Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ironie: De lachende bij lictaren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ironie: De lachende bij lictaren

(Bij de jaarwisseling)

11 minuten leestijd

onze mond vervuld met lachen Ps. 126 : 2.

Het lachen van de „goden" behoort bij de grieksche gedachtenwereld.

Maar niet bij de joodsche.

Rengstorf merkt op, dat weliswaar het Oude Testament vier maal ervan spreekt, dat God lacht (Ps. 2:4; 37 : 13; 59 : 9, Spr. 1 : 26, waar de „Wijsheid" als goddelijk gezien wórdt), maar dat de rabbijnen, die anders knap genoeg waren in het , , interpreteeren", met déze teksten zich verlegen voelden. Kon hun „emtige" God wel lachen? Ze vonden het zóó vreemd, dat ze door het aanbrengen van een puntje en zoo in een lettertje den tekst van psalm 2 : 4 wat hebben willen veranderen: e maakten er dan zoo iets van, waaruit men zou kunnen distilleeren, dat niet G o d z e 1 f lacht, maar dat Hij het erop aanstuurt, dat z ij n v ij a n d e n elkaar onderling uitlachen.

Nu, die rabbijnen staan niet heelemaal alleen. Er zijn ook christenen, die met dat „lachen" geen raad weten. Als het Nieuwe Testament zegt, met betrekking tot hen, die thans treuren, dat zij zalig zijn, omdat juist ZIJ zullen „lachen", wel, wel, wat beteekent dat dan? Rengstorf laat zien, dat de exegese het er nóg niet over eens is (Luc. 6 : 21). Is dat nu een lachen over de nederlaag hunner vroegere tegenstanders ? 'n Lachen als van Sara, waarvan we — onder ons gezegd — óók al de historie hebben gecodificeerd, niet zonder exegetische voetangels en klemmen te zien en te ontzien? Bedoelt Lucas soms een tegenstelling tusschen de vrome lachers-van-s t r a k s en de goddelooze lachers-van-v a n d a a g ? En als deze laatsten (6:25) uit-de-hoogte-lachen, is dan dat uit-de-hoogte-neerkij ken soms óók eigen aan de vromen van den eindtijd? KAN DAT WEL ? Is in psalm 126 : 2 een lachen-van-blijdschap bedoeld, direct na de ballingschap, zoo iets als dat gevoel-van-ópluchting, dat wij — een poosje — kenden na de „bevrijding"? Of is psalm 126 : 2 teekening van den eschatologigchen eindtijd, waarmee het lachen als pissende kerk figuur, behoorende tot den kerk s t ij 1, zou zijn erkend ? En wederom, KAN DAT WEL? Is er plaats voor een christehjke „Ueberlegenheit", voor een staan boven de feiten, voor een zekere ironie, die met traan-én-glimlach neerkijkt op den boezen warboel, en af en toe zegt: aat ons er eens om lachen? Is dat vroom, vraagt ergens een verlegen stem, waarvan we niettemin houden? Kan dat samengaan met dit en dat? zoo fluistert een andere, waarvan we óók al houden? Broeder-savoureur ^ ook zülken kent de kerk — wordt tenslotte zelf verlegen met de zaak: ij is bang, zich aristocraat te gaan gevoelen; en zie h ij bidt toch óók; niemand doe hem moeite aan, want per slot van rekening draagt HIJ de stigmata, de lidteekenen van den Kurios Jezus Christus in zijn corpus; kijk maar, bezwaarde broeder.

Intusschen, het is niet onmogehjk, dat alles vastzit op het oude strijdpunt van de ironie. Ook Christus zelf heeft in Gethsemané zich van de ironie bediend: slaapt nu voort en rust. Kunnen en mogen wij, op oudejaarsavond 1948, lachen? Is dat vroom, als iemand met een glimlach op de lip­ pen, zich te slapen legt op dézen daemonischen oudejaarsavond, en lacht om den heelen boel, veiligheidsraad incluis, en al dat kerkgesputter ook incluis, formule zóó en formule züs, en synode streng en synode mak, en al dat andere malle en slechte gedoe, en zijn eigen zonden voor oogen?

Ja, heusch, het mag. De mond van wie de STIGMA'S draagt, van hem alleen ook, van hem alleen ook, van hem alleen ook, wordt met „gelach" vervuld, te allen dg.ge nog. Niet ó m die stigma's, wel neen. Maar omdat een man zonder stigma's geen broeder is. Hij is een aangekleede deugniet. De voren zijn diep getrokken, in psalm 126, en ook in Paulus' kerkers. Maar Paulus kent dan ook de ironie; wat kan hij die lastige broertjes van Corinthe ironisch de waarheid zeggen (I, hfdst. 4). En Israël van psalm 126, het is in 't concentratiekamp geweest, maar „tusschen de twee tijden", tusschen nu-en-morgen, vervult God, ja, ja, die God van psalm 2, ook hun mond met gejuich, en met gelach.

Hij wapent ze, vlak voor den grooten wapenschouw, met het wapen der ironie. Zoo komen ze aan, bij den nieuwjaarsmorgen na een exiel, én bij den Oudejaarsavond van het Universum. Eschatologische psalm? Ja zeker. En ook actueel. Ook die vraag bekijken we met gepaste ironie.

Want het staat met die „ironie" als met zooveel andere dingen: het is maar de vraag, uit w.elk beginsel komt het op?

Er is k w a d e, èn er is g o e d e ironie.

Ook kwade. Er zijn immers zoodanige vormen van ironie, of ook opvattingen van haar wezen, dat ze den Heere Christus in geen geval kunnen worden toegekend. En dan ook zijn dienaren niet. Wie „ironie" daar ziet optreden, waar iemand anderen onder den schijn van hen te erkennen, belachelijk wil maken; of al spottende 'n zaak-van-emst weigert als serieus te behandelen, of (Socrates) zichzelf als den domoor aandient om den ander, onder den s c h ij n van hem als den wijzere te eeren, in de fuik te laten loopen, of boven alles wat eindig is zich oneindig te verheffen, — die heeft gelijk, als hij verklaart: dat vind ik in mijn Heiland niet. En als hij dat geen kerkstijl noemt.

Maar er zijn ook andere opvattingen van het wezen der ironie (die dan tegen bijtend sarcasme wordt afgegrensd). Als de ironie niet is een lichte spot met eigen genialiteit of streven, en ook niet is een aristocratisch, spel met den ander, die hem in feite terugduwt in zijn isolement, doch een opschrikkend, tot nadenken dwingend paedagogisch en dus aan-trekkend, corrigeerend en alzoo zuiverend spreken in den ook aan Christus eigen raadselspreuk-vorm, den zoogenaamden masjaal-vorm, dan is die ironie niet hoogmoedig, maar nederig. Ze zet den dwaas in 'n h e 1 d e r licht, of liever, niet hem, docii zijn dwaasheid, doch zorgt ervoor, dat het heldere licht niet scherp voor de oogen, doch zacht en mild is. De „masjaal" is een raadselspreuk; is ze een verhaal, dan wordt ze een gehjkenis; beperkt ze zich tot een korte spreuk, dan is het een ironisch gezegde. Ze spreekt met zachte stem, en er trilt een ondertoon van diepen ernst in, die op üjden kan teruggaan. Maar ze helpt; althans: ze steekt de helpende hand uit. Ze wekt uit den s^aap, maar niet met het harde geluid van een wekker, doch met de fijne twinkeling van een zilveren klokje.

En wijl ook deze ironie bij uitstek in de verhouding leermeester-leerling past, daar kon ze meer dan eens ook, en juist in den heiligen Profeet en Leeraar, die broeder en Vader is, een wapen zijn dat zonde doodt, en leven wekt. Een roede, maar die men zoomaar kussen wil. Ik denk, dat de mond der apostelen vaak met lachen vervuld is geweest; de lijdensgroeven zag Toorop óók erin.

Want ironie is niet maar een wapen der „grooten", doch bizonder van de heiligen. En vooral van de heiligen der laatste dagen. De christenen beschouwen zich — terecht — zóó, reeds vele eeuwen lang: heiligen der laatste dagen. Ironie is oudejaarsavondrust van wie boete-en klaagpsalmen zong vlak voor zijn Kurios. Want ze maakt van het dogma geen drama, zooals het epos doet, doch hult een (soms ethisch) dogma in het kleed van een tot rust noodigende „suggnóme", d.w.z. een tegemoetkomende vergunning, die, door haar paradoxaal karakter den hoorder opschrikkend, hem in het drama meteen, nu als vr ij williger, laat participeeren. Ze haalt nabij, want ze glimlacht, en bewaart toch den afstand: ze voert den ondertoon van beheerschte critiek. Ze herinnert aan de „Vrijheid Gods", voor wien ernst en spel tenslotte identiek zijn. Een glimp is ze, althans in zooverre ze van zonde vrij is, van Gods eigen zaligheid. Iemand heeft eens gezegd, dat „met behulp van de taal (en haar gestuntel) aan het hoogste participeeren even „ironisch" is, als op de galerij toeschouwer zijn bij de tafel van den koning. Maar in God zelf is het eten van zijn eigen tafel èn het toezien óp die tafel hetzelfde. Wanneer nu een meester-paedagoog den dwaas meevoert naar de galerij^ waar het eten van God en het zich ver-eten van den duivel hem getoond wordt in één samenvattenden biik, dan is de ironie daar aan het woord, zoo dikwijls op die galerij de paedagoog zijn didactisch betoog weet saam te vatten in een aphorisme.

In zulke oogenblikken golft smart tegelijk met diepe vreugde op in den geest van Gods lectoren. Zelfs al kijken ze niet op een koningsmaal, doch op het ge-

draaf en geblaas van de lictoren, die de Koning van de eeuwen op de wefeld af doet stevenen. Ach ja, zoo'n gezegende lector Gods op dezen oudejaarsavond. Heil hem! Hij lijdt, ze gaan hem slaan, ook hem, die lictoren. Maar zoodra zijn geest, door wat oorzaak ook, de contrasteerende energieën in de wereld van 1948/49 heeft onderkend als superabel in en vanwege een toekoniende of aanwezige tranquillitas animi, d.i. rust des gemoeds, is hij bekwaam tot het ironische woord. Hij overwint niet daardoor, wel daarin, en brengt de zegepraal van Goda verlosten zichzelf of ook anderen tot bewustzijn. Is die gemoedsrust „g e r o o f d", d.w.z. gewonnen uit v a l-sche zelfgenoegzaamheid, dan is zijn ironie valsch en hoogmoedig, een humanistisch spelen en schaken met zichzelf. Is ze gewonnen uit geloof, zoo is de ironie een gave, en haar woord daarvan een signum, een teeken. Zijn ironisch spreken ligt dan ook in het verlengde, en binnen het bereik van den naar Gods beeld geschapen mensch en van den hem verleende „oorspronkelijke gaven". De gaven van den Bouwheer, die zijn satans en Sanballats op het werkterrein ziet wriemelen; Hij is wel niet den man gelijk, die contrasteerende energieën op zich af ziet komen en ze dan supereert, doch als de Eéne, die contrasteerende energieën in de hand heeft, die ze ook „zendt" (2 Thess. 2 VS 11), en nooit komt tó t een overwinning, omdat Hij altijd alpha is èn omega, overwinnaar in zichzelf te ALLEN tijde.

Wel ons, als wij op 31 December 1948 deze ironie bezitten. Dan zal de eoïncidentia oppositorum (het samenvallen van tegengestelde realiteiten) niet in het denken seignoraal, doch de oppositie coïncidentium (het tegenstaan van al wat gelijktijdig is) in het 1 ij den serviel ons bezig houden. Gemeenschap met den Vader houdt dan voor ons in: het drinken van Vaders woorden: en Vaders woorden zijn die van vloek over wie tot zonde zal zijn gemaakt; en van zegen over wie het tot een zaak des harten heeft gemaakt.

En dat is dus het eerste en het laatste bij het wisselen van de getijden.

Gezegend, déze rust-des-gemoeds in deze meille wereld van 31 December—1 Januari '48—'49. Het is deze ironie, die aan de dwergen, welke apostelen heeten, hun ambtsnaam laat, terwijl ze hun natuurlijke impotentie weet, die in één glimlach terecht w ij s t en terecht brengt, en daarin exprimeert, dat bij óns onze Kerk-vorst is, die participeert in de glorie van Hem, van Wien de psalmen hoogsten lof zingen, als ze zeggen: Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn.

Heb ik dat ééns gezien, dan durf ik hem ook op den laatsten avond van mijn mij ontglippend jaar als gastheer ontmoeten aan het heilig avondmaal: Hij glimlacht aan die tafel, niet als een ontrukte Boeddha, doch als mijn begrijpende Eerste Broeder (Hebr. 2), aie zich dien naam niet schaamt. Zie, de wachter Israels sluimert niet — Hij is ook de E e r s t e onder vele broeders, en is in alle dingen verzocht geweest als wij, doch zonder zonde. Nu lacht Hij zeer toegeeflijk naar de kleinere broeders: Hij schaamt zich niet hun broeder te heeten, en ik h ó ó r dat als Hij zegt: slaap nu voort en rust.

Ik zie zijn glimlach: ik weet nu, dat Hij alles weet. Heere, Gij weet alle dingen: Gij weet dat ik U liefheb.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949

De Reformatie | 8 Pagina's

Ironie: De lachende bij lictaren

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken