Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

8 minuten leestijd

Regeling van het tempo der rationalisatie. f.. p

In het vorige artikel zijn eenige bezwaren tegen l de z.g. actieve conjunctuurpolitiek genoemd. Zij l zal de rationalisatie-werkloosheid niet of slechts |% voor korten tijd kunnen opheffen; haar toepassing K eischt een volkomen heersciiappij over- het ganscho È oeconomische leven. i;

De door velen gewenschte versnelling van het tempo der oeconomische krachten brengt geen (definitieve) redding; zal dan, zoo' vraagt ook Drs Truyen in zijn artikel in het maandschrift „Economie", de regeling van het tempo, waarin de rationalisatie optreedt, dit kunnen doen? ; " !

De moeilijkheid is, zegt de schrijver, welke normen voor de controle van het teclmisdh tempo moeten worden gesteld en hoe deze in dte practijk moeten worden toegepast.

Inderdaad. „Regeling van het tempo der rationalisatio" is een prachtige leuze: haar toepassing stelt de „regelaars" echter voor een groot aantal moeilijkhedten. Mogen machines worden gebruikt, en zoo ja welke? Mogen arbeidters woixi'en ontslagen, en zoo ja hoeveel en wie? Mag de arbeidsprestatie worden vergroot, en zoo ja met welk percentage? Eu wanneer het bedrijf nu schade lijdt door de geeischte beperking der rationalisatie, heeft het dan recht op een toeslag uit de overheidskas?

Drs Truyen ontwijkt deze vragen door een meer algemeen antwoord te geven. Hij meent, di'at het „absoluut winststreven der onderneming", niet in aanmerking mag en kan komen „om als algemeen oeconomische norm te < üenen voor de beheersching van het tempo bij de invoering van arbeidsbesparende machines". En wel omdat „de rationalisatie onder het streven van de hoogste rentabiliteit in de vrije ondernemingsgewijze organisatie in principe niet automatisch voert tot verhoo^ng van de algemeen maatschappelijke welvaart". " 'ê

Deze stelling is o.i. in hoofdzaak juist. Zij wordt, zooals in voorgaande artikelen reeds werd vermeld, ook wel door principiëele verdedigers der rationalisatie en mechanisatie aanvaard. Maar de moeilijkheden eener „regeling" blijven. Wie zal in staat zijn voor ieder bedrijf den invloedl van „arbeidssparende maatregelen" op de algemeenc welvaart te bepalen? De ordening van „de menschelijke en de natuurhjke krachten, die door techniek vrijgemaakt en opnieuw samengesteldi zijn, op een oeconomisch welvaartsdoel", is geen gemakkelijke taak. Zal eenig apparaat haar kunnen volbrengen ?

Moet nu, zoo vraagt de heer Truyen, uit de te verwachten botsing tusschen de bedrijfs-economische en de algemeen-economische eischenvbij de beoordeeling van het technisch tempo, de conclusie worden getrokken, maar heelemaal van rentabiliteitsoverwegingen afstand te doen? Zijn antwoord g luidt: „Geenszins. In concreto zal het, in de, huidige omstandigheden, niet andfers mogelijk zijn dan de bedrijfseconomische eischen dten doorslag te doen geven. De concreet-fei lelijke omstandig-

feden kan men nu eenmaal niet veranderen, indien men voor momenteele beslissingen staat". M.a.w. wanneer een bedrijf zich thans geplaatst ziet voor den eisch tot rationalisatie, zal daaraan voldaan moeten worden, ook al is de uitvoering in zekeren zin nadeelig voor de maatschappij als geheel, al moet deze b.v. de lasten van de verzor- Mng van talrijke uitgestooten arbeiders dragen. Mp het oogenbük is er geen andere weg. „Maar Bvat men wel kan", vervolgt de schrijver in „Economie" zijn betoog, „is er met alle kracht naar streven, de doelstellingen en de organisatie van -^e onderneming in den bedrijfstak, die binnen fekere grenzen veranderbaar zijn, aan te passen aan de gewenschte hoogere doeleinden. Deze geiolgtrekking vloeit voort uit de volkomen onderschiktheid, waarin het ondernemings- en bei, -«M-ijfsdoel staan ten opzichte van het algemeen- , Éf&amp; onomisch-welvaartsdael, en de nog hoogere su|iaatschappelijke en cultureele doeleindten. In dit #»reedere kader gezien, zal bij het oordeel over het •'}> siempo waarin de nieuwe technieken mogen worden '""" oorgevoerd, de eisch van algemeen-economische § oelmatigheid van de rationaUsatie moeten worden i? ^'iÉesteld."

• '• •'•% • * Dr Truyen drukt zich heel voorzichtig uit. Niet het individueele belang der onderneming, meent hij, mag tenslotte het tempo der rationalisatie bepalen, maar het belang van de maatschappij als geheel. Het bedrijf is er niet in de eerste plaats om zichzelfs wil; het vervult een speciale taak in de maatschappij; het moet dienen.

Dit zij direct toegestemd; aan dat dienen is nog een veel hoogere en schoonere beteekenis toe te kennen dan de schrijver in „Economie" noemt. Vooral in deze tijden dringt zich de eisch op dat niet „winzucht" of „concurrentievrees" of dergelijke motieven het tempo der rationalisatie mogen bepalen. En dat om oeconomische redenen en in het bijzonder om redenen aan de Christelijke zedewet ontleend. Maar ook met het aanvaarden van déze stelhng zijn de moeilijkheden geenszins opgelost. De heer Truyen voelt dat zeer wel. In het geciteerde stuk zegt hij dat in de huidige omstan- . digheden de bechijfsoeconomische eischen den g^oorslag moeten geven, maar in het vervolg van lijn artikel handhaaft hij die meening niet geheel.

De moeilijkheid is, luidt het, hoe de gestelde lorm (dat het bedrijfsdoel volkomen ondergeschikt as aan de verschillende maatschappelijk© en cultureele doeleinden) in de practijk in toepassing moet worden gebracht, teneinde de rampzalige consequenties der uitschakeling zooveel mogelijk te Sig, verkleinen", . Nu, meent hij, een t.erugkeer tot dte jl^.g. vrije oeconomische organisatie-vormen, zoo Si^Éeze at in verband met den stand van de huidige ; ï^'l^llechniek vereenigbaar waren, niet het gewenschte heil kan brengen, zal de oplossing wellicht moeten worden gezocht in de richting eener wijziging van de oeconomische organisatie der maatschappij. „Het oeconomisch offer, dat misschien moet worden gebracht, tengevolge van de minder snelle ontwikkeling van de productie- en verbr-uiksmogelijkheden, zal men moeten aanvaarden, om het grootere goed van een meer regel- Önatige werkgelegenheid en van mindere onzeker- *Sieid in het levensbestaan te verkrijgen."

Hier wordt (de schrijver volgt zijn leermeester Prof. Cobbenhagen in dezen) dus wel degelijk betoogd, dat de bedrij f soeconomische eischen tenslotte niet primair mogen zijn. Hoewel deze meeningen een nadere bespreking ten volle waard zijn, willen we liever nu het betoog van den heer Truyen volgen, teneinde meer aandacht aan zijn merkwaardige conclusies te kunnen schenken.

„De ingewikkeldheid en omvangrijkheid van het vraagstuk der techniekbeheersdiing", aldus verder het betoog, „treden duidelijk voor oogen, indien de maatregelen worden nagegaan, die zoowel door het bedrijfsleven als van de zijde der overheid in uitzicht z ij n of worden genomen, om de maatschappij van het moderne ziekteverschijnsel van de rationalisatie^werkloosheid te verlossen".

Als „maatregelen van particuliere zijde" noemt de schrijver dan:

lo. Het tevoren kenbaar maken van de bevoegde instanties van de invoering van arbeidssparende werkwijzen door de werkgevers.

2o. het tijdig aanzeggen van het voorgenomen ontslag aan de betrokken arbeiders, en inachtneming van den nieuwen opzeggingstermijn bij definitief ontslag.

3o. de betaling door de rationaliseerende onderneming van vergoeding voor rationalisatie-werkloosheid in een kas onder overheidstoezieht.

4o. de voorziening voor de werkgevers in de dekkingsmogelijkheid door verzekermg of onderlinge compensatiekas, tegen het risico van betaling der rationalisatie-werkloosheid-vergoeding.

5o. de geleidelijke invoering van de mechanisatie door productie-„planning" (bedoeld is door het maken van een systematisch plan met betrekking tot de productie) en marktanalyse op langzicht (een beschouwing dus over de (waarschijnlijke) ontwikkeling der prijzen en van den afzet over een geruime toekomstige periode), hetgeen tevens de mogelijkheid opent van doorvoering der nieuwe maatregelen in gunstige tijden.

6o. de verkorting van den arbeidsdaur Mj invoering van arbeidsparende methodes, al of niet met behoud van het loon.

7o. de, door de rationalisatie overtollig geworden arbeidskrachten zooveel mogelijk in het bedrijf behouden door niet aanvulling bij personeelverloop, het niet vervangen door goedkoopere jeugdige of vrouwelijke krachten, het herscholen van de uitgestooten arbeiders in het bedrijf, hun uitwisseling in de branche; het in aanmerking nemen van hun sociale positie bij ontslag, hun pensionneering, of vervroegde pensionneering.

8o. de systematische verzameling, rangsdiikking en bewerking van gegevens, betrekking hebbende op, of verband houdende met, de werkgelegenheid in het algemeen en in de branche in het bijzonder.

De lezer merkt: een omvangrijke „verlanglijst". Maar op de meeste dier wenschen is o.i. heel wat aan te merken.

Dr Truyen voelt ook wel bezwaren. „De doorvoering van deze maatregelen", „gaat het bedrijfsoeconomisdi en sociaal raam der afzonderlijke onderneming verre te boven. Op zijn minst is daarvoor reeds een bedrijfslakgewijze regeling noodzakelijk. De regeling in den bedrijfstak, op zichzelf al ingewikkeld genoeg, wordt nog veel ingewikkelder voor de beheersching van de economische en sociale verhoudingen in de moderne maatschappij als de overheid zich met de regeUng der techniek gaat bemoeien. Deze bemoeiing gaat in de richting van de regeling der productie en van de organisatie van den menschelij ken arbeidt.

Wij willen het nu bij de opsomming der wenschen, en het noemen van de voorwaarde, waaronder deze naar het oordeel van den schrijver zijn te verwerkelijken, laten. De bezwaren en dö beschouwingen over die „regeling" bewaren we tot het volgende artikel.

Het opstel van Drs Truyen vertolkt de'meening van een sterke groep, wier invloed op 's lands politiek groot is. Daarom vragen we zooveel aandacht voor zijn meening.

De inhoud van zijn artikel geeft bovendien duidelijk aan voor welke groote moeilijkheden het oeconomisch leven tengevolge der zeer snelle technische ontwikkeling staat. Niet alleen in ons landt

B: . t. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken