Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Evangelie van Johannes (63)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Evangelie van Johannes (63)

8 minuten leestijd

Cap. 8 : 1—11. Aan het einde van het vorige hoofdstuk werden ons onderscheidene gevoelene voorgesteld en vooral de haat des ongeloofs. De Farizeeën hadden hunne boosheid bot gevierd en waren uitgevaren met hun vloek over de schare, die de wet niet wist, en hun leugenachtig smaden op Nikodemus. De avond scheidde hen.van eikander. Een ieder ging heen naar zijn huis, maar Jezus, die niets had om zijn hoofd op neder te leggen, ging naar den Olijfberg. Die berg ten Oosten van Jeruzalem was hij den Heere geliefd. Hij koos dien in den regel uit, wanneer Hij te Jeruzalem vertoefde, om daar de nachten door te brengen (Luk. ’21 : 37). Die hoogste der bergen in Jeruzalems omtrek gaf een wonderschoon tafereel te aanschouwen. De heilige stad met haren tempel kg als aan den voet. Daar in het Westen ligt het dal van Josaphat met de beek Kedron en de talrijke graven. Ter linkerzijde Siloah en Bethanië. Heer nog was die berg geheiligd door de woorden der profeten. Een Ezechiël zag „de heerlijkheid des Heeren op den berg, welke ten Oosten der stad is, welke is de Olijfberg, en waar deze haar de stad verlaten zag, aanschouwde een ander profeet, als de dagen der ballingschap vervuld waren, hoe die heerlijkheid Gods wederkeerde „op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt tegen het Oosten”. Hoe geheel anders zal de Heere daar in die vrije natuur don nacht hebben doorgebracht, dan de vijanden op hunne kostelijken legerstede. Heeft Hij wellicht met zijne gedachten verwijld in die profetien of in eigen toekomstig lot zich verdiept, waar de voet van dien berg, Gethsemane’s hof het diepste van zijn naderend lijden, en en de top van dienzelfden Hem zijne aanstaande verheerlijking voorzegde? Wij weten het niet maar wel weten wij, dat de Heere de hoogte der bergen zocht om te bidden (Luk. 9 : 28).
Nauwelijks was echter het morgenlicht aangebroken of de Heere, wiens getuigenis was: „De Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook”, daalde af van zijne hoogte om in den tempel te zijn, waar de schare Hem opzocht. Wat den vorigen dag geschied en gesproken was had de opmerkzaamheid op Hem gevestigd, on uit welke beginselen dat komen ook zijn mocht, de Heere stelde hen niet te leur. Naar de gewoonte (Matt. 26 : 55 Hand. 16 : 15) zat de Heere neder om te onderwijzen omtrent de dingen van Gods koninkrijk.
Boosaardig wordt dat leeren gestoord. De Farizeën hebben wellicht de nachtelijke uren doorgebracht, peinzende hoe zij Hem ten val zouden brengen. Uit hunne verlegenheid worden zij geholpen doordat er eene vrouw is, die in overspel is gegrepen, Zij kan het dus niet ontkennen en Christus het niet in twijfel trekken. Die vrouw moet dienen om Hem in een strik te lokken. Van hunne overwinning zeker komen zij met haar aan en atollen haar in het midden. De Farizeën hebben schriftgeleerden, die anders nergens door Johannes genoemd worden, medegebracht, om welgewapend te kunnen strijden en tegen elke uitvlucht gedekt te zijn. „Meester:” zoo zeggen zij: „deze vrouw is op de daad zelve gegrepen, overspel begaande, en Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulke gesteenigd zullen worden; gij dan, wat zegt Gij?” „Dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen”. In Lev. 20 :10 en Deut. 22 : 22 had Mozes de doodstraf bepaald voor echtbreker en echtbreekster beide. De wijze van de doodstraf was niet door Mozes bepaald, evenmin wordt die in den Talmud aangewezen. Toch kon zulk eene wel geene mindere straf worden waardig gekeurd dan eene verloofde (Deut. 22 : 23 v.) Reeds zoo oud en zeker wel ouder is de wijze van vermeende schriftgeleerden om wat zij meenen, dat aan Gods Woord ontbreekt, zelve er bij te doen.
Zonder twijfel dachten de vijanden den Heere iets te laten zeggen, waardoor Hij in tegenspraak kwam met de Mozaïsche wet, of waardoor zijne eigene handelwijze veroordeelde. Dat toch hadden zij vooral in Hem te berispen, dat Hij tollenaars en zondaars ontving (Luc. 15 : 2). Wij weten hoe Simon de Farizeer Hem uit den profetenrij schrapte, omdat Hij toeliet, dat eene groote zondares aan Zijne voeten lag te weenen. Wam Hij nu ook weder deze vrouw in bescherming, dan was de aanklacht voor Hem als tegenstander der wet gereed; zoo niet dan veroordeelde Hij wat Hij zelf deed en was een leeraar van Ja en Neen. Bovendien konden zij Hem aanklagen bij den Romeinschen landvoogd, daar „de overheerschende macht het voltrokken vaneen doodvonnis verbood. Hoe zij zelve deden op eene wijze, waarop ook hier eene uitvlucht had kunnen worden gezocht, meldt ons Joh. 19 : 7 en 18 : 31: „Wij hebben eene wet en naar onze wet moet Hij sterven, maar hot is ons niet geoorloofd iemand te dooden.” Met zulk een middel behielp zich echter de Heere niet; nederbukkende schreef Hij in de aarde. Dit is de eenige maal, dat van des Heeren schrijven mededeeling wordt gedaan. Of het een werkelijk schrijven van woorden geweest is, dan alleen eene beweging van den vinger in het stof om het nietswaardige der vraag te kennen te geven, en wat door Hem is geschreven werd, menigmaal gevraagd en met velerlei gissingen beantwoord. Oudere uitleggers wijzen op Jer. 17:13: „O Heere Israëls verwachting! allen, die u verlaten, zullen beschaamd worden, en die van Mij afwijken, zullen in de de aard geschreven worden, want zij verlaten den Heere, de Springader des levenden waters.” Er staat alleen dat en niet wat de Heere schreef, zoodat wij te denken hebben aan do gewoonte der Grieken, door Aristophanes in zijne Acharnes gemeld, dat men dit deed als men niets gewichtigs te doen had. Zoo meent ook Calvijn, die bij deze plaats zegt: „Christus wilde door niets te doen aanwijzen, dat zij niet waardig waren gehoord te worden. Evenals wanneer iemand bij het spreken van een ander met zijn. vinger lijnen op den muur haalt of den rug keert of op eenige andere wijze toont niet te letten op hetgeen gezegd wordt.”
De vijanden zien er waarschijnlijk een bewijs van verlegenheid in en te meer worden zij aangevuurd om Hem tot antwoorden te noodzaken door te blijven vragen. Nu sprak de Heere de zooveel beteekenende woorden: „Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar.” Hadden zij den Heere gestoord in het gewichtig onderwijs, zij hebben woorden uitgelokt welke de hooge wijsheid des Heeren openbaren en voor ieder, die ze leest of hoort van rijke toepassing zijn. Hoe menigmaal toch wordt een hard oordeel geveld over zouden, waarvan het eigen leven niet vrij is. Wie zelf in de zonden leeft heeft geen recht een ander te veroordeelen. Dit weten wij, ons hart is onrein en de zaden van allerlei boosheid liggen in ons, maar het is iets anders tegen die zoude te strijden dan aan die zonde overgegeven te zijn. De beschuldigers waren vernietigd. Zij werden van hun geweten overtuigd. Niemand kon den steen opnemen, waar die tegen beuzel ven wel opgenomen worden mocht; en de een na den ander verliet den tempel. Als een bliksemstraal uit den helderen hemel heeft hen verpletterd.
Zegevierend, maar zonder praal zat de Heere neder en schreef wederom in de aarde. Hij had Mozes met bevestigd, maar het was gebleken, dat de uitvoerders van het vonnis ontbraken, en in het openbaar maken daarvan straalde eene genade door zoo rijk en zoo zielovermeesterend dat de overspeelster aan die plaats en aan Hem gebonden was. Jezus alleen gelaten richtte Zich op en zag de vrouw in het midden staande. Met de stem der liefde sprak hij tot haar: „Vrouw! waar zijn deze uwe beschuldigers? heeft u niemand veroordeeld? (in een der handschriften staat; „heeft niemand u gesteenigd?”) De Heere„ wist het wel, maar wil haar tot spreken uitlokken en in haar antwoord: „Niemand Heere!” ligt hare belijdenis: „Ik ben het waard; ik heb het verdiend voor God en menschen om godood te worden.” De hartenkenner, die met recht als de Volmaakte de steenen had kunnen werpen, verklaart haar nu vrij en zegt: „zoo veroordeel Ik u ook niet; ga heen en zondig niet meer.”
„Twee zijn overgelaten,” zegt Augustinus „de lijder en medelijder” (miseria et misericordia) en hij voegt er bij: „Gij ziet, dat de Heere veroordeelt, maar Hij veroordeelt de zonde, niet den mensch. Stond Hij de zonde voor, Hij zou gezegd hebben: „zoo veroordeel Ik u ook niet; ga heen; leef zooals gij wilt,” maar de Heere zegt ook niet: „doe geen overspel meer,” maar „zondig niet meer.” Wie behouden wil worden, moet aller zonden vijand zijn.
Reeds een Cicero (in Verrem 3) schreef: „wilt gij een verleider of echtbreker beschuldigen, die zelf te berispen is van de zonde, welke gij in een ander berispt?” O, indien men eerst meer tot zichzelven inging, men zou meer de steenen laten liggen, waarmede men medezondaars en medereizigers werpt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1896

De Wekker | 4 Pagina's

Het Evangelie van Johannes (63)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1896

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken