Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De beteekenls van de vrijmaking  voor theologie en leven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De beteekenls van de vrijmaking voor theologie en leven

14 minuten leestijd

(V)

We kunnen dit dus achter héél Kuyper's „Gemeene Gratie" zien: zij zal aannemelijk moeten maken, hoe eenerzijds kan worden volgehouden, dat de mensch dood is in zonden en in misdaden, anderzijds, dat het toch wel meevalt met dien gevallen mensch. De gevallen wereld is toch zoo slecht nog niet, als we eigenlijk wel mochten verwachten en dat vindt zijn oorzaak in een genade, die slechts tijdelijk is en het verderf dat in de zonde school, stuitte.

Kuyper kiest dan het uitgangspunt voor zijn conceptie in den zondeval. Na een korte uitwijding over het Noachietisch verbond, verplaatsen vele hoofdstukken van het eerste deel van zijn boek ons naar hel paradijs. Daar leefde de mensch in den staat der rechtheid. God de HEERE had het alles zoo goed geschapen. Heel dat paradijs, en de mensch als de kroon daarvan, loofde God den Maker. Door Gods machtswoord was de wereld en dat paradijs uit niet tot aanzijn geroepen. Aan dat schoone werkstuk van Gods handen ontbrak niets. Het was één groote lof voor den Schepper en Formeerder. De mensch in het paradijs gesteld, was er om Gods wil, om Hem te dienen en zich aan Hem op te offeren. „Er staat geen altaar in het Paradijs, zegt Kuyper, maar heel dat Paradijs is één altaar, waarop Adam als priester Gods Hem de eere van zijn werk opdraagrt. Adam Tieeft niet voor zich zelven bestaan, noch voor Eva, noch voor eenig dier. Hij heeft alleen voor God bezig te zijn, aldoor God te dienen, rusteloos Gode de glorie van Zijn schepping te wijden "2").

Maar zie, in dat paradijs sluipt nu de satan binnen. In de gedaante van eén slang verleidt hij de vrouw. Daar hangt de verboden vrucht. En de vrouw zag, dat die vrucht goed was, ja zeer begeerlijk, en haar hand strekt zich uit, ondanks het strenge verbod van God. Zij grijpt die vrucht en plukt en eet. Zij geeft ook aan Adam en ook hij eet van de vrucht.

Op hetzelfde oogenblik viel de mensch af van God. Wat eigenlijk reeds door de slang in het innerlijk van den mensch was teweeggebracht, komt nu tot openbaring. De mensch viel van den vasten grond van zijn leven af en van de beloften en de geboden Gods en met zich sleepte hij in dien ontzettenden val het gansche menschelijke geslacht. Vanaf dat oogenblik is hij dood door de zonden en de misdaden.

En hier is het nu, dat, volgens dr Kuyper, Gods gemeene gratie ingrijpt. Dit is het oogenblik, dat voor het eerst de wonderlijke kracht, die hij met gemeene gratie betitelt, zich manifesteert. God had immers tot den mensch het dreigende woord gesproken: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Daarmede bedoelde God maar niet den tijdelijken dood, de •scheiding van ziel en lichaam alleen. Neen, die uitdrukking zag op den dood in zijn vollen 'omvang. „De uitdrukking , , den dood sterven", zegt Kuyper, , , is de sterkste en meest volstrekte uitdrukking voor den vollen en voleindigden dood, dien het Hebreeuwsch bezit". Aldus had God gedreigd. En ziedaar, terwijl God op het eten van de verboden vrucht dus den voleindigden, eeuwigen dood als straf had gedreigd, geschiedde er op het moment van het eten schijnbaar niets. De zon bleef schijnen, de wereld bleef in stand, Adam en Eva bleven menschen, bleven het licht aanschouwen. En dat na zulk een dreiging des HEEREN.

Hier ligt dan ook voor Kuyper één van de grondpijlers van zijn gedachtengang. Als God Zijn oorspronkelijk voornemen had uitgevoerd, waren Adam en Eva op hetzelfde oogenblik weggezonken in de peillooze diepte van den eeuwigen dood. Dan zou het oorspronkelijk werkstuk van Gods handen voor goed gebroken gijn so ƒ31) _

Maar nu is dit Gods gemeene gratie, dat Hij door een aparte vrije wilsdaad tot stand brengt, dat Adam niet sterft, ja nog eeuwen lang blijft leven, hem uitstel van executie geeft en wel onmiddelUjk den dood laat optreden, maar aan dien dood als het ware een teugel aanlegt. De doorwerking van den dood werd opgeschort en een weg ter ontkoming aan den dood werd ontsloten. Er treedt een genade Gods tusschen beide, die de doorwerking van den vloek tempert en ook de doorwerking van de zonde tegenhoudt.

Dit is een punt, waarop wij wel bizonder de aandacht moeten vestigen. De tempering van den vloek, van de op de zonde gedreigde straf, blijkt duidelijk uit het paradijsverhaal zelf. Omdat God de HEERE Zijn machtig plan met de historie der menschheid door de zonde eenvoudig niet stuk laat breken, schort Hij de volle executie van het oordeel op. Daarom laat Hij den eeuwigen dood thans nog niet intreden. Hij jaagt de voltooiing van de historie der menschheid na en zou Hij dat plan, dat doel, de volle vergadering van het getal van Zijn kinderen, laten verhinderen? Het paradijsverhaal zelf laat ons duidelijk zien, dat de volle executie van de straf tot in den eeuwigen dood, niet onmiddellijk plaats vindt.

Maar iets anders dan de tempering-van den vloek is de stuiting van de doorwerking van de zonde. Die is in het paradijsverhaal nergens te vinden. En toch is dat één van de voornaamste punten uit Kuyper's conceptie. Hij is stellig van meening, dat de gemeene gratie in den gevallen mensch de zonde zelf stuit. Hij gebruikt in dit verband graag het beeld van gif. De zonde is den mensch als g i f ingespoten, nu komt de gemeene gratie als tegengif de doorwerking van de zonde stuiten. In het gebruik van dit beeld, zooals trouwens vaker, nadert Kuyper heel dicht de opvatting van de zonde als iets substantieels, een opvatting, die door de Gereformeerde theologie altijd met kracht is teruggewezen. Frappant is een uitspraak als deze: In het feit, dat Adam en Eva zich niet beroemen in hun euveldaad, zegt Kuyper, komt uit, en nu citeeren we letterlijk „dat de diepste oorzaak van hun zonde niet uit henzelven is opgekomen, maar van buiten af als een druppel gif in hun ziel gedruppeld is" en hierin , , ligt het voldingend bewijs, dat de stuiting van de zonde reeds in hen vol-Idongeni was, en d a t ze t o e n reed.s spraken uit de gemeene genad e". (Spatieëring van ons). ^^)

Nu we tot dit punt gekomen zijn, kunnen we de conceptie reeds eenigermate overzien. Gezegd moet worden, dat we hier staan voor een prachtig uitgebalanceerd systeem, een vrucht van de enorme denkkracht van den schepper dezer conceptie. Er is dus, volgens dezen gedachtengang, tweeërlei genade. Dat zegt het woord gemeene gratie reeds. Die term gebruikt Kuyper ter onderscheiding van wat hij graag noemt de particuliere genade. Beide genadewerkingen gaan uit van God den HEERE en vinden dus hun eenheid in het eeuwig Wezen God.s. Beide zijn wilsuitingen van God en ontspringen aan Zijn Wezen. ^^)

Wat particuliere genade is, is op zichzelf reeds duidelijk. Deze genade is particulier, dat wil zeggen: jiiet voor alle menschen bestemd, maar slechts voor een paiticu'.ier, een bizonder aantal daarvan. Deze genade wordt geschonken in de wedergeboorte en later door de verkondiging van het Woord in de harten versterkt ^*). Zij schenkt uiteraard de eeuwige zaligheid. Kuyper heeft het zelf eens zoo gezegd. „Op zich zelf ligt het einddoel der Particuliere genade aan de overzijde van het graf. Haar wit ligt in de eeuwigheid, en op ziehzelve beschouwd, kon ze desnoods geheel buiten het aardsche leven omgaan. Alle Particuliere Genade strekt om de ontfermingen en barmhartigheden Gods daarin groot te maken, dat Hij, nadat de menschheid in zonde en vloek gevallen was, nochtans aan een herboren menschheid eeuwige gelukzaligheid waarborgt". En hij vervolgt: „Toegestemd dient derhalve, dat hiervoor slechts eene aanraking met dit aardsche leven noodig is, t.w. de geboorte der uitverkorenen"^*).

In zijn boek over de theologische cultuurbeschouwing van Kuyper zegt dr S. J. Ridderbos, dat dit een gevaarlijk citaat is^^). Kuyper's genadeleer zou erdoor misverstaan kunnen worden. Maar laat het een gevaarlijk citaat zijn, duideUjk is het zeker. Het toont aan, dat Kuyper de particuliere genade vooral soteriologisch heeft gezien als haar doel vindend in de eeuwigheid. Ze is vooral betrokken op de omzetting van het hart van de uitverkorenen.

Maar daarnaast gaat dan van Gods Wezen de gemeene gratie uit. Dat is ook een genade, al is het dan geen schuld vergevende genade, zooals de particuliere. Kuyper aarzelt niet het toch genade te noemen, omdat het volgens hem een onverdiende en verbeurde goedheid Gods is. Maar deze genade wordt bewezen aan alle menschen en daarom kan ze algemeen heeten. Al vergeeft God de zonde

met, toch tempert Hij in ieder geval haar straf en stuit ook zelf de zonde in haar voortgang en maakt de gansche ontwikkeling van de wereld mogelijk.

SamenvaLtend kunnen we dus zeggen, dat in deze conceptie als het ware twee genadestroomen zich voortbewegen naar de gevallen wereld. In den eenen lichtbundel staan de uitverkorenen. Zij staan in het witte licht van Gods bizondere genade, dat over Jezus Christus als het vleeschgeworden Woord naai hen afvloeit. Maar daarnaast ontspringt aan Gods eeuwig Wezen een tweede genadestroom, een andere lichtbundel, die niet afvloeit over Jezus Christus als het vleeschgeworden Woord van God, maar over Hem als eeuwige Logos, als Scheppingsmiddelaar. In dit schemerlicht worden alle menschen gedompeld, de één meer, de ander minder, in de eene periode van de geschiedenis ook weer sterker dan in de andere, maar tot den jongsten dag toe de zonde styitend en de straf op de Jonde temperend.

Vóór wij nu de laatste consequentie uit het betoog van Kuyper in het oog vatten, nl. in hoeverre deze dubbele genadestroom zijn eenheid vindt in het eeuwig Wezen Gods, willen we eerst nog op een ander onderdeel van zijn gedachtengang letten.

Want m.et hetgeen we tot nu toe van zijn conceptie hebben geschreven, is bij lange na nog het laatste woord niet gesproken.

We hebben tbt nu toe er vooral den nadruk op gelegd, dat de gemeene gratie de werking van de zonde en van haar gevolgen stuit. Maar Kuyper heeft de werking van de gemeene gratie terminologisch nader trachten te bepalen. Hij kiest, om haar werking aan te duiden een tweetal termen, die op zichzelf reeds duidelijk uitdrukken, hetgeen Kuyper er mede zeggen wil.

Allereerst spreekt hij van een constante werking van de gemeene gratie. Daarmee wil hij zeggen, dat deze werking van de gemeene gratie alle eeuwen door op hetzelfde peil bUjft. Hij zegt: „In hoofdzaak blijft deze werking der „Gemeene Gratie" toch constant alle eeuwen door en onder alle volken". De werking van de gemeene gratie moge in verschillende perioden van de geschiedenis nogal verschillen, in het algemeen is er een constante werking, die telkens weer bij ieder mensch de werking van de zonde en haar gevolgen in het mensclienleven stuit.

Kuyper, die geniaal was in het bedenken en stempelen van bepaalde termen, had echter nog een pijl op zijn boog. Met de constante werking van de gemeene gratie had hij haar werkingskracht nog niet voldoende beschreven. Er is aan deze genade ook een andere zijde. Daarvoor koos hij den suggestieven term van progressieve werking. Deze genadekracht blijft niet beperkt tot het stuiten van de zonde en haar gevolgen, maar ze heeft een stuwende werking, welke de door de constante werking in stand gehouden wereld verder tot ontwikkeling brengt. Zij doet de wereld zich ontplooien tot het door God gestelde telos.

In deze progressieve werking nu deelen alle volkeren en alle menschen. „Ze is er op gericht", zegt Kuyper zelf, „om ons menschelijk leven en het leven der gansche wereld een zeker proces te doen doorloopen, zich steeds voller en rijker te doen ontwikkelen, en het van minder tot meerder te brengen, en die dan eerst een einde nemen kan en zal, als dat proces ten einde toe is afgeloopen". Van deze werking kan gezegd worden, dat God, „onder gestadigen vooruitgang, het menschelijk leven steeds overvloediger tegen het lijden wapent, en innerlijk tot rijker en voller ontplooiing brengt" "< ').

Op dit punt nu voegt Kuyper een nieuw Schriftgegeven in in het geheel van zijn conceptie en laat hij dit doorloopend een belangrijke rol spelen. Ik denk hier aan het z.g. Noachietisch verbond. Voor zijn ganschen gedachtengang is dit verbond van het grootste belang. Vanaf het oogenblik, dat God dit verbond geopenbaard heeft, begint, volgens hem, de gemeene gratie met kracht te werken. Vooral haar progressieve werking wordt dan eerst recht openbaar. Nu God de goddeloosheid der eerste wereld door den zondvloed heeft weggevaagd, wordt pas recht een geordend menschelijk leven op aarde mogelijk en zijn de voorwaarden voor een voortgaande ontwikkeling van de cultuur gegeven. Kuyper staat lang stil bij de gevolgen, welke de zondvloed en het toen gesloten verbond met Noach voor de menschheid hebben gehad, en hij concludeert tenslotte: „Zoo openbaart zich metterdaad in de veranderde orde van zaken die na den zondvloed intrad, een alles omvattende, heel de historie beheerscheude, de voor onze toekomst beslissende, en tot in de verste toekomst zich uitstrekkende daad van algemeene genade of gemeene gratie, die dankbaar moet worden aanvaard, waarmee bij onze belijdenis te rekenen, en waaruit onze levensbeschouwing van het leven en van heel den toestand der wereld op te maken is" '"").

Het Noachietisch verbond is ook hierom zoo belangrijk, omdat Kujrper daarbij de overheid door God ziet ingesteld. Wel waren er voor den zondvloed reeds aanwijzingen van een begin van overheidsmacht. Maar vooral na den zondvloed ziet Kuyper de overheid door God ingesteld worden. Hij zoekt dat moment met name in de woorden, die God dan spreekt: ie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden. Gen. 9 : 6. Hij ziet daarin een treffende bevestiging van hetgeen reeds vóór den zondvloed hier en daar zich openbaarde. Maar van nu af aan zullen de overheden regeeren bij de gratie Gods. Deze laatste uitdrukking nu beteekent niet anders, dan dat, in het geheel van deze conceptie gezien, de overheden regeeren bij de gratie van den God der algemeene genade. S. J. Ridderbos constateert dit uitdrukkelijk. Hij haalt de woorden van Kuyper letterlijk aan, als deze schrijft: Gratie" doelt hier op de algemeene genade, en „beteekent ook in deze uitdrukking de genadige beschikking Gods, waardoor Hij in den chaos der zondige wereld orde schiep en de doorbrekende verwoesting der zonde stuitte"38)

Hier stuiten wij dus op een belangrijk onderdeel van Kuyper's gemeene-gratie-leer. Deze fundeering van de overheid in het z.g. Noachietisch verbond geeft hem nu gelegenheid de verhouding van Kerk en Staat nader af te bakenen. Ik geloof, dat wij niet al te zeer mistasten, wanneer wij poneeren, dat Ku3^er heel zijn geniale conceptie niet het minst heeft opgezet om de verhouding van Kerk en Staat theoretisch te kunnen afgrenzen. Het is alsof hij zich in zijn boeken voorthaast naar dat punt. In het eerste gedeelte van zijn drie boeken legt hij a.h.w. het fundament voor zijn politieke visie; in het tweede werkt hij dit fundament breeder uit en grenst het naar verschillende zijden af om dan eindelijk in het derde deel zijn breede uiteenzetting te geven over de verhouding van Kerk en Staat.*

Alles wat wij tot nu toe geschreven hebben, krijgt hier dan ook zijn practische toespitsing. Nu komt de politiek in het gezichtsveld, het optreden van de belijders van Jezus Christus voor de overheden en hun behjden van Gods Naam, wanneer zij zelf tot het overheidsambt worden geroepen. En Kuyper, door Romein eens de klokkenist der kleine luyden genoemd, had voor alle dingen noodig een theoretische fundeering voor het politieke optreden van zichzelf en de zijnen. Zeker, de gemeene-gratie-leer is ook van belang voor wetenschap en kunst, voor het onderwijs en voor het sociale leven. Maar onmiskenbaar heeft ze vooral een politiek accent. Kuyper laat dat trouwens zelf zien aan de proporties van zijn eigen boek. Bijna het geheele derde deel Is gewijd aan de verhouding van Kerk en Staat, en dat heeft zijn reden.


2») G. Gratie, I, pag. 208.

30/31) „In dat te dien dage ligt dus eenerzijds de kracht, oxa ons met de huivering van ons hart te doen doorleven, wat breuke voor de eere Gods en wat verijdeling van zijn scheppingsbestel het zou geweest zijn, indien het alzoo geschied ware " G. Gratie, I, pag. 215.

32) G. Gratie, I, pag. 244/245.

33) Kuyper ziet de gemeene gratie zeer zeker als een aparte wilsdaad Gods. S. J. Ridderbos zegt daarvan: „Het is dus niet te betwisten — en dan citeert hij Kuyper letterlijk — dat er ook In de gemeene gratie een bovennatuurlijke, onmiddellijke daad Gods is, een ingrijpen in den loop van het rad des zondigen levens, een handelen bulten het ik des menschen om, het doen werken van zijn Goddelijken wil, niet alleen niet door den wil des menschen. maar zelfs tegen zijn wil in". Cultuurbeschouwing, pag. 64.

34) G. Gratie, m, pag. 650.

35) S. J. Ridderbos, De Theologische Cultuurbeschouwing van dr A. Kuyper, pag. 134.

36) G. GraHe, H, 601/602.

") A. h. w., I pag. 88.

38) S. J. Ridderbos, a.h.w., pag. 41.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 mei 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

De beteekenls van de vrijmaking  voor theologie en leven

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 mei 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken