Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het kruis verdragen en schande veracht (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het kruis verdragen en schande veracht (I)

11 minuten leestijd

»Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus, dewelke voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht Hebr. 12 : 2a

Hoe bemoedigend eu opwekkend is vooral dit laatste gedeelte van den brief aan de Hebreën voor hen, die, zwaar beproefd, lijdzaamheid van noode hebben, om ten einde toe te volharden in du goede belijdenis en alzoo te loopen de loopbaan, hun voorgesteld.
Welke treffende voorbeelden heeft de apostel daartoe in het vorige hoofdstuk onder die wolk der getuigen genoemd. Nog krachtiger wordt zijne drangrede, en nog veel meer dan in de voorafgaande voorbeelden genoemd is het, waar hij kier ten laatste op wijst, n.l. op Jezus,
Van niet één dier voorbeelden, in hoofdstuk elf genoemd, kan gezegd worden, wat van Jezus wordt getuigd, dat Hij de overste Leidsman en Voleinder des geloofs is. Jezus alleen is de overste Leidsman en, gelijk dit elders vertaald wordt, de Vorst des levens. Hij is de overste Leidsman hunner zaligheid (Hoofdst. 2 : 10).
Hij is de verdienende oorzaak van alle zaligheid, — de hoofdinhoud van het evangelie. En gelijk in Hem het begin is, alzoo is ook in Hem het einde. Hij is de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, hun aanvoerder niet alleen, maar ook hunne overwinning.
Op Hem, die derhalve als de overste Leidsman is voorgegaan, op Hem ziende, die als de Voleinder, als de groote Overwinnaar zich heeft geopenbaard, is het vast en zeker: indien we met Hem lijden, wij zullen ook met Hem verheerlijkt worden. Daarom is het zien op Jezus als zoodanig het aller voornaamste, het allernoodzakelijkste voor ieder, die in de christelijke loopbaan loopt. En op de vraag, waarom, volgt hier aanstonds het antwoord in de woorden, waarin de apostel van Jezus getuigt, dat Hij »voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis verdragen en schande veracht heeft.” Men heeft gevraagd: hoe moeten we dit verstaan ? Moet volgens den grondtekst hier worden gelezen: »hij heeft in plaats van de vreugde, die hem voorgesteld was,” — of: »hij heeft uit hoofde van de vreugde, hem voorgesteld” het kruis verdragen en schande veracht? Met het eerste wil men dan beweren, dat Jezus, heilig als Adam vóór den val, recht had op deze aarde met al haar genietingen, maar dat hij uit liefde tot verloren zondaren van dat alles afstand heeft gedaan, om in plaats daarvan aan het vreeselijkste lijden en den ontzettende kruisdood ten behoeve van zondaren Zich te onderwerpt.
Volgens de andere opvatting, welke ons meer juist voorkomt, zijn aan Christus als Middelaar beloften gedaan van vreugde en heerlijkheid; en om die te erlangen heeft Hij Zichzelven overgegeven tot in den dood, ja tot in den dood des kruises. Tot die beloften kan onder meer worden gebracht, dat Bij de heidenen zou hebben tot Zijn erfdeel en de einden der aarde tot Zijne bezitting. Het groot verschil dier beide opvattingen komt zakelijk hierop neer, dat volgens de eerstgenoemd’, Paulus het oog heeft op eene vreugde, die Jezus had kunnen genieten zonder lijden en sterven, terwijl volgens de andere de apostel bedoelt eene vreugde, die Hij niet kon genieten, tenzij Hij leed en stierf. Vooral het verband met het voorgaande pleit voor do laatstgenoemde verklaring.
Die gedachte: som de vreugde, Hem voorgesteld” geeft ons dan verder ook zooveel te denken. Met nadruk lezen we hier niet den ambtsnaam van den Verlosser, niet den persoonsnaam. En die persoonsnaam wordt ons verklaard in Matth. 1 : 21: »Gij zult Zijnen naam heeten Jezus, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hunne zonden.” Dat zaligmaken en verlossen was de wil des Vaders. Die wil des Vaders was ook de wil des Zoons. In de menschelijke natuur op aarde om-wandelende, zegt en bewijst de Heere, dat Hij gekomen is om den wil en het welbehagen des Vaders te volbrengen. Dat is Zijne vreugde, dat is Zijn doel en oogmerk. Hij zoekt Zijn eigen eer niet, maar de eer des Vaders.
Het werk, dat de Vader Hem heeft te doen gegeven, heeft Hg vrijwillig aanvaard. Hij volbrengt en voleindt het, zich verheugende in het welbehagen des Vaders.
Daarmede stond echter in het nauwste verband, en daaraan was onafscheidelijk verbonden het doel van Christus’ mensch-wording.
De Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente.
Niet één kind van Adam zal of kan zalig worden buiten en zonder Christus. Alleen Zijn bloed reinigt van alle zonde.
In Hem zijn ze alle uitverkoren. Alleen hun, die Hem hebben aangenomen, is macht gegeven om kinderen Gods genaamd te worden.
Eenmaal stelt Jezus al de door den Vader Hem gegevene en door Hemzelf verlokten, als de door Zijn Geest en Woord toegebrachte zielen, den Vader voor als Zijne gemeente, als Zijne bruid, zonder vlek en zonder rimpel. Dat zal dan het Hem beloofde "arbeidsloon" zijn. Dat zal de glorie en de heerlijkheid van Zijn Midde-laarskroon zijn. Dat zal den hemel doen weergalmen van lot en aanbidding, als uit aller mond zal worden gehoord: »Niet ons, o Heere! niet om, maar U alleen zij eeuwig lof en eer, want Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.”
Om die zaligheid te verwerven heeft Jezus het kruis verdragen.
In de kruisiging van Christus bereikt de vernedering, het lijden, de smaad en de schande van den Zaligmaker haar toppunt. Daarin wordt eerst recht zichtbaar, wat de wereld, in joden en heidenen vertegenwoordigd voor Hem over heeft. Iemand heeft ergens zoo naar waarheid getuigd, dat Christus sterft, »het hoofd beladen met het anathema der wereld.”
Hij heelt het kruis en de schande, daaraan verbonden, niet ontweken, maar verdragen en veracht. Geduldig en onderworpen tot het laatste oogenblik Zijns lijdens, bewijst de Heere in en onder de hevigste smarten, dat Hg Zijn aangevangen Middelaars werk voleindigen zal. Hoe ook gesard, geplaagd, bespot en aan alle ver achting overgegeven, Jezus weet, waarom, waartoe en voor wie Hij lijdt.
Zijn eerste bede aan het kruis: »Vader ! vergeef het hun, want zij weten niet, wat zy doen,” bewijst, welk een onbegrijpelijke, ondoorgrondelijke en onuitsprekelijke liefde Zijn hart vervulde, zelfs onder het meest grievend leed, Hem aangedaan.
Het kruis verdragen! Wie kan de gedachte doorgronden, daarin en daarmede uitgesproken? Christus, de Heere der heerlijkheid, gekruist.
Meer dan Mozes en Elia, meer dan Salomo en alle de profeten wordt in Hem aanschouwd! Jezus, de Koning der Joden, tusschen twee moordenaren op Golgotha aan het vloekhout genageld!
Hij heeft het kruis verdragen niet alleen, maar ook gedragen.
Overeenkomstig de gewoonte bij de uitvoering en toepassing van deze aller-vreeselijkste straf, heeft ook Jezus Zijn kruis gedragen.
Eerst op weg zijnde naar Golgotha, werd een Simon van Cyrene gedwongen om het kruis achter Jezus te dragen. Hoogstwaarschijnlijk droeg Simon toen nog maar gedeeltelijk dat kruis.
Zooveel was er aan de kruisiging reeds voorafgegaan. Op al dat voorafgaande lijden volgde het uitgeleid worden uit Jeruzalem met Zijn kruis naar de strafplaats. Welk een lijden! Welk een gezelschap en omgeving! Wie heeft eene smart als Zijne smart?
Is dat dan het loon voor zooveel gunstbewijzen, aan allerlei ellendigen bewezen? Is dat dan de vrucht van Zijne zoo dierbare prediking en van Zijn heilrijk onderwijs? Is dat het antwoord, dat geleerde en beschaafde menschen geven op de vraag, wat Jezus heeft verdiend?
En toch verdraagt de Man van smarten dat alles. Als een lam wordt Hij ter slachting geleid. Steeds staat Hem voor oogen het heerlijk einde, dat Hij al strijdende en lijdende bereiken zal. Hij zal wel sterven, maar ook opstaan uit den dood. Menschen mogen Hem uitwerpen en dooden; de wereld mag Hem haten en verachten, alle stemmen mogen in ééne stem samensmelten en roepen: »Weg met dezen van de aarde,” maar om de vreugde, Hem voorgesteld, verdraagt Hij het kruis en veracht Hij de schande.
Ziende op Jezus, in het licht, hier ontstoken, ontbreekt het zeker bij dat gezicht niet aan oorzaak tot schaamte, noch aan rijke stof tot onderwijzing en ook niet aan veelvoudige opwekking en bemoediging voor hen, die in de christelijke loopbaan loopen,
Oorzaak tot schaamt e allereerst. Wat zijn er immers veel klagende en murmureerende christenen! Wat al menschen, die discipelen en discipelinnen van den Heere Jezus wenschen te zijn, maar die, helaas! wel de kroon, maar niet het kruis van Christus begeeren.
En leerdet ge al iets door genade van dat kruisdragen achter Hem, waartoe de Heere Zijne volgelingen roept, hoe moeilijk, zoo maar niet onmogelijk, blijkt het dan velen, om dit te doen, naar des Heeren Woord, met verloochening van zichzelven.
Zelfs de beste en de uitnemendste zal in dezen nog reden te over hebben, om bij de vraag: »dat deed Ik voor u, en wat doet gij voor Mij?” van schaamte te blozen. Gelukkig, er is meer dan dit.
Hier is ook rijke stof tot onderwijzing.
Waarom wekt de apostel hier de christenen uit de Hebreen op om op Jezus te zien? Is het niet om daarmee te zeggen : Troostrijk is het, met een wolk van getuigen u omringd te zien. Troostrijk is het, zich bewust te zijn, dat men in een groot en heerlijk gezelschap zich bevindt van menschen, die alle den naam van overwinnaars dragen, maar oneindig veel meer is het, op Eénen te kunnen en te mogen zien, door wien alleen de overwinning moge-lijk is.
De mensch, ook de christen, is zoo geneigd, op zichzelven te zien.
En als ge dan zwaar beproefd en tot voortdurend lijden geroepen wordt, dan zou zoo licht de gedachte aan eigen zwakheid en het gezicht op der vijanden macht u kunnen ootmoedigen.
Maar ziende op Jezus, dan weet ge, dat de kroon niet aan” het begin, maar aan het eind van den weg u wacht. Dan weet ge, dat niet anders dan door lijden de weg tot heerlijkheid gaat. Christus moest de zaligheid verdienen. Zijne geloovigen worden er deelgenooten van uit vrije genade, maar nooit anders dan in, langs en door den door God aangewezen weg. En omdat Christus, de Heere, voor al de Zijnen de zaligheid heeft verworven en die zaligheid in Hem volkomen is gewaarborgd,. ko;nt het er voor ieder geloovige maar op aan, dat men achter Christus komt.
Wie niet achter Christus komt, kan niet op Hem zien, en juist dat zien op Hem biedt u veelvoudigen troost.
Zooveel en zoo groote genade is bij den voortgang noodig om alle zaligheid buiten zichzelven alleen in Christus te zoeken.
‘t Is een der voornaamste oorzaken van veler treurigen toestand, dat men te veel op zichzelven, te veel op het schepsel en te weinig op Jezus ziet. Zoodra de beproeving ernstig en het gevaar, waarin ge u bevindt, steeds grooter wordt, zal alleen het geloovig zien op Jezus u moed doen houden. De tegenwoordigheid van den koning in den strijd zegt meer dan de tegenwoordigheid van alle officieren.
Moest gij den vijand overwinnen, de schuld als uw schuld allossen en de eeuwige zaligheid verwerven, ‘t was voor eeuwig met u verloren. Maar neen, ‘s vijands macht is verbroken, uw schuld is betaald, want Jezus heeft het leven en de onverderfelijkheid aan ‘t licht gebracht. Hij heeft aan ‘t kruis uitgeroepen: »Het is volbracht !”
Als gij maar door een oprecht geloof met Hem vereenigd en aan Hem verbonden zijt. En op de vraag: hoe weet ik dit, en waaruit moet dit blijken? antwoorden we met een wedervraag: Loopt ge in de ons voorgestelde loopbaan ? Wandelt ge op den weg, dien de Heere in Zijn Woord als den eenigen weg ten leven ons aanwijst? Schuwt ge en veracht ge het kruis van Christus, of leerdet ge verstaan en betrachten, wat een Paulus in zijn brief aan de Galaten getuigt, dat het kruis van Christus zijn eenige roem was! Velen wandelen anders en toonen daarmede, dat zij vijanden des kruises Christi zijn.
Voor het ongeloof is er in Christus, den Gekruiste, geen heerlijkheid, maar de oprechten hebben Hem lief. Lief hebben zij Hem als den Voleinder des geloofs en als den Oversten Leidsman hunner zaligheid.
En ziende op Hem, waar Hij het kruis verdraagt en schande veracht, zegt Gods kind: Aan Hem dank ik mijn eeuwige verlossing. En wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.

(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1899

De Wekker | 4 Pagina's

Het kruis verdragen en schande veracht (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1899

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken