Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geschiedenis van de Kerk des Heeren in Nederland, gedurende de laatste eeuw (V)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken

Geschiedenis van de Kerk des Heeren in Nederland, gedurende de laatste eeuw (V)

Hoofdstuk III Wat H.P. Scholte wedervoer

7 minuten leestijd

Zou ds. Scholte dan in ‘t geheel niet kunnen prediken op dien rustdag ? ‘t Scheen wel zoo, althans het godshuis, door menschenhanden gebouwd, was voor dien dag voor goed voor hem .gesloten. Maar evenals wij het weten, dat niet de plaats, vanwaar gesproken wordt, maar de woorden, die worden gezegd, een predikatie maken tot een ware verkondiging van het evangelie, evenzoo wisten het ds. Scholte en zijne tijdgenooten, Daarom zochten ze dan ook niet meer naar een gebouw, waar ze konden samenkomen, om des Heeren gemeenschap te zoeken, maar kwamen ze samen in het schoonste en meest grootsche gebouw, dat bestaat, in den tempel der natuur, waar alles Gods grootheid en wijsheid predikt, Evenals eenmaal de verdrukte gemeente des Heeren in de dagen der hervorming samenkwam in de velden en weilanden, evenzoo deed ook deze verdrukte gemeente. Op een weiland, behoorende aan de pastoraalgoederen van Ulrum, verzamelde ze zich, en schaarde ze zich rondom den eenvoudiger boerenwagon, waarop ds. Scholte stond, en waarop ds. de Cock met zijn echtgenoote mede een plaats hadden bekomen. Als in do dagen van Jan Arends weerklonk over de vrije velden van Nederland het hart ver heffend psalmgezang, als in die dagen van voorheen steeg de bede van een van ‘s Heeren dienaren tot boven lucht en wolken, als in dien ouden tijd hoorde men onder ademlooze stilte, vanaf dien geïmproviseerden kansel, de woorden van het nog ongeschokt vertrouwen in den God dos hemels, dio zich altijd had betoond de God van Neerlands volk. Ds. Scholte predikte over den vasten grond van toenadering tot den troon der genade, naar aanleiding van Hebr. 10 : 19—22: Dewijl wij dan, broeders! vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op eenen verschen en levenden weg, welken hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door zijn vleesch, en dewijl wij hebben een grooten Priester over het huis Gods, zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewasschen zijnde met rein water.
Na ‘t uitspreken dezer rede vertrok ds. Scholte nog dienzelfden avond met eenige vrienden naar Groningen en den volgenden dag reisde hij naar zijne betrekkingen.
Ziedaar wat te Ulrum geschied was. Voor ds. Scholte waren de gevolgen van veel verder strekking dan hij ooit had kunnen denken, immers hij ontving van het klassikaal bestuur van Heusden het volgende schrijven:
Het klassikaal bestuur van Heusden, ontvangen hebbende eene aanschrijving van Z,Ex. den Minister van Staat, belast met de Generale Directie van de zaken der Hervormde kerk, enz., van den 25 Oct, 1834 no. 4, met twee bijlagen, alsmede eene dergelijke Ministeriëele aanschrijving van den 27 Oct. 1.1, no. 2, met eene bijlage, uit welke stukken het onder anderen aan het klassikaal Bestuur gebleken is, dat UEerw. tot de ontstane ongeregeldheden op den 12en Oct. ll. te Ulrum, onder de klassis van Middelstum, Ring Leens, provincie Groningen, aanleiding hebt gegeven, door UEerw.’s dringend aanhouden, om in de gemeente Ulrum het H. dienstwerk op gem’elden dag te verrichten, ja, UEerw. niet ontzien hebt, om reeds daags te voren, zonder toestemming van den consulent, aldaar te prediken en te doopen, en zelfs op genoemden dag, na bekomen weigering van den consulent, om UEerw. het houden eener namiddagleerrede toe te staan, een godsdienstige aanspraak tot de menigte in de open lucht te houden, en UEerw. uzelven heeft schuldig gemaakt aan de dadelijke overtreding der kerkelijke wet, voorkomende in art. U van het reglement op de vacaturen en beroepingen;
Gezien art. 22, 51 en 58 van het reglement op de uitoefening van kerkelijk opzicht en tucht voor de Nederlandsche Hervormde kerk;
Overwegende, dat de misdaad, waarover de beschuldiging gaat, van een ergerlijken aard en tevens geruchtmakend is, en het klassikaal Bestuur aanvankelijk gewichtige redenen vindende voor de gegrondheid der aanklacht;
Schorst UEerw. provisioneel in uwe bediening als predikant der Hervormde gemeente van Doveren, Genderen en Gansoyen, zonder verlies van tractement, anders als het defroyement der dienstdoende predikanten.”
Er zal van dit besluit kennis gegeven Worden
aan 1e UEerw.,
2e
3e
4e
Aldus besloten in de vergadering van het klassikaal bestuur van Heusden, den 29 Oct. 1834.

Namens het klassikaal Bestuur voorn.:
T. van SPALL, Praes.
C. W. PAPE, Scriba.

We zouden haast zeggen, het klassikaal Bestuur van Heusden maakte het nog erger dan dat van Middelstum. Dit laatste kon in den schorsingsbul toch nog zetten: „nader gehoord den heer do Cock, enz.” Het epistel, waaruit Scholte de aanklacht vernam, diende tevens om hem met zijn schorsing bekend te maken. De Cock had woorden gebruikt als farizëen, wolven, dieven, moordenaars, enz-, die, als ze zonder grond gebruikt waren, in waarheid strafschuldig maakten (hoewel zij weten, dat hij geen enkele uitdrukking behoefde terug te nemen) en deze woorden waren in zijn schorsingsbul opgenomen; van ds. Scholte kon niets anders gezegd worden, dan dat hij getracht had in zijn ambtelijke bediening werkzaam te zijn. Zeker ook was aangegeven, dat hij medegewerkt bad tot de ontstane ongeregeldheden te Ulrum op 12 Oct. 1834, maar wij weten uit wat we hiervoor schreven te goed, dat dit slechts later was, en Scholte alles had gedaan, wat hij kon, om ongeregeldheden te voorkomen. In alles had hij zich te Ulrum gedragen, zooals een getrouw evangeliedienaar zich gedragen moet. En toch was hij geschorst. En dat, omdat hij de waarheid van Gods Woord alleen wilde doen zegevieren. Zoo waakte men in dien tijd in de Hervormde kerk voor de leer der vaderen!
Zooals van zelf spreekt, antwoordde ds. Scholte met zijn kerkeraad op bovengenoemd schrijven. Maar ze deden het niet door recht te zoeken in den kerkelijken weg. Geleerd door wat in Groningen was geschied, zocht men geen recht, waar het toch niet was te verkrijgen. De geheele gemeente van ds. Scholte antwoordde op bovengemeld schrijven met de volgende

Acte van Afscheiding.

Wij ondergeteekenden, lidmaten en inwoners der Gereformeerde Gemeente van Doveren, Genderen en Gansoyen, vernomen hebbende, dat het klassikaal Bestuur van Heusden onzen herder en leeraar geschorst heeft, omdat hij in de gemeente van Ulrum heeft gepredikt, gedoopt en een godsdienstige aanspraak tot de menigte in de open lucht gehouden;
Daar dit alle op Gods Woord gegronde, en door Gods Woord aan de herders en leeraars bevolen werkzaamheden zijn, zoo kan de gemeente in die daad van het klassikaal Bestuur niet anders zien als het stellen van menschelijke bepalingen boven Gods Woord, evenals dit geschiedde in den tijd van de reformatie door de paapsche kerkelijke overheden, in de dagen van Jezus en de Apostelen door de Parizeen en Schriftgeleerden, en in de dagen des Ouden Testaments door de tegenstanders van den waarachtigen godsdienst. En derhalve verklaren wij bij dezen, dat wij niet langer onder zulk een bestuur willen leven, en met hen, die er zich aan onderwerpen, in kerkelijke gemeenschap verkeeren, maar ons houdende aan Gods Woord, en de daarmee in alles overeenkomende formulieren van eenigheid, als gereformeerde gemeente ons van hen afscheiden, zullende ons in de openbare godsdienstoefeningen richten naar de aloude kerkelijke liturgie, en onze van Godswege beroepene opzieners en ouderlingen zullen zich in het openbaar kerkbestuur Voor het tegenwoordige houden aan de kerkenordening van de Synode van Dordrecht, gehouden in de jaren 1618 en 1619.

Doveren, Genderen en Gansoyen, den 1 Nov. 1834.

(Hier volgen de handteeheningen.)

Bijna de geheele gemeente teekende deze acte, alleen zes maiinelijke en twee vrouwe - lijke ledematen weigerden, dit te doen. Zonder overdrijving kan men dus zeggen: zoo goed a!s de geheele gemeente nam het voor haren leeraar op.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1897

De Wekker | 4 Pagina's

Geschiedenis van de Kerk des Heeren in Nederland, gedurende de laatste eeuw (V)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1897

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken