Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Evangelie van Johannes (109)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het Evangelie van Johannes (109)

8 minuten leestijd

Cap. 17 : 11b. Aan het kruis kon de Heere nog zijn eerste woord, waarmede hij voor de Romeinsche soldaten bad met; »Vader” beginnen. Als het offer volbracht was hooren wij den zelfden dierbaren naam van Zijne lippen, maar in de ure, als de groote afrekening plaats had, en Hij tegenover den rechtvaardigen Rechter als schulddrager stond, kon geen hooger naam uit Zijn mond dan »Mijn God!” Hier, waar de Heere voor Zijne jongeren pleit, is het tot aandrang Zijner bede, dat Hij wijst op die eenige gemeenschap, welke er is tusschen Vader en Zoon. Zou een Vader niet hooren ; zou die niet geven wat de innige zielsbegeerte is van Zijn eengeborenen? Christus voegt er bij »Heilige”, en het is de eenige maal in de Schrift, dat wij van Hem deze bijvoeging vernemen, evenals in alleen VS. 25 het bijgevoegde: »Rechtvaardige.” Niet zonder reden spreekt Hij dat uit. Niet alleen, dat dij bijvoeging der eigenschappen Gods het bewogen gemoed vertoont, maar meer nog, omdat die grootheid in God Hem ook nopen moet tot den gevraagden zegen. De Heilige wil heiligheid. De gegevenen aan den Zoon zijn door des Vaders besluit Zijne kinderen en kinderen behooren den Vader te gelijken. Zoo moeten dan ook Jezus discipelen heiligen en welbemind.m zijn. Zichzelven bewaren kunnen zij niet. Zij moeten in de kracht Gods bewaard worden tot de zaligheid. Gods genade moet hen sterken. Daarom bad de Meere ook voor Petrus, dat te midden der zware zifting zijn geloof met ophouden mocht. Zoo moesten ze allen, zoo moet ieder kind van God door des Vaders hand worden geleid en gesterkt en gezegend. Dat was de belofte aan het oude Israel gegeven (Ezech. 36 : 25, 27): »lk zal rein water op u sprengen en gij zult rein worden ; van al uwe onreinigheden en van al uwe drekgoden zal Ik u reinigen. Ik zal maken, dat gij in Mijne inzettingen zult wandelen en Mijne rechten zult bewaren en doen.”
De bewaring moet geschieden in des Vaders naam. De naam Gods is de openbaring van het wezen Gods, het naar buiten treden voor den mensch van het goddelijk wezen. Die naam was in Christus. Zoo spreekt de Heere tot Mozes van den Engel, die Israël geleiden zal (Exod, 23 : 21): »Mijn naam is in het binnenste van Hem.” De Zoon, één met den Vader, was in Zijne aardsche vernedering de openbaring van dat wezen Gods, gelijk Hij in dit zelfde gebed (vs. 6) had gesproken: »Ik heb Uwen Naam geopenbaard den menschen.” Den naam Jehovah, verbonds God, had de Hoogepriester Israels op de Zijnen gelegd. (Num. 6 : 27). Maar meer had Hij gedaan, de Zone Gods, dan een zoon van Aaron vermocht. Hij had de Zijnen dien naam ingeleid, zoodat die hun levensbeginsel, hun levensfeer geworden was. Daarin moesten zij niet weer worden ingeleid, want dat waren zij, maar daarin worden bewaard (en tooi onomati soe). Door die trouwe Gods, door die bede des Heeren voor de Zijnen alleen is het, dat er geen afval is. Het gebed des Zoons houdt het graveersel in de handen des Vaders onuitwischbaar, levendig zichtbaar, onvergetelijk. Vraagt ge voor wie die bede is, dan leest ge het antwoord in des Heeren eigen woord »die Gij mij gegeven hebt.” Een pleitgrond nam de Heere uit Gods deugd van heiligheid, uit de betrekking van denzelven tot den Vader ; een nieuwen pleitgrond neemt Hij uit de Zijnen, als gegevenen, niet door anderen, maar door den Vader zelven. De Menschenzoon heeft ze niet willekeurig uitgelezen. Dat deed de Vader in Zijn eeuwig besluit en alzoo rust ook op den Vader de verplichting te zorgen voor degenen, die Hij zelf verkoor. De Vader is de besluitende, de Zoon de verdienende, de Heiligen Geest de uitwerkende oorzaak der zaligheid. Niet het offer van Christus is de eerste en diepste grond des levens, maar de verkiezing, het eeuwig raadsbesluit Gods om uit het doemwaardig menschdom eene gemeente te vergaderen en te zaligen. De volvoering van dat besluit heeft de Zoon mogelijk gemaakt door aan het recht Gods te voldoen; die mogelijkheid maakt de Heilige Geest tot werkelijkheid. Voor Gods uitverkorenen bidt de Zoon, dat zij in den naam Gods mogen blijven en leven door de bewaring van boven.
Voor deze bidt de Heere om eenheid, niet voor een groot aantal belijders, die zich tot een kerkelijke gemeenschap hebben laten samenbrengen, maar voor dat volk, dat inwendig ervaren heeft de groote daad der wedergeboorte in het hart, en wie waarlijk God vreest getuigt met de artikelen des Christelijke geloofs: »Ik geloof ééne algemeene Christelijke Kerk (met vele kerken); ik geloof de gemeenschap der heiligen.« De Heere bidt niet om eene eenheid, bestaande in uitwendigen kerkvorm, in beljjden van begrippen en leerstellingen, vaak niet begrepen, veel minder doorleefd, maar om eene andere, een hoogere. Heeft Hij doorzien wat misbruik van Zijne bede de zucht om aardsche grootheid, om honderd duizenden voor zich te zien knielen, maken zou, dat Hij zoo treffend daarbij voegt »gelijk als wij” en nogmaals in vs. 22 tegelijk als wij één zijn” ? Tusschen den Vader in den hemel en de Menschenzoon, het Lam ter slachting bestemd, was eene andere eenheid dan eene kerkelijke samenkoppeling, was eene hemelsche, eene geestelijke eenheid. Zulk eene bidt de Heere voor de uitverkorenen, voor al het volk Gods op aarde.
Die eenheid wordt niet teweeggebracht door menschenwerk. Des Heeren bede wijst een anderen weg aan namelijk het zijn en het bewaard worden in Zijnen naam. In die openbaring Gods te ademen, te leven, op te wassen en te volharden is de onomstootelijke voorwaarde tot ware eenheid. Waar twee onderscheidene geloofsovertuigingen in één lichaam beide recht van bestaan hebben ontvangen, beide evenzeer worden gewettigd is de eenheid reed» op het punt van uitwendige belijdenis opgeleverd en is het uithangbord «eenheid* een leugenbord, en eene kerk, waarvan de eerste grondsteen leugen is, kan niet anders dan minstens de eerst a beginselen reeds van valsche kerk vertoonen en zichtbaar laten worden lu het trekken voor den rechterstoel, in het zoeken wegrooven van aardsch goed, in het vervolgen dergenen, die godzalig naar Gods Woord willen belijden en leven. De eenheid te Babel gezocht, om zichzelven een naam te maken en bij elkander te wonen dient slechts om de tweedracht grooter te maken. »Die dieper ziet,” zegt Hengstenberg: »gaat met hen niet mede«, terwijl hij de woorden van Luther hier bij voegt: »Het is niet anders, dan wat Paulus 1 Kor. 12 : 12 en op meer andere plaatsen zegt, dat wij Christenen allen één lichaam zijn, niet alleen, dat wij dezelfde of gelijke belijdenis hebben, maai veel meer, dat wij één in wezen zijn. Daartoe kan men op geene andere wijze komen, dan daardoor, dat God ons in Zijnen naam bewaart, dat is indien wij blijven in het woord, dat wij van Christus ontvangen hebben. Want het woord houdt ons te samen, zóó, dat wij allen onder één hoofd blijven en Hem alleen aanhangen. Daarentegen is des duivels bedoeling, dat hij dien band verscheure en door zijne listen en lagen ons afrukke van het woord.«
Aan wie hebben wij ons dan aan te sluiten als het leven Gods bij ons is? Zoo vraagt wie nevens de inwendige eenheid ook de uitwendige zoekt en terecht meent, dat die inwendige ook tot openbaring moet komen. Niet daar, waar tweeërlei richting kerkelijk is gesanctioneerd, niet daar, waar zelfs de naam »kerken» de verdeeldheid aanwijst, niet daar, waar men inplaats van Gods woord zich op decreten en menschelijke geschriften beroept, maar daar waar Gods Woord recht gepredikt wordt en de sacramenten bediend worden naar de instelling van Christus, waar geen doop voor wettig wordt verklaard, welke niet met de eigen woorden, door den Heere gegeven, is bediend, maar daar waar de kudde legert (Hoogl. 1 : 7). Waaraan onderkent men die? Aan het getrouw volgen van den Herder. Aan het door Christus gestelde kenteeken; »hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt ouder elkander” (Joh. 13 : .35) Waar die liefde is is God; daar gebiedt Hij Zijnen zegen. Die liefde werkt geen gedeelde eenheid maar eene waarachtige. Die bad de Heere Jezus van Zijnen Vader; die wordt ook door Zijn gebed en door den invloed van den geest der gebeden, dien Hij in de Zijnen uitstort, door de smeekingen van Zijn volk verkregen.
Geene uitwendige vereeniging om eene inwendige te verkrijgen, maar eene inwendige opdat die zich naar buiten vertoone; geene samensmelting van partijen maar in één smelten der harten. Zonder dat kunnen wij niet wonen in één huis.
Broeders! laat ons niet liefhebben met den woorde noch met de tong, maar met de daad en waarheid (1 Joh. 3 : 18).

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1897

De Wekker | 4 Pagina's

Het Evangelie van Johannes (109)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1897

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken