Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Leem in de handen van den pottenbakker

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Leem in de handen van den pottenbakker

8 minuten leestijd

„Zal Ik ulieden niet kunnen doen gelijk deze pottenbakker, o huis Israels? spreekt de HEERE: ie gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzoo zijt gijlieden in mijn hand, o huis Israels". Jer. 18 : 6.

De profeet Jeremia heeft geen gemakkelijke taak gehad. Hij moest in een tijd van aival van höt volk des HEEREN het oordeel aanzeggen.

En daarom vond hij allen, die God niet vreesden tegen zich.

Want de kerk uit de dagen van Jeremia wilde maar niet gelooven, dat het met haar verkeerd kon gaan. Israël was toch het volk Gods en Jeruzalem toch de stad des grooten Konings en de tempel was toch in hun midden?

De HEERE zou zijn eigen volk toch niet vera-erpen?

Aan een volk dat in deze stemming leefde moet Jeremia trachten duidelijk te maken, dat God wel degelijk zijn volk kan straffen in zijn toom.

Hij krijgt opdracht van den HEERE om te gaan naar de werkplaats van een pottenbakker. Hij gaat en ziet daar den pottenbakker aan het werk.

Hij maakte een werkstuk op de schijven. Een groote schijf werd met den voet in draaiende beweging gebracht. Deze bracht een kleinere schijf ter hoogte van de handen in beweging. Daarop werd een klomp leem gelegd, dat door de handen van den vaardigen pottenbakker in den gewenschten vorm werd gebracht.

Niet altijd gelukte dat goed. Jeremia, zag hoe een klomp leem misvormd werd. Toen kneep de pottenbakker den leemklomp in elkaar, begon opnieuw en maakte er een voorwerp van, dat naar wensch uitviel.

Dat beeld van pottenbakker en leem, dat vaker in de Schrift voorkomt, is wel in het geheugen van het kerkvolk blijven hangen.

Maar niet altijd wordt het in de rechte beteekenis verstaan.

Vaak verbindt men er deze gedachten aan: God is de pottenbakker en wij zijn leem in zijn handen. God is vrijmaehtig met ons te doen wat Hij wil.

Heeft Hij van eeuwigheid besloten ons te maken tot kinderen des hemels, dan komt het altijd terecht. Maar heeft Hij besloten ons te maken tot kinderen der hel, dan is daaraan niets te veranderen. We moeten het maar nemen zooals het besloten is. We kunnen alleen maar lijdelijk afwachten.

Zóó maakt men van God een God van pure willekeur. En van Gods raad maakt men een noodlot. En van de menschen maakt men eerder Mohammedanen dan Christenen.

De HEERE liet Jeremia in dat beeld van den pottenbakker en het leem wat anders zien. Hij moest namens den HEERE tot het volk zeggen:

„Zal Ik ulieden niet kunnen doen gelijk deze pottenbakker, o huis Israels? spreekt de HEERE: zie gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzoo zijt gijlieden in mijn hand, o huis Israels".

Israël zeide bij zichzelf: Met ons gaat het altijd goed. Wij gaan nooit verloren. God kan ons nooit in den steek laten en verwerpen.

Maar Israël bedriegt zich zeer. Zooals de pottenbakker een stuk leem, dat misvormd wordt, samenknijpt, zoo werpt de HEERE zijn volk weg als het aan het door Hem gestelde doel niet beantwoordt.

Een volk dat God verlaat zal door God verlaten worden.

Maar een volk, dat zich bekeert zal door God gezegend worden.

Dat dit de beteekenis is van het beeld van den pottenbakker en het leem blijkt duidelijk uit de verzen 7—10.

Als God een volk bedreigt met oordeel en ondergang, als Hij spreekt van uitrukken en afbreken en verdoen, dan is dat geen onafwendbaar noodlot.

Want als dat volk zich van zi^n boosheid bekeert, dan zal de HEERE berouw hebben over het kwaad, dat Hij het dacht aan te doen.

In de bekende „Petrus Canisius" uitgave van de Heilige Schrift staat bij vers 7 een merkwaardige aanteekening, die als volgt luidt: „Menselijke voorstellingen, om Gods absolute souvereiniteit en vrij beschikkingsrecht over de lotgevallen der mensen te schilderen. Natuurlijk verandert God nooit van besluit, en kan Hij geen spijt over zijn plannen hebben".

Ik denk, dat deze aanteekening hier niet ter zake is. Jeremia heeft het niet over een onveranderlijk besluit, maar over de handelwijze van God in den tijd. God doet zóó, als hier geschreven staat.

Een bekend voorbeeld hiervan vinden we in de geschiedenis van Ninevé.

Jona heeft in den naam des HEEREN aangekondigd, dat de stad binnen veertig dagen zal worden verwoest. Ze zal worden omgekeerd als Sodom en Gomorra.

De bewoners van Ninevé beven voor dat oordeel en onder leiding van den koning en de rijksgrooten vasten ze en bidden ze tot God en ze bekeeren zich van den boozen weg en ze zeggen: Wie weet. God mocht zich wenden en berouw hebben, en Hij mocht zich wenden van de hittigheid zijns tooms, dat wij niet vergingen" (Jona 3:9).

Dan ziet de HEERE hun handelingen en hun bekeering en „het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het

Maar ook het omgekeerde kan gebeuren. Als God een volk toezegt, dat Hij het zal zegenen, het zal bouwen en planten, dan gaat dit niet onder alle omstandigheden door.

Want als dat volk doet dat kwaad is in de oogen •des HEEREN en naar zijn stem niet hoort, dan zal God berouw hebben over het goede, waarmee Hij gezegd had het te zullen beweldadigen.

Hoe kunnen menschen, die bij de Schriften leven, dit toch vergeten.

Want de Bijbel is vol 'van voorbeelden, die overeenkomen met dit woord uit Jeremia 18. Ik denk aan het boek Deuteronomium. Daarin geeft de HEERE aan zijn volk rijke beloften van tijdelijken en eeuwigen zegen. God heeft Israël verkoren als een volk des eigendoms, dat Hij wil bouwen en planten.

Maar tot dat volk wordt ook het volgende gezegd: Indien het geschiedt, dat gij den HEERE uwen God gansohelijk vergeet en andere goden navolgt en ze dient en u voor dezelve buigt, zoo betuig Ik heden tegen u dat gij'voorzeker zult vergaan; gelijk de heidenen, die de HEERE voor uw aangezicht verdaan heeft, alzoo zult gij vergaan, omdat gij der stemme des HEEREN uws Gods niet gehoorzaam zult geweest zijn" (Deut. 8 : 19, 20).

De voorbeelden ter illustratie van dit woord uit Jeremia liggen voor het grijpen. Ik denk aan het huis van Eli, dat tot diep verval kwam. Met dat huis van Eli doet God wat een pottenbakker doet met een misvormt'e kmik.

Zooals we lezen in 1 Samuel 2 : 30: Ik had wel klaarlijk gezegd: w huis en uws vaders huis zouden voor mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt de HEERE: at zij verre van Mij; want die Mij eeren zal Ik eeren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden".

De Israëlieten uit de dagen van Jeremia hebben ondervonden dat God voor zijn volk, dat van zijn wegen vnjkt, een verterend vuur is.

Ze zeiden wel: es HEEREN tempel, des HEE­ REN tempel, des HEEREN tempel zijn deze (Jeremia 7:4). Maar die tempel is verwoest en Jerazalem door de vijanden ingenomen en een deel van het volk weggevoerd in ballingschap.

God deed met zijn volk wat een pottenbakker met het leem doet.

Nu kan men trachten zich van dit woord uit Jeremia af te maken door te zeggen: Dat geldt onder het Nieuwe Testament niet meer. Nü gelden voor het ware volk Gods onvoorwaardelijke heilsbeloften. En als we ons van ons geloof bewust zijn dan hoeven we uiteindelijk het oordeel Gods niet meer te vreezen.

Laten we maar oppassen met onze redeneeringen. En laten we den brief aan de Hebreen maar eens lezen. De Heere zal zijn volk oordeelen (10 : 30).

Onze God is een verterend vuur (12 : 29).

Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zoo groote zaligheid geen acht nemen (2 : 3). Zoo spreekt trouwens niet alleen de brief aan de Hebreen, maar heel het Nieuwe Testament.

Het was in de kerk zoover gekomen dat we geen oordeel of toorn des HEEREN meer vreesden. Men heeft het mij meermalen gezegd: Ik heb niets meer te vreezen. God toornt nooit meer op ons. Het gaat met ons altijd goed.

We mogen dankbaar zijn als de HEERE ons van dergelijke redenaties heeft afgebracht. Als we weer oog kregen voor den ernst van GJods dreigingen over zijn volk. Als we weer leerden beven voor den Pottenbakker in wiens hand we als leem zijn.

Dan zullen we nooit meer zeggen: Het gaat met ons en onze nageslachten altijd goed. Maar dan zullen we vreezen voor Gods toom.

Dan zullen we doorgaan ons te bekeeren van onze booze wegen.

Doen we dat? Dr van den Bergh heeft indertijd ongeveer het volgende geschreven: „Er is een reformatie, die begint en eindigt met het afwerpen van het synodale juk. En verder laat men alle bannen en breuken en zonden ongemoeid. Dat is de echte reformatie niet. Dié bestaat daarin, dat we persoonlijk en

huiselijk en maatschappelijk en staatkundig wederkeeren tot den HEERE en Zijn Woord".

Dit schreef hij een jaar of wat na de Doleantie.

Het is waard ook in onze dagen overwogen te worden.

De wereld staat in brand. Gods eindoordeelen dreigen.

En volken, naar den naam van Christus genoemd, leven voor brood en spelen.

En vele kerkmenschen leven zorgeloos voort.

Wat we dan moeten doen? We kunnen het lezen in Jeremia 18 : 11: Bekeert u nu een iegelijk van zijn boozen weg en maakt uw wegen en uw handelingen goed".

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 april 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Leem in de handen van den pottenbakker

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 april 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken