Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De bedenkingen van Ds. Ploos van Amstel tegen de zes punten, in onze brochure vervat, besproken (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De bedenkingen van Ds. Ploos van Amstel tegen de zes punten, in onze brochure vervat, besproken (I)

7 minuten leestijd

Wij zullen die bedenkingen woordelijk overnemen en punt voor punt bespreken.
Ds. Ploos vangt aldus aan:
„Wij kunnen niet uitvoerig zijn. Zoo beknopt mogelijk willen wij die gronden behandelen.
De 1e grond is: Wij zijn en blijven de Chr. Geref. Kerk, omdat in de vereeniging het beginsel der scheiding is prijsgegeven, door gelijk recht van bestaan te verzekeren aan de doleantie.
De schrijver zegt: het beginsel van scheiding en Doleantie sluiten elkander uit. Is dat werkelijk zoo? De scheiding gaat uit van de stelling: De Kerk is valsch, daarom is afscheiding plicht. De doleantie zoekt het verkeerde in de besturen. Is hier in de praktijk althans zulk een verschil? Beiden verlaten wij wat verkeerd is, om ons te stellen onder de gehoorzaamheid van Christus en Zijn Woord. Beiden aanvaarden wij de belijdenis en stellen wij ons onder de Dordtsche Kerkorde. En nu mag de echt doleerende zeggen : het is onze roeping om de achtergeblevenen te bewerken; de man der scheiding doet hetzelfde. Eigenlijk is het in de praktijk zoo, dat menig gescheidene zich krachtig heeft aangetrokken, wat achtergebleven is, en menig doleerende zich misschien al te spoedig heeft vergenoegd met een aanvankelijk verkregen resultaat.
Wij mogen vrijelijk zeggen: het beginsel der doleantie is veel meer prijsgegeven, dan dat der scheiding. En dat zit vooral daarin, dat het beginsel der doleantie bijna onmogelijk is uit te voeren, terwijl dat der scheiding als van zelf zich aanbeveelt, van wege het veel meer voor de hand liggende en gemakkelijke, dat daarin ligt.
Waarlijk, in de praktijk wordt van dat onvereenigbare bijna niets gemerkt. Een ieder is vrij om zijnen kring uit te breiden. Maar dat geschiedt misschien veel te weinig, zoodat er waarlijk geen geklag behoeft te zijn over het prijsgeven der scheiding.
Daarenboven moet men nooit vergeten, dat het bij de grondleggers der reformatie in 1834 en v.v. nooit is te doen geweest om de scheiding, maar om weder te keeren tot de gehoorzaamheid des Woords. Scheiding was gevolg, nooit doel. Die scheiding tot doel stelt, staat geheel op het standpunt van het Farizeïsme, dat in zijne strenge afzondering als zoodanig zijn heil zoekt.
Ook is het werk Gods van ’34 niet prijsgegeven. Geenszins.
Men erkent het werk Gods, maar men laat de wijze, waarop gewerkt is in ’34 en in ’86, in het midden (zonder uit te maken wat het beste is). Nu is dat altijd noodig, dat wij, het werk Gods erkennende en den Heere daarvoor dankzeggende, geen oordeel uitspreken, wat wij nu voorwerpelijk voor het beste moeten houden. Het oordeel daarover moeten wij aan den Heere overlaten.”
Dit eerste punt van Ds. Pl. eischt van ons, dat we het uitvoerig moeten bespreken, aangezien dit eerste punt de sleutel is van de vijf volgende.
Een ieder gevoelt, dat, als bewezen is, dat in de vereeniging het beginsel der Scheiding, het werk des Heeren van ’34 is prijsgegeven, wij kort kunnen zijn in de behandeling der andere punten, dewijl het ons dan voldoende grond aangeeft om niet te vereenigen, doch te blijven, wat we zijn en waren.
We hebben dit punt in onze brochure misschien wel te kort behandeld om het voor een’ ieder duidelijk te maken, dat het waarlijk zóó en niet anders is; doch we moesten in alles kort zijn, volgens de opdracht, ons gegeven.
Allereerst dan vraagt Ds. Pl., of het werkelijk zoo is, dat „Scheiding” en „Doleantie” elkander uitsluiten.
We willen dit onderzoeken.
Wat is het beginsel der Scheiding? Ds. Pl. zegt het ons zelf: de kerk (de Herv. kerk nl. is valsch, zoo spreekt de man der Scheiding, en daarom is „afscheiding” plicht.
Niemand kan ontkennen of dit is conform met de belijdenis. Art. 28 en 29 leeren ons, dat wij ons bij de ware kerk hebben te voegen en ons van de valsche kerk hebben af te scheiden.
Het zijn twee verschillende kerken, lichtelijk van elkander te onderscheiden, onder welke twee we niet gelijk kunnen behooren en die ook niet te gelijk onder elkander kunnen vermengd zijn. Een tusschenkerk is er niet; — er zijn dus twee verschillende kerken, - eene ware en ééne valsche kerk.
Van de ware kerk mogen wij ons niet afscheiden, volgens de belijdenis, en bij de valsche mogen wij niet blijven.
Nu zegt Ds. Pl.: de Doleantie zoekt het verkeerde in de besturen, niet in de Herv. Kerk, en dat moet dan, volgens ZEerw., practcisch hetzelfde zijn als wat de Scheiding doet, aangezien beiden verlaten, wat verkeerd is.
Laten we dit eens nader beschouwen.
Wat verliet de man der Scheiding? De besturen der H. Kerk, of de Herv. Kerk in haar geheel, met al wie er bij behoorden ?
Van Velzen zegt ons dit duidelijk, als Z.Eerw. schrijft aan het classicaal bestuur van Dokkum:
„Daarom is het, dat ik. . . . mij afscheid van het N. H. kerkbestuur en” — let wel! — „van allen, die zich daaraan onderwerpen.”
In het adres aan Z. M. verklaren „de geloovigen uit de Prov. Gron. en Drenthe”, dat „de Geref. Kerk, in zooverre zij van hare belijdenis afwijkt, ophoudt de Gereformeerde kerk te zijn;zij wordt eene nieuwe secte.”
Nu vragen wij: wie onderwerpen zich aan de besturen der Herv. Kerk? Immers allen, die er lid van zijn! En wie zijn afgeweken van de belijdenis en hebben menschelijke verordeningen gesteld boven het Woord Gods? Immers allen, die er lid van zijn en zich onderwerpen aan de reglementen dier Kerk? Een ieder, die belijdenis aflegt in de Herv. Kerk, onderwerpt zich gewillig aan de verordeningen dier Kerk, zooals ze sinds 1816 daarin als geldend verklaard en aangenomen zijn.
Wat verkeerds zit, er nu in de besturen, dat niet in heel de Herv. Kerk zit? en wat verkeerds zit er in de Herv. Kerk, dat niet in de besturen zit? Of is er een tweeërlei bestuur in de Herv. Kerk: één, dat goed, en één dat verkeerd is? Of regeert het bestuur zich zelf, slechts om de kerk ongeregeerd te laten? Ontegenzeggelijk waar is het dus: het bestuur regeert de Herv. Kerk, en de H. K. wordt geregeerd door haar eenig bestuur, dat zij heeft. Alzoo zijn Bestuur en Kerk, regeering en leden, één en hetzelfde lichaam.
Nu komt de Doleantie met de onware voorstelling, dat Bestuur en Kerk twee lichamen zijn, van elkander zoodanig te onderscheiden, dat het ééne verkeerd en het andere goed is, waarom zij het ééne verlaten en bij het andere blijven willen.
Dit nu is hare theoretische beschouwing: want we zullen bij de nadere bespreking zien, dat zij met hare praktijk daarmede vreeselijk in tegenspraak is gekomen.
We volgen echter nu hare theorie; en dan leert zij, dat de Besturen der Herv. Kerk verkeerd, maar de Kerk zelve, die door haar bestuurd wordt volgens de Reglementen, goed is, — wel wat verbasterd, maar toch niet valsch.
En daarom mogen zij zich niet afscheiden.
Wij verlaten, zegt Ds. Pl., beide, wat verkeerd is; en dat is practisch hetzelfde. Nu moet men toch zeer onnoozel wezen, om zich zulks te laten wijs maken; — wat de één valsch noemt, zegt de ander goed te wezen, en dit in betrekking tot de ware en valsche Kerk! Sla nu de belijdenis open en lees de Art. 28 en 29; dan moet de één vluchten, scheiden, waar de ander moet blijven. Sluiten die twee beginselen elkander nu niet uit? Ongetwijfeld, nietwaar?
De eene acht Scheiding plicht, roeping; en de ander zegt niet te mogen scheiden: want hij moet bij de ware kerk blijven, die door den eerste valsch is genoemd. Alzoo veroordeelen zij elkanders beginsel. Hoe zullen nu deze twee strijdende beginselen met elkander samen op ééne en dezelfde plaats kunnen wezen, samen blijven, samen verlaten, zonder dat de een of de ander zijn beginsel laat varen?
Onmogelijk!
Scheiding en Doleantie komen dus in botsing met elkander in plaats van „practisch hetzelfde” te doen.
Maar ook de Doleantie is met zichzelf in botsing gekomen, nl. hare theorie met hare practijk. Doch dit willen we de volgende week bespreken.

J.H. WESSELS
Utrecht, 28/12, ’94.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 4 January 1895

De Wekker | 4 Pagina's

De bedenkingen van Ds. Ploos van Amstel tegen de zes punten, in onze brochure vervat, besproken (I)

Bekijk de hele uitgave van Friday 4 January 1895

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken