouden, toen we via de dagbladpers uit V.U.-kringen zoo iets hoorden als: Prof. Hepp staakt den aanval. Maar toen we uit Friesland hoorden verzekeren: neen, het is zoo niet; en een andere stem uit Friesland, na verschijning van brochure IV, hoorden roepen: ziet ge wel, het is nog niet uit, welnu, nü gaan we kalm verder. Zoolang Prof. Hepp aanvalt, en Prof. Kuyper zóó partijdig in zwijgen en spreken manoeuvreert, als ik in de beide voorgaande nummers teekende, zullen we Prof. Hepp antwoord geven. Maar als hij wil ophouden, mij is 't dadelijk best. Ik heb nog nooit zijn wetenschappelijke meeningen bestreden, al ben ik 't er niet mee eens, voor een groot gedeelte.

Eén punt vraagt uit het artikel van S. opheldering. Hij schijnt te denken, dat ik me verbeeld, den vrede aan de kerken gebracht te hebben, op het oogenblik, dat ik een bespreking inzake Prof. Hepp beëindig. Hierin vergist S. zich dan grondig. Ik verbeeld me alleen maar dit, dat door mijn bespreken van de zaak de vrede der kerken is bevorderd. Als iemand van Prof. Kuypers leeftijd pardoes voor den dag komt met redevoeringen als: „erger-dan-vóór-Assen", en als hij dan er aan toevoegt: „onze dogmaticus zal 't wel gaan bevrijzen, tolle, lege, neem, en lees", dèn schrikken de m e n s c h e n. En als ik dan met de stukken aantoon, dat die aanvallen op alle saillante punten ondeugdelijk zijn, dan is niet mijn zwijgen, maar mijn spreken een bijdrage tot de rust der kerken. Het zijn er niet zooveel meer, die onder den diepen indrak komen van de aanvallen van Prof. Kuyper en Hepp. Dat zal mij intusschen niet zorgeloos maken, en daarom ga ik door met argumentatie. Maar

zóó is 't bedoeld geweest.

K. S.

Dl A. Kuyper Jr.

Verleden week kondigden we een antwoord aan Dr A. Kuyper Jr aan. We dachten toen, dat deze zijn artikelen reeds beëindigd had. Dat bleek een vergissing.

We wachten dus nog even.

K. S.

Vragen in verband met de quaestie der „algemeene genade". (III.)

Wij kunnen dat niet oplossen, ook niet ten aanzien van Pharaö. Maar dat is geene reden om óf den eenen term van dit vraagstuk, óf den anderen, te loochenen. Beide moeten wij ze vasthouden en blijven erkennen. En nu handhavende, dat Pharaö naar eigen vrije keus zich tegen den Heere verzet heeft, welbewust, opzettelijk, zoodat hij de straf van eigen zonde lijdt, mogen we daartegenover of daarnaast ook zeggen, dat het voor hem beter ware geweest, nooit geboren, noch met die voortreffelijke gaven toegerust, noch tot de koninklijke heerschappij verheven en gekomen te zijn.

Hij zou dan de genoegens niet gekend en gesmaakt hebben, die hij nu heeft mogen genieten. De dienst i en eere, hem nu dagelijks, tientallen van jaren, bewezen, j zouden hem ontgaan zijn. Hij zou niet, zooals nu, jaren en jaren lang, gelukkig geprezen en benijd zijn. Veel 1 zou hij gemist hebben, dat hem nu in zoo volle en groote j mate langen tijd ten deel is geworden. 1

Maar daar staat tegenover, dat dan zijn lot in het 1 eeuwige verderf ook niet zoo schrikkelijk zou zijn, als I het nu is, reeds eeuwen aaneen, en gelijk het eindeloos wezen zal in alle eeuwigheid. Aan Pharaö is veel ge- I geven. Hij heeft dat niet naar het gebod of woord d s Heeren, in Zijnen dienst, en ten goede van Zijn volk, gebruikt. Van hem is en wordt daarom veel geëischt tot in de eindelooze eeuwigheid. Zijn lot is naar Gods openbaring in de Heilige Schrift erger, dan wanneer hij niet in die droeve mate en in zoo schrikkelijken z n had kunnen zondigen, doordat hij niet geboren ware, of geene bizondere gaven ontvangen had, of niet koning over Egypte geworden ware. Want God vergeldt een ieder naar zijn werk, Ps. 62 : 13.

Wanneer we dan nu wederom de vraag stellen, of het voor Pharaö genade te noemen is, dat hij geboren is gewoi'den, zoo uitnemende gaven zich zag toebedeeld, tot de koningsmacht mocht klimmen, en in oppermacht | heerschen, dan moeten we antwoorden: zijnerzijds onverdiend en verbeurd, zeer zeker. En nu heeft hij veel mogen genieten jaren lang: lichamelijke genoegens, eere, allerlei, dat maar betrekkelijk aan weinigen ten deel valt, en velen, zeer velen hier op aarde moeten missen.

Maar toch ware het hem, gezien wat dat alles vanwege zijne zonde hem gebracht heeft, aan eeuwigen ondergang in smart en wroeging, beter, nooit geboren, nooit in die mate met op zichzelf heerlijke gaven versierd, nooit tot de koningswaardigheid gekomen te zijn.

Kunnen we hier dus spreken van genade?

Mogen we bij wat Gods Woord ons openbaart over 's menschen verantwoordelijkheid en te wachten eeuwige vergelding, ons oog sluiten voor wat na zijnen dood /aan Pharaö is thuis gezocht en nu tot in eeuwigheid '•• door hem geleden wordt? Mogen we bij het antwoor op zoo even gestelde vraag, of we bij Pharaö in wat hem op aarde aan goederen en macht ten deel is geworden, van genade mogen spreken, onze gedachten es aftrekken van Gods eeuwigen raad, die heel den wereld- ; loop bepaalde ook ten aanzien van Pharaö, en die ook i door, zoowel als ondanks, des schepsels handelen tot stand brengt, wat hij bevat, hetgeen ook geldt met betrekking tot Pharaö?

We zien, dat we hier met eene eenvoudige vei-wijzing naar het goede en genotvolle, dat de menschen op aarde nog mogen smaken, ondanks de inkomst der zonde in deze wereld, en met eene constateering, dat wij reeds door onzen zondeval in het Paradijs alles goeds verbeurd hebben en geenerlei aanspraak op eenige gei nieting kunnen laten gelden, nog niet gereed zijn met de vraag, of we ook ten aanzien van Pharaö en zijne geboorte en verheffing van genadebetoon kunnen spreken.

Deze vraag raakt diepere problemen.

Denken we ook aan Judas, die den Heere verraden heeft.

Hij werd in Kanaan geboren niet alleen, maar ook als Israëliet, en wel in den tijd ongeveer, dat ook de Zone Gods vleesch werd. Ook had Judas uitnemende gaven, zoodat de Heere ook hem tot den engeren kring Zijner twaalven verkoor, en hij in dien kring de kas beheerde. Hij ook mocht alle 's Heeren woorden hooren en Zijne wonderen zien. En hij evenzeer als de andere elf zag zich geroepen en bekrachtigd om als 's Heeren zendbode uit te gaan, het Koninkrijk Gods te prediken, zieken te genezen, duivelen uit te werpen, Matth. 10 : 1—8.

Groote voorrechten heeft Judas mogen bekomen.

Hoevelen zouden die hem benijden.

En Judas had die niet verdiend, evenmin als de andere discipelen of apostelen. In zichzelven was hij ze onwaardig, en reeds door den zondeval in het Paradijs had ook hij die verbeurd.

Maar kunnen we desondanks van Judas' ontvangen dier heerlijke voorrechten, spreken als van een genadebetoon Gods jegens hem?

Onze Heiland, aankondigende Zijn verraad door Judas, zeide: De Zoon des menschen gaat wel henen gelijk van hem geschreven is, maar wee dien mensch door welken de Zoon des menschen verraden wordt! het ware hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest, Matth. 26 : 84.

Zullen wij bij het hooren dier ontroerende woorden van genadebetoon jegens Judas spreken, van zijne begenadiging in de aanschouwing van het levenslicht, in de verkiezing tot discipel, in zoo nauwe verbinding met den Heere?

Ongetwijfeld wel in den zin van onverdiend en verbeurd van Judas' kant, en van onverplicht van Gods kant. En ook in den zin van op zichzelve groote voorrechten. Het waren geene kleine zaken, die Judas zich mocht zien toegedeeld.

Maar houdt genadebetoon niet nog meer in?

Stellig, Judas heeft het verraad gepleegd, niet door, maar ondanks zijne hooge bevoorrechting. Onze Heiland heeft tot het laatst toe alles gedaan, om Judas zich van zijne booze plannen te doen bekeeren. De schuld ligt geheel aan Judas' kant.

Maar ware bij Adams overtreden in het Paradijs Gods vloek over die zonde terstond in volle kracht doorgevoerd, de overige menschheid had niet geboren

(Zie vervolg op blz. 132)

kunnen worden, en dus ook Judas niet. En dat ware voor hem verreweg het beste geweest.

Is nu het gespaard blijven der menschheid sedert onzen zondeval in het Paradijs voor Judas genade?

En zoo ook, dat Judas als Israëliet geboren is, en kennis van den Heere kreeg, en Zijn discipel mocht worden, op zichzelf uitnemende voorrechten, het is hem alles door zijne zonde tot verzwaring van oordeel geworden. En niet zonder Gods bepaling. De Zoon des menschen gaat wel henen, gelijk van Hem geschreven is, zeide onze Heiland, hoewel Hij daarnaast onverzwakt bleef handhaven: maar wee dien mensch door welken de Zoon des menschen verraden wordt! het ware hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest.

God heeft alle ding gewrocht om Zijns zelfs wil, ja ook den goddelooze tot den dag des kwaads, Spr, 16 : 4.

Bij deze ontroerende feiten en woorden worden we voorzichtig.

Dan zijn we niet zoo terstond klaar met de simpele heenwijzing naar allerlei goede gaven, die de mensch ondanks den zondeval op aarde nog mag genieten, onder de herinnering, dat hij niets daarvan verdiend, maar het alles daarentegen verbeurd heeft, reeds van zijn vroegste bestaan.

Dat is wel alles waar.

Maar de vraag, of we daarbij kunnen spreken van genadebetoon, is daarmede toch nog niet beslist en voldoende beantwoord.

Want alles wat hier op aarde ontvangen wordt, heeft zijn eeuwige gevolgen, in verband met hetgeen de mensch er mee doet. Want wat de mensch zaait, dat zal hij maaien. Die in zijn eigen vleesch zaait, zal uit het vleesch verderfenis maaien, Gal. 6 : 7—8. Daardoor kan het zijn, dat hetgeen hier nu aangenaam is, eere geeft, straks, in de eeuwigheid, te meer droefenis en smart werkt, vanwege het verkeerde gebruik, dat de mensch er van gemaakt heeft. Tot de rijken zegt Jacobus: Uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot eene getuigenis, en zal uw vleesch als een vuur verteren, Jac. 5:3. Het soortgelijke geldt van alle krachten en gaven, door God aan de menschen geschonken, maar door hen niet naar Zijnen wil en in Zijnen dienst besteed, maar aangewend tot zonde en tegen 's Heeren Woord: leven, gezondheid, kracht, verstands-gaven, zielshoedanigheden, moed, en wat er stoffelijks of geestelijks in dezen meer genoemd kan worden. Op zichzelf, d.w.z. afgezien van het mogelijke misbruik, dat de mensch er van maakt, en afgezien van de eeuwige gevolgen er van in verband met zoodanig misbruik, zijn dat alle goede gaven, wijl van God. Want alle goede gave en volmaakte gift is van Ixiven, van den Vader der lichten afkomende, Jac. 1 : 17. Alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwei'pelijk, met dankzegging genomen zijnde, I Tim. 4 : 4.

i Maar wanneer we spreken van genade, bepaalt zich ons denken niet enkel bij de gaven zelve, noch bovendien daarbij, dat zij onverdiend en tegen verdienste ontvangen worden, en door God geschonken zijn enkel uit Zijne ongelioudene vrijmacht, maar vragen we onwillekeurig ook naar hare vrucht en uitwerking, niet slechts voor dezen tijd, maar ook met betrekking tot de eeuwigheid. Wat werken die op zichzelve goede gaven voor hare ontvangers ten slotte uit: heil, öf ellende? Eerst wanneer zij hem waarlijk ten goede strekken, en hij er eeuwig heil uit verkrijgen mag, is hare ontvangst voor hem waarlijk genade.

* S. GREIJDANUS.


1) Quos errores renovarunt varie Scholastici, et Concilii Tridentini Patres; nee non ex Evangelicis quidam pigniento avvEQfia; interpolarunt, maxime illi, quorum errores in Dordracena Synodo a Reformatis Ecclesiis rejecti sunt. (Synopsis, 154.)

2) Rivetus, Summae Controv. tractatus quartus, Opera, III, Roterodami, 1660, 405, b: Sed non facile patitur adversarius ut totum Deo detur; vult Deum esse tantum causam partialem.

imo & Paulum sacrilegae sententiae citat autorem, qui dixit nos Qss\i ovvsqyovg T? € OU. U'bi vulgata habet adjutores Dei.. Locus autem citatus ad rem non facit, non agit enim Paulus vel de operibus, vel de nostra ad Deum conversione, sed de opere ministerii, in quo, etiam fatentibus adversariis, homo impius ratione externi operis cujus est administer, potest esse instrumentum Dei, & ita Deo cooperari.

3) De Moor, Comm. Perp. IV, 1766, 493: Ast non pariter hue spectant loca alia I Cor. III. 9. XV. 10. ubi sermo est de hominum cum Deo coöperatione ad opus ministerii, non vero de hominis Coöperatione ad sui Conversionem in prirno Vocationis momento. Rivetus strijdt tegen misbruik, maar heft het gebruili niet op.

4) Rivetus, a.w. 405, b: Qui (Estius) enim bene notat (wat ondanks Prof. Hepp ook ik „noteerde", gelijk uit mijn citaten duidelijk blijkt) nostram cooperationem respectu Dei, non esse talem qualis est cooperatio Dei respectu nostri, quia tota nostra cooperatio etiam ipsius Dei operatio est, facientis ut faciamus (deze opmerking slaat op Estius). Quo sensu non multum pugnabitmis, si quis cooperatores, avvégyovg Dei nos dicat^ in opere salutis nostrae, nempe si non intelligat Deum simul natura operari cum humana voluntate, ita ut influat in effectum, non autem in causam, qua ratione duo simul operantes ad eundem effectum, similes sunt duobus ferentibus lapidem, aut trahentibus navem, qua similitudine utitur Bellarminus. Quam merito rejecit Bonaventura, quia cooperationem talem intendit, qua neuter operans in alium operatur.

5) Hieronymi Zanchii, Operum Theo!. Tom. VII, Miscellaneorum lib. pr., 251: Quod faciam Deum non solum ^ovXevzijv, sed etiam owepyoj'peccatorum, calumnia est... Docui quidem & doceo secundum Schripturas, Nullam esse actionem sicut in aliis creaturis, sic nee in homine sive internam sive externam, cui non cooperatur Deus. Docent enim sic Scripturae. .... Sed nullo modo consequitur inde, Deum igitur peccare una cum homine peccante, vel, efficere, ut homo peccet, id quod est esse avvsg-yav peccatorum. Quod si mei accusatores nesciun discernere peccatum (quod est dvo^iia, & privatio rectitudinis in aetione) ab actione ipsa: non proinde calumnientur me, quod faciam Deum ot'j'fi^j'oï'peccatorum. Est avvegyog xovsQyov, sed non peccati: omne enim 'dgyov, qua sgyov, bonum est. Omnis autem boni autor est Deus. Imo edeo nos peccamus, quia actiones Dei in nobis, suapte natura bonas, nos nostra corruptione & malitia depravamus, inficimusque. Si puer scribendi ignarus, cuius manus a praeceptore super papyrum ducatur, inter pingendum errorem admittat; erroris certe avvegyog non poterit dici praeceptor: quia pueri manum ducat: sed puer tantum, quia manum praeceptoris recte ducentem non usquequaque sequitur. Deus sua omnipotentia manu & actione omnes creaturas movet: sed unamquamque secundum suam naturam. Deus igitur illius quod in peccato bonum est, nempe actionis in se, avvegyog est: illius vero quea proprie malum est et peccatum nuUo modo avvegyog esse aut dici potest.

6) Joh, Henrici Heideggeri, Medulla Theologiae Chr., 1 Tiguri, 1713, 229; S. Paulus vero dicens: Non ego, sed gratia I Dei, ); "ï"' «/«< »> quae mecum est, I Cor. 15: 10. (non, gratia I mecum) & de se ut regenito loquitur, & fructum ministerii sui 1 uni solique gratiae acceptum in solidum refert. Sumus etiam I sgyazai operarii, Matth. 20:8. avvsgyoi cooperarii Dei, I Cor. I 3:9. per gratiam regenerationis, non naturam. 1

7) Joh. a Lasco, Forma ac Ratio tota Ecclesiastici minis- I terii, ed. Kuyper, Opera, II, 15: de ministri zijn avvsgyoi 9sov. 8) Synopsis, ed. Bavinck, 150: Respectu quidem initii ad bonum, seu primi reparationis actus, liberum naturalis hominis arbitrium, pro natura sua, quoad spirituales facultates, revera corrupta, imo et mortua, verum a Deo emendanda et excitanda, j non avvsgyeX, cooperatur, Deo, sed habet se respectu Dei agentis ad modum quadamtenus naturae et suh]ect\, 7iaê7jT: ixög, passive

9) Synopsis purioris Theologiae, ed. Bavinck, Leiden, Wz- 152, de libero arbitrio: Hic ergo homo Dei gratia et Spiritu I renatus non tantum 7ia{tr]riH< ag, passive, sed et ivsgyrinx active, se habet, ac incipit Deo avvsgysTv, id est, , ut loquitur passim Augustinus, gratia Dei praeveniente, praeparante, et I operante, homo regenitus, ab eadem gratia ducente et coroi- 1 tante, cooperante et adjuvante, actus, vult et agit, et eadem I subsequente proficit et perseverat. • I

10) Zie b.v. de Loei van Strigelius, den bekenden synergist, 1 blz. 193, waar hij Basilius aanhaalt in zake de relatie tusschen I de. drje personen .der triniteit.. 1

11) Fide vero hac qui sunt praediti, praeterquam quod credunt, vere etiam ac certo ex certis rsx/irjetoK se_ credere sciunt: I. quidem ex testimonio Sp. Sancti Spiritui nostro ovtifiagTveovvrognos esse Filios Dei (loann. Amoldtis, The Theologicae, sub praesidio Fr. Gomari, Lugd. Bat., 1601, these 8).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken