Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De bedenkingen, door Ds. Ploos van Amstel tegen de zes punten, in onze brochure vervat, besproken (III)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De bedenkingen, door Ds. Ploos van Amstel tegen de zes punten, in onze brochure vervat, besproken (III)

6 minuten leestijd

Tweede vervolg op het eerste punt.
Tot zoover hebben we de doleantie beschouwd in hare dwaze theorie en praktijk, die met elkander in strijd zijn, aangezien de Doleantie niet practisch kon toepassen, wat zij theoretisch trachtte te belijden, en daarom niet gegeven heeft, wat zij haren volgelingen heeft beloofd.
Hieruit volgt, dat zij niet is, wat ze zijn wilde, en dat zij is, wat ze niet wilde wezen. Ter verduidelijking: wij hebben bewezen, dat zij niet is de Herv. Kerk, die zij beleden in 1886 de Kerk der vaderen te zijn, ofschoon zij meende, dit wel te zijn; en ook hebben wij bewezen, dat zij is eene aparte groep, die buiten de Herv. Kerk gekomen is, welke zij in 1886 de Kerk der vaderen noemde, ofschoon zij geenszins die aparte groep wil zijn.
Deze aparte groep nu is vereenigd geworden met de Afgescheidenen, die eveneens eene aparte groep zijn, zoodat beiden dus staan buiten de H. K., echter met dit verschil: de Doleerenden in een’ onwaren toestand, de Afgescheidenen in een’ waren. De Doleerenden aanvaardden dit apart zijn niet, de Afgescheidenen wel; de Doleerenden weigerden hunnen werkelijken toestand, de Afgesch. aanvaardden die.
De Doleerenden beweerden, dat zij de ware Herv. of Geref. Kerk zijn, zooals die zich vóór en na 1816 heeft geopenbaard, de Afgescheidenen belijden, zich van die Kerk in 1816 in corporatieven en plaatselijken zin te hebben afgescheiden.
Twee beginselen derhalve, die vlak tegenover elkander staan, zijn in ’92 met elkander vereenigd! En die vereeniging geschiedde op deze raadselachtige wijze: zoogenaamd op voet van gelijkheid, of, m. a. w., door elkander gelijk recht toe te kennen. Overbodig mag het zeker geacht worden, na al hetgeen we reeds van deze twee tegenstrijdige beginselen hebben gezegd, nog onder zoek te doen naar de waarheid van dit zoo genaamd gelijk recht van bestaan.
Ds. Pl. echter maakt het ons noodzakelijk, als Z.Eerw. zegt: »Men erkent het werk Gods, maar men laat de wijze, waarop gewelkt is in 34 en ’86, in het midden, zonder uit te maken, wat het beste is.
Of Ds. Pl. van deze zaak een vreemdeling is gebleven, weten we niet, maar wel weten we, dat de stukken, zwart op wit, dit anders getuigen. En ook: de Doleerenden hebben het voor zich zeer duidelijk uitgemaakt, dat de Doleantieweg de goede weg was en die der Scheiding met slechts af te keuren, maar ook, dat die nooit betreden had moeten worden, ja, zelfs diende verlaten te worden, zoodat de Gescheidenen teruggevoerd moesten worden tot de plaats, van waar zij uitgegaan waren, — de plaats, waar zij, naar Ds. Pl. zegt, thans reeds gekomen zijn, n.l. tot de Kerk der vaderen, waarvan zij bijna zestig jaar afgesneden zijn geweest, en waar zij buiten stonden. De Doleerenden hebben wel de Afgescheidenen als afgedwaalde leden, doch zij hebben geenszins de Afscheiding erkend in haar werk van’34. De Doleerenden kunnen trouwens de scheiding niet erkennen als wettig, noch de Kerk der Scheiding erkennen als de ware Kerk: anders immers hadden zij het oordeel in zichzelven, dat zij eene Kerk hebben gesticht tegenover de ware Kerk des Heeren. Dit hebben ze dan ook duidelijk in den Haag uitgesproken, n.l., dat zij met de beschouwing van de mannen der Scheiding niet konden meegaan, zonder eene streep te halen door hunne geschiedenis, die, zeiden ze, vrucht van hunne overtuiging was.
Wat moet men nu van zulk eene erkenning denken, gelijk Ds Pl. dat erkennen noemt ? ! Neen, zij kunnen het werk van ’34 niet erkennen, zooals het geschied is, zonder andere bedoelingen aan dat erkennen te geven: anders immers veroordeelen zij zichzelven.
Maar ook de Gescheidenen kunnen evenmin het werk van '86 erkennen als wettig, zonder dat ook zij eene streep halen door hunne geschiedenis.
Gelooven zij waarlijk de Afscheiding te zijn geweest, wettig en een werk des Heeren, dan was in ’86 de Afgesch. Kerk de ware Kerk, en dan was de Doleantie ongeoorloofd, dewijl, wanneer zij, tot de belijdenis terugkeerden (zooals zij het noemden) deze belijdenis hun leerde, dat zij zich bij de ware Kerk en dus bij de Afgesch. Kerk: hadden te voegen.
En dewijl zij dit niet deden, maar zelfs eene Kerk stichtten, zoo stichtten zij daarmede eene Kerk tegenover de ware Kerk, — eene daad, die noch naar de (Schrift, noch naar de belijdenis geooroofd is.
De Afgesch. Kerk moet zich daarom handhaven als de ware Kerk en geene plaats noch wettig recht geven aan de Doleantie. Doet zij dit en erkent zij de Doleantie in wettigheid van bestaan, als optredende tegenover de ware Kerk des Heeren, dan verloochent zij daarmede haar eigen bestaansrecht, zij zondigt tegen de belijdenis, die zulks niet toelaat, en zij helpt mede de ware Kerk des Heeren of breken, om tegenkerken te doen verrijzen.
Dit nu hebben die Afgescheidenen gedaan, die zich met de Doleerenden vereenigden.
Het verloochenen dus van het beginsel der Scheiding lag reeds in de vereeniging met de Doleantie opgesloten, afgedacht nog van de uitwerking der vereeniging. En laten we nu eens op die uitwerking letten.
Dan is het niet waar, wat Ds. Pl. zegt, „dat het Doleerbeginsel meer prijs is gegeven, dan dat der scheiding.”
Er is van het Scheidingsbeginsel in de Geref’. Kerken geen woord en geene daad meer te vinden; het woord Scheiding wordt niet eens meer genoemd. Alle woorden, benamingen, enz., thans bij hen in gebruik, zijn uitdrukkingen, die het Doleer beginsel aanwijzen. Ook geene enkele daad van afscheiding heeft meer plaats; de leden uit de Herv. Kerk (thans wordt diezelfde Kerk van ’86 door hen „genootschap” genoemd) komende, stellen zich of voegen zich onder den wettigen(?) kerkeraad, daar ter plaatse; en zoo er aldaar door on gehoorzaamheid nog geen wettige (?) kerkeraad is, zoekt men de Geref. Kerk door leden uit het „genootschap” tot openbaring te brengen. Geene Scheiding dus!
Zoekt en beproeft nu maar om in de „Gerei. Kerken” nog een’ zweem te vinden van iets, dat ook maar eenigszins op Scheiding gelijkt.

J.H. WESSELS
UTRECHT, 12-1-’95.
( Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1895

De Wekker | 4 Pagina's

De bedenkingen, door Ds. Ploos van Amstel tegen de zes punten, in onze brochure vervat, besproken (III)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1895

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken