Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gestorven zijn en leven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gestorven zijn en leven

11 minuten leestijd

»Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” Col. 3: 3.

Op den klank der woorden afgaande, zou men bij het lezen dezer woorden allicht vermoeden dat de apostel geheel iets anders bedoelde als hij volgens verband en samenhang dezer woorden werkelijk op het oog heeft. Gestorven zijn en leven, zoo spreken we immers over hen die in Christus zijn ontslapen, en van wie de Heilige Geest getuigt: »Zalig zijn de dooden die in den Heere sterven, van nu aan.” Maar Paulus spreekt niet over menschen die op aarde geleefd hebben en nu niet meer op aarde zijn. Neen, het is de gemeente te Colosse, aan welke hij onder de leiding des Heiligen Geestes schrijft. Het zijn menschen welke hij in het begin van zijn brief noemt” »heilige en geloovige broederen in Christus.” Menschen die met Christus gestorven en opgewekt zijn, en nu uit kracht van de betrekking waarin zij tot Christus staan, van ’s Heeren wege worden opgewekt om te zoeken en te bedenken de dingen die boven, niet die op de aarde zijn. Geen krachtiger drangrede kan daartoe worden aangewend dan de apostel hier gebruikt met te zeggen: »Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.”
Gestorven zijn en leven, gedacht in één en denzelfden mensch — hoe kan dat zijn? Dit is onverstaanbaar en onverklaarbaar voor den natuurlijken mensch. Dat is iets wat de wereld niet verstaat. ’t Is dan ook geen wonder dat zoo velen verachten en verwerpen wat zij niet kennen. De goddelijke openbaring roept ons echter niet tot begrijpen, maar tot gelooven. Wie alleen wil gelooven wat men kan begrijpen, moet eenvoudig den Bijbel maar op zij leggen. De eerste vraag welke ons in de H. Schrift wordt beantwoord, is deze: waar de wereld, waar ’t heelal vandaan komt? In den beginne schiep God hemel en aarde. Voor die eerste Godsopenbaring staan we al aanstonds voor een feit dat wel te gelooven, maar niet te begrijpen is. Zoo lezen we van bladzijde tot bladzijde in geheel het Woord des Heeren de wonderen Gods, de openbaring, met andere woorden, van Gods grootheid en macht. En op de vraag: wat is dit, en hoe hebben we dit te verstaan, dat van één en denzelfden mensch kan gezegd worden dat hij gestorven is en leeft? zeggen we allereerst: dat is de openbaring van het werk Gods, dat voor geen nabootsing vatbaar is, dat het natuurlijk verstand niet kan verklaren, maar dat zijn oplossing vindt in het Woord Gods, waarin ons het werk Gods omschreven en verklaard wordt.
»Gij zijt gestorven.” Dit doet ons denken aan de bijzondere gemeenschap welke daar is tusschen de geloovigen en Christus. Op aanschouwelijke wijze werd dit in den doop door onderdompeling voorgesteld. Die onderdompeling in het water heet elders het begraven zijn met Christus. Het opkomen van den doopeling uit het water stelt voor het nieuwe leven van de uit God geborenen. Gestorven zijn alle menschen, aangemerkt in Adam hun verbondshoofd, den geestelijken dood. Van allen die uit God geboren zijn en in Christus nieuwe schepselen zijn geworden, heet het: »U heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden.” Christus is voor de zonde gestorven. In Adam hebben allen gezondigd. In Christus zijn al Gods uitverkorenen gestorven, in dien zin namelijk, dat zij door het geloof deel krijgen aan de vrucht van Christus’ lijden en sterven. Onder andere bewoordingen drukt Paulus dit uit in zijn schrijven aan de Galaten, met te zeggen: »Ik ben met Christus gekruist,” gekruist aan de wereld en al haar begeerlijkheden. Maar die met Christus is gekruist, die leeft ook met Christus. En dat leven met Christus, ook een leven in Christus genaamd, heeft de apostel op het oog met het zeggen: »Gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” Dat is dus niet het natuurlijke leven uit Adam, maar het geestelijke, het in God verborgen leven. De oorsprong, de natuur, de openbaring van dit leven is verborgen, gelijk Christus zelf verborgen en voor het natuurlijk gezichtsvermogen onzichtbaar is. Maar Christus blijft niet verborgen. Hij zal als de nu nog onzichtbare, als van uit het onzichtbare en het duistere te voorschijn treden. Op den Olijfberg staarden de elve Hem na, toen Hij voor hunne oogen opvoer ten hemel. Daar werden zij nog eenmaal vertroost door hetgeen zij uit engelenmond vernamen: „Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo wederkomen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.”
Is der geloovigen leven met Christus verborgen in God, dan is daarmeê in de eerste plaats gezegd, dat dit leven bestaat. Het is niet slechts een bespiegeling, een fantasie of inbeelding, als men van een zoodanig leven spreekt, neen het bestaat in waarheid en werkelijkheid, maar het bestaat als iets dat onzichtbaar is. Niet zóó, alsof dat leven geen eigenschappen en vruchten heeft waaraan het kenbaar is; dit is iets anders. Iemand kan in ’s konings dienst zijn, maar voor korter of langer uitwendig sieraad missen, waaraan men zoo iemand al uit de verte kan onderscheiden. De heerlijkheid van het in God verborgen leven der geloovigen is alleen kenbaar voor ’t geloof. Zagen en kenden ook alle anderende heerlijkheid en den rijkdom aan dit leven verbonden, men zou zeer zeker vóór en boven alle andere dingen dit leven begeeren. Nu kent niemand dit leven, dan wie het uit genade bezit. Deze weten dat de oorsprong van dat leven alleen in Christus is. Gelijk de rank leeft uit den wijnstok, alzoo leeft de geloovige uit Christus. Uit den aard van dit met Christus in God verborgen leven vloeien voort een reeks van tegenstellingen, welke voor het natuurlijk verstand niets anders als ongerijmdheden schijnen te zijn. Gestorven zijn en toch leven, arm zijn en toch rijk, ellendig ra nooddruftig zijn in zichzelven en toch tegelijk welgelukzalig — zoo kenmerkt, zoo openbaart zich het in God verborgen leven, dat zijn vreugde heeft in God, en dat eens met de wederkomst van Christus zich in volle heerlijkheid zal openbaren.
Dat zulk een leven met den dood niet te vereenigen is, maar daarvan grootelijks onderscheiden is en blijft, is duidelijk. Die gedachte vervult kennelijk het hart van Paalus bij het opwekken van de geloovigen om te bedenken de dingen die boven zijn. Paulus kende geen leven zonder vrucht. Elke boom wordt aan zijn vrucht gekend. Wie zegt met Christus in God zijn leven te hebben, en zijn genot zoekt in de wereld en in de dingen die op de aarde zijn, is in strijd met de waarheid door Gods Woord geleerd. Men leest geen vijgen van doornen. Niemand bedriege zichzelven. Al Gods heiligen hebben dit bevestigd. Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch, en die bedenkt de dingen die des vleesches zijn. Wie daarentegen uit God geboren is, die bedenkt de dingen die des Geestes zijn. De aard en de natuur van het in God verborgen leven openbaart zich in de vreeze des Heeren. Dan vreest ge de zonde omdat ge de zonde als uw vijand kent. Dan vraagt ge naar den geopenbaarden wil van God en dan tracht ge in gehoorzaamheid aan God te leven. Dan volgt ge niet uw wil, maar den wil des Heeren. Dan gaat ge niet uw weg, maar ge vraagt welke de goede, de welbeproefde en geopenbaarde weg is, waarin de Heere wil dat ge zult wandelen. Hoeveel zwakheid en gebrek gij dan ook nog in uzelven ontdekt, dan zult ge desniettegenstaande er naar staan en ijveren om, was het mogelijk, in volmaaktheid voor God te leven. Dan verlangt ge niet slechts hier namaals in het huis des Vaders opgenomen, de eeuwige zaligheid te genieten, maar ook alree in dit leven zult ge dan metterdaad bewijzen, dat het leven in de gemeenschap met God u meer waard is dan al het zingenot en dan al de ijdelheden dezer wereld.
Dwaas is het, te willen beweren, gelijk sommigen, dat het leven zoo verborgen kan zijn, dat het zonder openbaring blijven kan. Achter die bewering schuilt een vreeselijk kwaad. Zij moet alleen dienst doen om de zonde te bedekken. Zij is een scherm waarachter de antinomiaan zich tracht te verbergen. Het nieuwe, het geestelijke leven is wel een, verborgen leven, maar niet zoo, dat het volstrekt zonder openbaring is. Immers dan zou zulk leven geen leven zijn. De wijze waarop het zich openbaart, kan onderscheiden zijn — wie zou dit tegenspreken? Het kind is niet aanstonds een man en een man is nog niet direct een grijsaard. Nergens is grooter verscheidenheid in dan juist in het leven. We zien dit tot zelfs in het planten-en in het dierenrijk. Al het werk Gods kenmerkt zich hierdoor zoo in het rijk der schepping als in dat der genade. Had het leven, in welken vorm ook gedacht, geen juiste en vaste eigenschappen, dan was het niet te onderscheiden van den dood. Boom en heester mogen in den winter ontbladerd, den schijn geven dood te zijn, maar voor den deskundige is het spoedig uitgemaakt of de boom dood of levend is. Het geestelijke leven kan kwijnen, het kan korter of langer zijn als met de boomen in den winter, maar zoo blijft het niet. Op den wintertijd volgt lente en zomertijd. De genade komt op des Heeren tijd te voorschijn met haar glans en heerlijkheid. Het ééne zaad ligt langer in de aarde alvorens het ontkiemt en uitspruit dan het andere. Twee planten en gewassen van dezelfde soort kunnen er geheel verschillend uitzien. De ééne kan een ziekelijke een kwijnende gedaante hebben, terwijl de andere groeit en bloeit en in weelderigen bladerdos prijkt. Die plant moet goede aarde hebben, moet niet te veel, maar ook niet te weinig vocht hebben. ’t Is ook lang niet hetzelfde welke standplaats zij heeft. Zoo zijn er oorzaken voor, als het geestelijke leven kwijnt. Die oorzaken zijn met het licht der waarheid te ontdekken.
De diepste oorzaak daarvan ligt altijd in den mensch. De zonde maakt een scheiding tusschen den mensch en zijn God. Mag er groei en bloei zijn in het geestelijk leven, een opwassen en toenemen in genade en kennis, dan komt den Heere daarvoor alleen de eer en aanbidding toe. Toch moet niet uit het oog worden verloren, dat de Heere in Zijn weg en naar Zijn Woord wil zegenen met Zijn heil. Wie op andere wijs en langs een anderen weg zijn heil zoekt, zal altijd worden teleurgesteld. Anders zou des Heeren Woord geen waarheid zijn.
Al wat leven is, kenmerkt zich door behoefte en afhankelijkheid. Gelijk het natuurlijk leven, zoo is en blijft ook het geestelijke leven behoefte openbarend. Dat leven kan niet bestaan zonder God, het kan niet leven buiten Christus. Daarom is de grond hier aangewezen voor de daaraan voorafgaande opwekking om te bedenken de dingen die boven zijn, zoo ernstig, zoo waar, zoo juist. Het is alsof de apostel zeggen wilde: Als ge nu van zulk een hoogen staat en geboorte zijt, dat gij uw leven hebt in en met Christus, laat dit dan blijken, niet slechts door zulks met den mond te belijden, maar bovenal dat geheel uw levenspraktijk daarop aangelegd zij. Het behoeft dan ook geen opzettelijke aanwijzing meer, dat eerst dan het leven van den geloovige God verheerlijkend kan zijn. Dan zal er kracht en invloed van u uitgaan. Dan zullen anderen niet behoeven te vragen: wie is die man of die vrouw? Dan zal de godzaligheid en de vreeze Gods u teekenen. Verlies dan halve vrienden, houd dan desnoods een klein gezelschap over dat met u den smallen weg betreedt. Wees een voorwerp van verachting in ’t oog der wereld, maar geen nood: uw leven met Christus verborgen in God zal verkwikt worden met en door de gemeenschap met Hem, Wiens gunst meer sterkt dan de uitgezochtste spijze. Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont.
Welk eene genade, welk een onuitsprekelijk genot, in de weldaad van dat verborgen leven met God te deelen! Dat leven verwierf Christus door Zijn lijden en sterven. Hij overwon den dood. Dat leven werkt de Heilige Geest in u, want het is de Geest, die levend maakt. Dat leven heeft zijn strijd, maar ook zijn genietingen. Dat leven zal eens in volle heerlijkheid en zaligheid aanschouwd en genoten worden, als het verderfelijke on verderfelijkheid en het sterfelijke onsterfelijkheid zal hebben aangedaan. Dan zal geen opwekking, geen vermaning, geen bemoediging of vertroosting meer noodig zijn. Hier kennen we ten deele, maar dan zullen we kennen gelijk ook wij gekend zijn. Nog maar een weinig tijds, reizigers naar het beloofde land! dan zijt ge aan het eind uwer woestijnreis. Dan legt ge uw bestoven reisgewaad af, om in koninklijk sieraad voor des Konings aangezicht te verschijnen, daar waar geen nacht meer zijn zal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1901

De Wekker | 4 Pagina's

Gestorven zijn en leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1901

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken