Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hoogmoed (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoogmoed (I)

5 minuten leestijd

De Kaïnsgeest vraagt: „beu ik mijns broeders hoeder?”, de geest de Heeren doet met den psalm betuigen voor vriend en vijand: »ik zal het goede voor u zoeken”. Alsdan is te getuigen tegen de zonde, welke zich in duizenderlei vormen vertoont en welke in elk menschelijk hart zetelt. „De zonden zullen er zijn, zoolang er menschen zullen zijn” zegt Tacitus, maar een ander wijsgeer (Seneca) zegt: »het begin der redding is de kennis der zonde. Die niet weet, dat hij zondaar is, wil niet veranderd worden. Daarom moet men van zijne zonden worden overtuigd, voordat men tot verbetering komt”. Wij mogen elkander dan wel herhaaldelijk wijzen op hetgeen verkeerd is, want zooals diezelfde Seneca zegt :»de zonden kruipen bij ons binnen onder den naam van deugden” en »aan onze zonden geven wij den naam van deugd”.
Is het water, dat uit de bron komt onrein, dan baat het weinig steeds het uitgevloeide te reinigen, de bron zelve moet worden gezuiverd. Voor den mensch is het dus behoefte niet, dat hij slechts het eene na het andere bestrijdt, maar dat hij erkenne de boosheid van zijn hart, van waar allerlei booze gedachten en zondige lusten uitgaan. Nu is de moeder aller zonden, welke het baren niet moede wordt en hoe ook verouderd met geene onvruchtbaarheid geslagen wordt, de hoogmoed. Daarom moet die het hart uit. Met zwaarden en stokken tegen de duisternis te slaan baat niet, het licht alleen kan haar verdrijven. Gods Geest is dot licht, dat moet redden en die Geest des Heeren maakt den mensch nietig in eigen oog, minder dan een stofje, minder dan ijdelheid. Ware genade maakt altijd klein, ingebeelde daarentegen groot. Hoogmoed moet in ons allen zijnen zetel afstaan aan ootmoed, want met eene waarschuwing, »God kent uwe harten”, heeft de Heere Jezus verklaard: »dat hoog is onder de menschen is een gruwel voor God” (Luk. 16 : 15).
Zelfs voor menschen is verachtelijk, die zich op ontvangene of ingebeelde gaven, op stand of bezitting of daden boven anderen verheft, en toch in wiens oogeu de hoogmoedige verachtelijk is, heelt zelfs reeds daarin het bewijs van hoogmoed in zijn eigen hart. De hoogmoed in ’t binnenste openbaart zich in hoovaardij, waarvan Bernhard zoo juist zegt: „Zij is een gruwelijk kwaad, een heimelijk vergif, eene verborgene krankheid, eene aartskunstenares van bedrog, eene moeder van huichelarij, een vader van afgunst, een rijke bron van laster, een brandstof der zonden, een roest van alle deugd, eene mot van heiligheid, eene verblindster der harten, welke van geneesmiddelen ziekten maakt en van versterking des harten machteloosheid”.
Maakt ootmoed den mensch den engelen gelijkvormig, hoogmoed maakt van engelen duivels.
Die zonde huist in ieder hart bij Jood en Mohammedaan, bij heiden en Christen. Geen wonder want wij zijn kinderen van Adam, die zijn oor leende aan de stem des duivels: »gij zult als God wezen”. De man naar Gods harte moest nog vragen, daar hij zich schuldig kende aan die zonde (Ps. 19 : 14): „houd uwen knecht terug van trotschheden, laat ze niet over mij heerschen, dan zal ik oprecht zijn en rein van groote overtreding”. De Apostel, die uitnemerder arbeidde dan andere en de groote genade ontving tot in den derden hemel te worden opgetrokken, moest door een Satans engel worden geslagen en een doorn in het vleesch omdragen, opdat hij zich niet door de uitnemendheid der openbaringen zou verheffen (2 Kor. 12 : 7). Maar toch is het een groot onderscheid of aan dien ouden mensch voedsel wordt gegeven of dat hij wordt gekruisigd, of de kennis der waarheid dienstbaar wordt gesteld voor het vleesch of dat de genade Gods heerscht en de werkingen des vleesches in ons doodt.
Van een heidensch koning bediende Zich de Heere om Abram wegens zijne zonden te bestraffen, een heidensch wijsgeer moge ons ten voorbeeld zijn. Socrates was door de godspraak verklaard de wijste der menschen te zijn. In zijne Apologie zegt hij, dat, toen hij dat vernomen had, hij in verlegenheid was, want hij was zich niet bewust wijs te zijn en het was toch niet mogelijk dat de godspraak leugen zijn zou. Als hij lang in onzekerheid was geweest ging hij navorschen en begaf zich tot hen, die geacht werden Wijze mannen te zijn. Hij zocht staatsmannen op en als hij met hen sprak, werd hij gewaar, dat zij wel meendten wijs te zijn maar het niet waren. Zou ging het hem bij dichters en anderen. Ten laatste bezocht hij handwerkslieden, wel overtuigd, dut deze bekwaam waren in kunsten, waarin hij geheel een vreemdeling was. Zoo bevond hij het ook, maar tevens dat die mannen, omdat zij eene kunst verstonden, in den waan verkeerden ook in alle overige en zeer gewichtige aangelegenheden wijs te zijn. Toen hij overlegde gevoelde hij, dat hij ook in hunne plaats niet wenschte te zijn. Zoo wilde dan de godspraak, aldus verklaart hij, »dit zeggen, dat de menschelijke wijsheid weinig of niets waard is en zij bedoelt daarmede niet zoozeer Socrates in zijn persoon, maar bediende zich alleen van mijnen naam en nam mij tot een voorbeeld, om te zeggen: »Diegene onder u, gij menschen, is de wijste, die als Socrates heeft erkend, dat hij in waarheid, wat de wijsheid betreft, niets waard is”.
Veel meer zij het oor geleend aan Hem, die gezegd heeft: meer dan Salomo is hier. Hij behoefde het geen roof te achten Gode evengelijk te zijn en Hij heeft Zich vernederd tot in den dood des kruizes. Hij noemde Zich Gods Zoon en verklaarde niet gekomen te zijn om gediend te worden maar om te dienen. Hij was van den Vader gezalfd van eeuwigheid en Hij roept ons toe: »leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1901

De Wekker | 4 Pagina's

Hoogmoed (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1901

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken