Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christus de goede Herder (I)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Christus de goede Herder (I)

11 minuten leestijd

„Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen en worde van de Mijnen gekend.” Johs. 10 : 14.

Het is een bekend en zeer liefelijk zinnebeeld waar de Zaligmaker zich van bedient, als de Heere zich in dit hoofdstuk herhaalde malen den Herder, en met nadruk den goeden Herder van Zijne schapen noemt. We vinden deze beeldspraak zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. David noemt reeds in den 23sten psalm den Heere zijnen Herder. In psalm 80 wordt de Heere de Herder Israëls genoemd. Jesaja, in zijn Messiaansche voorzeggingen, profeteert dat Christus als een Herder Zijne kudde zal weiden.
Bij Ezechiël en elders komen ook meermalen de overheden des volks onder deze benaming voor. Tegenover de profetie van de kwade en ontrouwe herders (Ezechiël 34) belooft de Heere Zijn erfdeel een eenigen Herder te zullen verwekken, die des Heeren schapen zal weiden. Farizeën, Schriftgeleerden, geheel het Sanhedrin der Joden, waren, gelijk de geschiedenis leert, ten tijde van Jezus’ omwandeling op aarde valsche herders. Zij maakten Gods geboden krachteloos door hunne willekeurige inzettingen, die geboden van menschen waren. Zij legden den menschen lasten op, zwaar om te dragen, zonder deze met den vinger aan te roeren. En toen de door God beloofde Herder, in den Zoon Zijns welbehagens, als de waarachtige God en het eeuwige leven, was verschenen in de menschelijke natuur, als de beloofde Davids-Spruit, geloofde men niet in Hem. Smaad, hoon, laster, miskenning was het deel van Gods Zoon op aarde. Treffend is hiertegenover de tegenstelling, en als een schoon nachtegaalslied klinken de woorden des Heeren ons in de ooren, als Hij zegt: „Ik ben de goede Herder.”
Een Herder is Jezus in geheel eenigen zin van het woord. Een Herder in wien al de eigenschappen aanwezig zijn, welke in een goeden Herder worden vereischt. Van menschen zou, in vergelijking met anderen, nog kunnen gezegd worden dat zij goede herders zijn, maar op de lippen van niet één kind van Adam zou voegen, wat de Zaligmaker hier omtrent Zijn eigen persoon getuigt: „Ik ben de goede Herder”. Dit getuigenis duldt geen critiek. Het is niet afkomstig van menschen, het is ook niet afhankelijk van de beoordeeling der menschen, want het is de getuigenis van Hem die de Waarheid is. De goede Herder heeft Zijne schapen lief, Hij draagt er zorg voor, waakt er over bij dage en bij nachte, en als gevaar dreigt, stelt de goede Herder Zijn leven voor de schapen.
Profeten, priesters en koningen hebben oudtijds als typen Christus afgebeeld. Maar de uitnemendste voorbeelden waren nog slechts schaduwen van Hem, die het Licht der wereld is. Gaat een goeden herder het belang zijner schapen steeds ter harte, wie kan meer liefde hebben dan Hij, die om anderen te redden, zichzelven vrijwillig heeft overgegeven tot in den dood, ja tot in den dood des kruises? Goed kan de Heere zich noemen, in tegenstelling met alles wat kwaad is, want Hij is rein, heilig en zonder zonde. Goed daarenboven is Christus ten opzichte van anderen, aan wie Hij gunst en weldadigheid bewijst. Geheel het leven, de openbaring, de werkzaamheid van den Heere Jezus heeft hieraan beantwoord. Wat Hij anderen leerde, bracht Hij voor zichzelven in praktijk. Zijne vijanden had Hij lief. Toen Hij gescholden werd, schold Hij niet weer. Menschen voor wie de wereld geen woord en geen plaats meer had, voor die had Christus Zijn bloed nog over. Lijdenden en kranken worden door Hem genezen, treurigen worden door Hem getroost. Verdrukten vinden in Hem hun Beschermer, onwetenden is Hij tot Wegwijzer. Naakten worden door Hem gekleed, hongerigen gevoed en wat het grootste van alles is: zondaars en zondaressen, verlegen met hun schuld, bekommerd van wege hunne zonden, dorstend naar gerechtigheid, spreekt Hij van schuld en zonden vrij, met te zeggen: „uwe zonden zijn u vergeven”. Daartoe kwam Hij in de wereld, om het verlorene te zoeken, om het afgedrevene nabij te brengen, om den blinden het gezicht, den dooven het gehoor te geven, en om den armen het evangelie te verkondigen. En als de haat en de boosheid der menschen tegen Hem zich openbaart, als het ongeloof smaadt en lastert, als de vijandschap op allerlei wijze zich tegen Hem uit, moeten allen verstommen op de vraag, welke de majesteit van Christus teekent: Wie van ulieden overtuigt Mij van zonde? Wacht Gods Zoon ten laatste een bittere kruisweg, een kroon van doornen door menschenhand gevlochten, een smartelijke, smadelijke en vervloekte kruisdood, dan blijft de goede Herder getrouw tot in den dood. Bewust van Zijn Middelaarstaak, zoowel als van Zijn Middelaarseere, gaat de Man van smarten Zijn lijdensweg om te sterven, met de bede voor Zijne vijanden op de lippen: „Vader! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”. Dat is goed zijn in geheel eenigen zin, als Christus metterdaad bewijst, uit vrije liefde en ontferming zichzelven over te geven tot in den dood. Als Hij, gelijk een Paulus getuigt, om de vreugde Hem voorgesteld, het kruis verdraagt en de schande veracht.
Met de liefde van Christus, als de liefde van den goeden Herder, is geen liefde van menschen te vergelijken. Niet alleen is onze liefde, op zijn best genomen, nog hoogst gebrekkig, maar daarenboven is onze liefde nooit een vrije liefde. Van de geloovigenschrijft Johannes: „Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad”. De liefde van Christus is een vrije, een eeuwige liefde, een liefde welke de kennis te boven gaat. Daarin is geen baatzuchtigheid, geen nevenbedoeling, geen voorwaarde. Menschen kunnen veel en lang en schoon over de liefde spreken, doch als het op daden der liefde aankomt, ziet ge veelal daar te vergeefs naar uit.
Noemt Christus zichzelven den goeden Herder, Hij heeft daar volkomen het recht toe. In Zijn herdersambt, in Zijn herderlijke bediening wordt het onwederlegbaar bewezen, dat Hij waarlijk goed is. Immers Christus is de Herder Zijner schapen. Die schapen zijn menschen, menschen met vele gebreken en zwakheden. Wat al geduld en lijdzaamheid wordt met het oog daarop in den Herder vereischt, zal in waarheid het goede voor de schapen worden gezocht, zal met volharding de trouw van den Herder tegenover de ontrouw van zooveel dwaalzieke schapen blijken. Als wij eene groote kudde schapen bij elkander zien, is daaronder de grootste verscheidenheid op te merken. Er zijn oude en jonge, sterke en zwakke schapen. Er kunnen ook zieke, zwakke en zoogende schapen, ook lammeren onder de kudde zijn. Van den aartsvader Jakob lezen we, dat hij optrekkende met zijne kudde van de ééne plaats naar de andere, zich schikte naar den gang van ’t werk. Van den beloofden Messias voorspelde Jesaja: „Hij zal de lammeren in Zijne armen vergaderen en in Zijnen schoot dragen; de zoogenden zal Hij zachtkens leiden”. Welk eene bijzondere zorg en liefde wordt hiermede aangeduid van dezen Herder. En hoe heeft de Heere Jezus tijdens Zijne omwandeling op aarde hier volkomen aan beantwoord. Hoe heeft Hij steeds, overeenkomstig het doel van Zijn komst op aarde, het verlorene gezocht, het gebrokene verbonden, het kranke genezen, het zwakke gesterkt. Voor Zijne schapen heeft de Heere zich in de bres gesteld. Hoe hartroerend is de taal waarmede Jesaja van Hem getuigt, als de profeet zegt: „wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg, doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen. Als dezelve geëischt werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijnen mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed Hij Zijnen mond niet open”.
Andere herders zijn niet altijd in staat of bij machte om hun kudde tegen allerlei roofgedierte te beveiligen. Den besten en meest trouwen herder kan het gebeuren, dat een roover een schaap van de kudde steelt, of dat een verscheurend dier op het onverwachts in de kudde valt en groote schade veroorzaakt. Christus daarentegen is de alwetende en de almachtige Herder, wien nooit eenig schaap zal of kan ontroofd worden. Het is Zijn eigen woord en belofte: „Niemand zal ze uit Mijne hand rukken”. Hebben Zijne schapen vele en velerlei behoeften, de goede Herder kan niet alleen, maar Hij wil en zal in al die behoeften voorzien. Gelijk Hij het gekrookte riet niet verbreekt en de rookende vlaswiek niet uitbluscht, zoo is Jezus altijd werkzaam, ook nu nog bij den voortgang, om door Zijn Woord en Geest Zijne kudde te verzamelen, te verzorgen en wel te doen. Verhoogd aan de rechterhand des Vaders leeft Hij eeuwiglijk om voor Zijne arme schapen te bidden.
Beloerd, belaagd, bedreigd van alle zijden, roept de Heere tot hunne bemoediging en vertroosting den Zijnen toe: „Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is des Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven”. Liefde van menschen kan verflauwen, macht van menschen kan verminderen, maar Christus liefde is een eeuwige liefde en Zijne macht is onveranderlijk. Gisteren, heden, in der eeuwigheid is Hij dezelfde. Wie tot Zijne schaapskudde behoort, is immer veilig. Wie in Zijne bescherming deelt, heeft niets te vreezen. Wie door Hem wordt verzorgd, zal in eeuwigheid geen gebrek hebben.
Bekend is het, dat schapen dwaalzieke dieren zijn. Ook Jezus’ schapen zijn gedurig tot dwalen geneigd. Niet slechts past op hunne lippen: „Heere! ik ben tot hinken en tot zinken elk oogenblik gereed”, maar hoe menigeen moet daarenboven met een der heiligen uit de oudheid voor God belijden: „ik heb gedwaald, als een verloren schaap”. Toch kan dit alles den goeden Herder niet weerhouden, Zijne schapen lief te hebben en er het goede voor te zoeken. Alle wegen en middelen staan Hem ten dienste om dwalenden terecht te brengen. Met innerlijke barmhartigheid openbaart de Heere steeds al de eigenschappen te bezitten, waardoor Hij waarlijk als de goede Herder door al de Zijnen wordt erkend.
Daarom is de wetenschap, dat Jezus de goede Herder is, van zulk eene onschatbare waarde. Die wetenschap is den Heidenen onbekend. Die wetenschap danken we aan de goddelijke openbaring ons in het Woord des evangelies geschonken. Die wetenschap alleen, hoe onmisbaar en noodzakelijk ook, is op zichzelf genomen niet genoeg. Neen, duizenden deelen in deze weldaad, naardien zij de Heilige Schrift bezitten en daarenboven gedurig daarin onderwezen worden, zonder evenwel eenig bewijs te geven dat zij daarvan de gewenschte vrucht genieten. De vraag is voor ieder mensch, die in deze weldaden deelt: waar blijft ge met dit alles? wat werkt het bij u uit? Als iemand u waarschuwt dat ge een verkeerden weg gaat en daardoor gevaar loopt om te komen, en ge gaat desniettegenstaande op den ingeslagen weg voort, dan hebt gij het ergste te vreezen. Als ge honger hebt en iemand biedt u brood aan, en gij wijst dit af, dan zult ge ten laatste van honger moeten sterven. Christus is de goede Herder, maar wat baat u dit, als ge niet tot Zijne schapen behoort? Hiervan bewust en door Gods genade volkomen zeker te zijn, dat is het, wat noodig is om getroost te kunnen leven en sterven. Vandaar de vraag, bij ieder die aan zijn ellendestaat door den Heiligen Geest wordt ontdekt: hoe zal, hoe kan ik een schaap van Jezus worden ? Daar gaat de begeerte en de behoefte van alle oprecht heilzoekende zielen naar uit. Die weldaad te bezitten, doet u gelijk zijn aan den koopman die schoone paarlen zocht, en die een parel van groote waarde gevonden hebbende, dezen, door alles te verkoopen wat hij bezat, in eigendom verkreeg.
Niet om eenige waardigheid in den mensch, maar uit vrije en eeuwige ontferming neemt Christus zondaren aan. Zondaren, die door de trekkende genade des Vaders komen tot den Zoon. Van deze getuigt de Heere: die tot Mij komt, zal Ik niet uitwerpen. Neen, hoe onwaardig, hoe schuldig, hoe onrein ook, ellendigen wil Hij steeds gadeslaan. Die rijk zijn in eigen oogen zendt Christus ledig weg, maar de armen vervult Hij met goederen. Zalig, driewerf en duizendwerf zalig, die als Zijn schaap onder Zijn herdersstaf mag grazen in de vette landouwe, waar de goede Herder Zijne kudde weidt!

„Hij is, al treft u ’t felst verdriet,
Uw Wachter, die uw voet
Voor wankelen behoedt.
Hij, Isrels Wachter sluimert niet,
Geen kwaad zal u genaken,
De Heer zal u bewaken”.

(Slot volgt.)

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1902

De Wekker | 4 Pagina's

Christus de goede Herder (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1902

De Wekker | 4 Pagina's