Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PERSSCHOUW

4 minuten leestijd

„Getuigenissen”.

Ds S. J. Popma schrijft in „Amersf. Kb." iets over het boek van ds S. G. de Graaf, „Christus en de wereld", met name over het hoofdstuk „Kerk en evangelisatie":

Daarin wordt tegenover wat ik zooeven noemde: overbewustheid, waarbij toch altijd de mensch wordt groot gemaakt, gesteld de zakelijkheid en de onbevangenheid van den arbeid in Gods Kerk.

Ds de Graaf gebruikt deze woorden niet, maar noemt wel de zaak.

„Als de Kerk waarlijk Kerk is, wordt niemand in haar groot, maar bukken we allen te zamen voor het gezag van Gods Woord".

Dat eigensoortige van de Kerk is een gevolg daarvan, „dat de Kerk een schepping is en draagster is van het Woord der genade. Omdat ze dat is, kan nooit iets in de plaats van haar of zelfs naast haar gesteld worden, geen groepbeweging of geen conferenties tot verdieping van het Gereformeerde leven of wat ook. Wanneer al wat op zulke conferenties geschiedt niet in verband staat met de Kerk en niet alleen ten doel heeft dat, wat in de Kerk geschiedt beter tot haar recht te laten komen, maar wanneer men integendeel die conferenties ziet als een eigen factor voor de stichting van ons geestelijk leven, is daarmee zelf de houding van deemoed, d.i. de geloofshouding tegenover het Woord van God opgegeven. En dan is het onvermijdelijk, dat op die conferenties en vergaderingen de mensch weer groot wordt, d.i. de geestelijke mensch groot wordt. Op hetzelfde oogenblik is hij geen geestelijk mensch meer. Juist doordat de Kerk een schepping van Jezus Christus en het woord Zijner genade is, snijdt ze alle mogelijkheid tot groot-worden van menschen af, maar wanneer we zelf de een of andere instantie of organisatie tot stichting van ons geestelijk leven verzinnen, zijn we in dat verzinnen zelf groot en niet meer onderworpen".

Een volgende opmerking is de overweging meer dan waard. „In verband met het voorgaande zal wel voor U vaststaan, dat ik als eenig middel (n.l. voor evangelisatie) moet aanwijzen de rechtstreeksche verkondiging van het Woord Gods. Ik moet dus afwijzen het getuigenis over eigen ervaring, over eigen omkeer.

Vooral door Brunner is in zijn geschrift over de groepsbeweging dat getuigenis over eigen verandering verdedigd als een middel ter evangelisatie. Hij deed dat met deze redeneering: de prediking van het Woord Gods in de Kerk staat te ver van de menschen af en kan ze niet meer bereiken. De geheele inhoud van het Woord Gods is hun te vreemd. We moeten eerst een vreg zoeken om hen te bereiken. Die weg kan zijn het laten zien van de verandering, die men zelf door het geloof in Jezus Christus heeft ondergaan. Men kan dan a.h.w. platen zien. Van de verandering, die men aanschouwt, zal men dan kunnen opklimmen naar dat, wat die verandering te weeg bracht... dat is een door en door vleeschelijke redeneering. Want van tweeën één: de verandering, die we hebben ondergaan, is waarlijk door den Geest en geestelijk, maar dan is ze den natuurlijken mensch even vreemd als het Woord des Geestes zelf, óf die verandering is voor den natuurhjken mensch verstaanbaar, maar dan is ze niet uit den Geest, maar een verandering in humanistischen zin."

„We hebben dus van het evangelie te getuigen. En van niets anders. Ook daarna niets van onze levensverandering... Onze goede werken moeten de menschen maar zien. Het zelfgetuigenis over de verandering is altijd èn voor degenen, die het geven èn voor degenen, die het hooren, doodsgevaarlijk. Men kan niet critisch genoeg daartegenover staan. Dat wil niet zeggen, dat men critisch zou moeten staan tegenover het werk Gods in den mensch. De satanische critiek: „is het om niet, dat Job God vreest? " zal ik zeker niet aanbevelen. Maar wel heeft men critisch te staan tegenover het eigen getuigenis aangaande het werk Gods in zichzelf... Daarin ligt onmiddellijk, dat men die eigen belevenis, zooal niet normatief, dan toch tot een voorbeeld voor anderen stelt en dat daardoor een mensch meer groot wordt.

Men beroepe zich er niet op, dat we ook in de Schrift en met name in de Psalmen zulk een zelfgetuigenis hebben. Dat is toch het door den Heiligen Geest geïnspireerde en daardoor wèl zuiver gehouden en wel tot een voorbeeld gestelde zelfgetuigenis. Het gaat hier weer om dezelfde zaak. Dat zelfgetuigenis in de Schrift is wel normatief, doordat het van God is uitgegaan, en het kan ook alleen in een geloofshouding als normatief onderkend worden. Maar die geloofshouding zult ge toch van mij niet vragen voor het zelfgetuigenis van wie ook."

We herinneren aan de mooie artikelen, die dr Schippers in ons blad heeft gewijd aan het thema „getuigen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1940

De Reformatie | 4 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1940

De Reformatie | 4 Pagina's

PDF Bekijken