Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor ouders en kinderen (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor ouders en kinderen (II)

5 minuten leestijd

De aanleiding tot het veelvuldig bezigen van het gezegde van Vader Cats moet zeker hierin gezocht worden, dat, gelijk nu, ook ten tijde van Cats vele ouders hunne kinderen maar in het kwade lieten voortvaren, zonder hen door krachtige middelen daarvan af te brengen. ’t Is waar, zij vermanen wel hunne kinderen, en zeggen: »zus en zóó moet ge niet handelen!” maar daarbij laten zij het vaak blijven ook. De kinderen vermanen, en zacht bestraffen, dat kan nog gaan; maar hen naar verdienste te straffen . . . daarvoor hebben zij schijnbaar de kinderen te lief! Ook geschiedt het niet zeiden, dat vader en moeder het volstrekt niet eens zijn over de wijze van opvoeding en kastijding hunner kinderen, en dit ook werkt zeer verderfelijk in een huisgezin. En zulks merken de kinderen spoedig, en zij gaan niet zelden van kwaad tot erger, door misbruik te maken van de zwakheid der ouders en door te overwegen; wij krijgen toch geene straf; wij hebben voorspraak!” Te laat zien vele ouders vaak in, dat zij verkeerd gehandeld hebben, doch dan zijn de kinderen vaak reeds te ver opgegroeid en de roede ontwassen, zooals men zegt.
O, wat al oudertranen zijn er geweend als loon voor verkeerd geplaatste liefde. Wat al veelbelovende kinderen zijn bedorven en onbruikbaar gemaakt door eene verkeerde opvoeding en bet onthouden van tucht. In dezen gaat het met de kinderen als met boomen: als ze jong zijn, moeten ze geleid en gebogen worden. Zulke ouders hebben wel liefde voor hun kroost, doch geene rechte liefde. Zij beminnen wel hunne kinderen, maar op een verkeerde wijze. In den sterksten zin genomen, zouden wij deze liefde haat kunnen noemen; want we lezen Spreuken 13 : 24; »Die zijne roede inhoudt, haat zijnen zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.” Daarom legt de dichter hier. ook bijzonder den druk op het woordje wel, als hij zegt wèl bemint, kastijdt zijn kind”, al doet het ook met een droevig hart en betraande oogen. Ik heb wel ouders hooren zeggen »Ik kan niet straffen, of ik moet bewezen;” en juist dan is men inderdaad allerongeschiktst tot kastijden, — het geschied dan vaak om die boosheid te koelen. Velen hebben zich in zulke oogenblikken ontzettend vergeten en groote ongelukken en fouten begaan, waarvan de naween niet achter zijn gebleven.
Hier zouden we nog kunnen vragen wanneer en hoe moeten de kinderen gestraft worden? De kinderen moeten gestraft worden, als zij kwaad doen of gedaan hebben doch evenwel zijn de ouders niet gehouden hen dan dadelijk met de roede te slaan. Neen, eerst moeten zij het kwaad op een verstandige en kalme wijze onder het oog van het kind trachten te brengen en trachten aan te toonen, opdat zij weten, dat niet alleen tegen hunne ouders, maar ook vooral tegen den Heere gezondigd hebben en dat zij langs dien weg den eeuwige toorn Gods op zich laden. Dit bestraffen mag echter niet koud en ongevoelig plaats hebben, of met harde woorden, dat soms de kinderen alleen eerbied uit het oog doen verliezen en de ouders als tirannen doen beschouwen of als wreede rechters doen aanzien; maar ook onder de kastijding moet de ouderliefde zichtbaar blijven. Niemand — en dit geldt zoowel ouders als de opvoeders, die de plaats der ouders vervangen, niemand mag straffen in toorn of drift maar dient dan liever de straf uit te stelle aangezien men dan licht wreed wordt de straf bij het kind geene gewenschte gevolgen zal hebben.
Zeer juist leert van Alphen ons in klein versje, hoe een rechtgeaard vader moeder moeten straffen, als hij van de vader zegt: »Ja zelfs, wanneer hij kastijdt, zie ’k tranen in zijn oogen.
Er is groote voorzichtigheid noodig de kinderen te leiden, vooral in onze dage nu men in vele opzichten de kinderen a orde en tucht ontwent.
Op straat en weg schijnen de kinderen geheel baas te zijn. En wee dien, die de baldadigen jongen aanraakt, al doet hij— grootste baldadigheid; schier geen politieagent durft hem aanraken, en hij spot me de gestelde macht. In huis gaat liet menig maal als op straat. Vooral is dit het geval, als er al eenige verdiensten door een kind in huis komen. Op de school wil de jeugd soms ook al baas zijn en men durft onbeschaamd zeggen tot den onderwijzer „Raak mij eens aan, als ge durft!”
Och, mocht er maar veel gebed tot de Heere opgaan, dat het hem mocht behagen in ontferming op het opkomend geslacht neer te zien en Zijn Heiligen Geest in hun harten uit te storten, opdat we het eens mochten hooren wat Gods Woord getuigt »Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest.”

Aarlanderveen. G. BOS

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1896

De Wekker | 4 Pagina's

Voor ouders en kinderen (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1896

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken