Christus de goede Herder (II)
„Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen en worde van de Mijnen gekend.” Johs. 10 : 14.
Christus zegt niet alleen, dat Hij de goede Herder is, maar wat nog meer zegt: Hij bewijst zulks op onwederlegbare wijze. Onmiddellijk aan ’t voorgaande verbonden, laat de Heere hierop volgen: „en Ik ken de Mijnen en worde van de Mijnen gekend”. Kennis is een voorname eigenschap in een goeden herder vereischt. Onder menschen zegt men wel eens: „alle dingen moeten geleerd worden”. Wie geen kennis bezit van vee, mag meenen wel zonder die kennis herder te kunnen zijn, maar die beter weet, zal geheel anders oordeelen. Met nadruk noemt Christus Zijne schapen de Zijnen. Zij zijn Zijn bijzonder eigendom, én door gifte én door kooping.
Door gifte, want zij worden genoemd de gegevenen des Vaders. De Heere verklaart zelf in Joh. 17, dat de Vader ze Hem gegeven heeft. Trouwens daar spreekt de profetie reeds van. Dat was op de vrijwillige aanbieding van den Zoon in den raad des vredes, de belofte des Vaders: „Eisch van Mij, en Ik zal de Heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uwe bezitting”. Naar Jesaja’s profetie zou Hij een deel hebben van velen en zou Hij de machtigen als een roof deelen. Dat zou het loon zijn op Zijnen arbeid, en het arbeidsloon dat voor Zijn aangezicht was. Aan die schenking gaat kooping vooraf, nl. in het goddelijk raadsplan der verlossing. Wat de Borg des Verbonds van eeuwigheid op Zich nam, werd in de volheid des tijds door Hem uitgevoerd. Het woord door Zacharia voorspeld kwam in vervulling: „Zwaard! ontwaak tegen mijnen herder, en tegen den man die mijn metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen”. Met Zijn bloed heeft Christus Zijne gemeente gekocht. Daaraan gedachtig schrijft Paulus aan de gemeente te Corinthe: „Gij zijt duur gekocht.” Onuitputtelijk diep is de gedachte, door Petrus omschreven met te zeggen: „Wetende, dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt lam”.
Ik ken de Mijnen, zegt de Heere, en wie gevoelt niet, hoe hier op dat „de Mijnen” een bijzondere klemtoon past. Wat als zoodanig Christus eigendom is, heeft ieder te eerbiedigen. Christus Zijn eigendom te betwisten is een vreeselijk kwaad. Zijne schapen behooren Hem, Hem alleen toe. Zij zijn Zijn wettig eigendom.
Ik ken de Mijnen. Christus kent niet gelijk een mensch kent. De mensch komt middellijkerwijs tot kennis, en dan is die kennis altijd nog onvolkomen en hoogst gebrekkig. Christus kent als de goede Herder Zijne schapen volkomen. Hij die niet alleen waarlijk mensch, maar ook waarachtig God is, weet wat in den mensch is. Hij kent Zijne schapen bij name. Hij kent de Zijnen van den eerste tot den laatste. Hij kent de behoeften en al de zwakheden Zijner schapen. Die kennis waarmede de goede Herder Zijne schapen kent, is eene kennis van liefde en welbehagen. Lang voordat de schapen den Herder kennen, heelt de Herder Zijne schapen gekend. Waar zij zich ook bevinden, nooit zijn zij voor Hem verborgen. Zijne oogen doorloopen de gansche aarde.
Omdat Christus de Zijnen kent, kan Hij, wien het nooit aan macht noch liefde ontbreekt, in al de behoeften Zijner schapen voorzien. Als de vijand op Zijne kudde loert, als booze machten saamspannen om de kudde van Jezus te verwoesten, dan is Zijn waakzaam oog, dan is Zijn goddelijke kracht, dan is Zijn eeuwige en onveranderlijke liefde waarborg, dat niet één schaap Zijner kudde zal omkomen. Schijnt het voor een oogenblik soms, dat de Herder zich aan Zijne kudde onttrekt, of dat één Zijner schapen door Hem wordt vergeten, dan zal later blijken, dat eer hemel en aarde vergaan, dan dat de Heere de Zijnen zou vergeten. Dit wel te verstaan en met geheel zijn hart te gelooven dat Jezus de Zijnen kent, is dan ook een rijke en volkomen genoegzame troost in en onder al de beproevingen van het tegenwoordige leven. Menschen kunnen u vergeten en verlaten, menschen kunnen onbekend zijn met uw leed en uw lijden, maar des Heeren Woord en belofte zegt en verzekert ons, dat Christus de Heere de Zijnen niet begeven noch verlaten zal. Opziende tot Hem in uw druk en ellende, vluchtend tot Hem met al uw nood, zult ge ervaren de waarheid van Zijn eigen getuigenis: Ik ken de Mijnen. Daaraan dankt dan ook ieder schaap van den goeden Herder zijn redding, bewaring en behoudenis.
Een schaap is een weerloos dier, en ook Jezus’ schapen zijn in zichzelve aangemerkt, machteloos tegenover al het kwaad, dat gedurig van alle zijden dreigt. Ziende op eigen zwakheid en volstrekte afhankelijkheid, zou er dan ook steeds oorzaak zijn om te vreezen. Want wie zou tegenover al die gevaren, tegenover al die macht der vijanden kunnen bestaan? Zien de schapen echter op hun Herder en op Zijn macht, liefde, trouw en belofte, dan geen nood. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Kent nu Christus Zijne schapen, ook Zijne schapen kennen Hem. De Heere zegt het zelf: en Ik word van de Mijnen gekend. In die kennis zijn verschillende graden, gelijk er onderscheid is tusschen de kennis van een kind en die van een volwassene. Doch hoe ook onderscheiden, geen schaap is zonder kennis. Juist de kennis van Christus wordt in de Heilige Schrift als een der voornaamste kenmerken genoemd van hen die Hem toebehooren. De oprechten hebben Hem lief, en zij zouden Hem niet kunnen liefhebben, zoo zij Hem niet kenden. Petrus schrijft aan de geloovigen: „U die gelooft, is Hij dierbaar.” En gelijk er geen liefde kan zijn zonder kennis, zoo is ook geloot zonder kennis onmogelijk. De kennis waarmede de geloovigen Christus kennen, is een onderscheiden kennis. Een kennis waardoor de schapen den goeden Herder, als hun Herder, van alle huurlingen weten te onderscheiden. Daarom volgen ook de schapen den Herder, overmits zij Zijne stem kennen. De kennis van Christus, hier als eene eigenschap Zijner schapen genoemd, is niet maar eene natuurgave, of iets wat door eigen kracht en oefening verkregen wordt, maar eene bijzondere genade Gods, door den Heiligen Geest gewerkt. Genade is geen erfgoed. Kennis van Christus is, gelijk het hier bedoeld wordt, wat anders als louter historische kennis. De geschiedenis heeft geleerd: de menschen konden Jezus zien, hooren, en getuigen zijn van Zijne wonderwerken, zonder nog te bezitten en zonder nog te komen tot de kennis, welke haar bezitters het leven geeft.
Men kan daarom de kennis van Christus onderscheiden, gelijk een voornaam godgeleerde doet, in levende en doode kennis, of, wat meer algemeen bekend is, in algemeene en bijzondere, of in historische en zaligmakende kennis. De wijze waarop Jezus’ schapen Hem als den goeden Herder kennen, wordt kenbaar in de beproeving. Elke munt heeft een stempel, waardoor die van alle valsche munt onderscheiden is. Levende bloemen, hoe ook nagemaakt, blijven altijd van kunstbloemen onderscheiden. Valsch geloof kan veel op waar geloof gelijken, en doode kennis kan door velerlei hulpmiddelen het zoover brengen als het zaad dat op steenachtige aarde is gezaaid. Dat zaad kan opschieten en bij de eerste openbaring niet te onderscheiden zijn van het zaad dat in goede aarde is gevallen, maar als de teedere plant felle zonnehitte moet verdragen, is dit alleen dán mogelijk, als er genoeg diepte van aarde is. Door doode kennis voor levende kennis, valsch geloof voor waar en oprecht geloof aan te zien, heeft menige treurige en smartvolle teleurstelling plaats. Zoo velen die men korter of langer voor schapen van den goeden Herder had aangezien, worden dan op eens of langzamerhand openbaar als groote vijanden, die, als Judas Iskarioth, den Zoon des menschen verraden met een kus. En wie zal zeggen, hoe groot het getal is van menschen, die door ongeloof, onkunde en zelfverblinding met een leugen in hun rechterhand verloren gaan? Menschen, die, omdat ze eenige historische kennis bezitten, zoo iets van de bevinding van anderen zich hebben aangematigd, voor het uiterlijke vroom en godsdienstig zijn, nu inderdaad meenen genoeg te hebben voor de eeuwigheid.
Christus zegt: „en Ik word van de Mijnen gekend”. De Heere zegt er niet bij wanneer. Dus: onbepaald, dat wil zeggen: altijd gekend, in elk opzicht gekend. Zoo gekend, dat men zich niet schaamt, maar met daden toont Jezus te kennen. Paulus schaamde zich het evangelie van Christus niet. Een schaap van Jezus kent den goeden Herder, zoowel in Zijn diepste vernedering als in Zijn meest luisterlijke verhooging. De Joden wilden Jezus wel als den Messias erkennen, als Hij maar een kroon door menschenhanden gemaakt wilde aanvaarden en met aardsche grootheid en glorie zich openbaren. Maar om den Profeet uit Nazareth te volgen, die als mensch armer was dan de vogelen des hemels en dan de vossen der aarde en nochtans meer was dan Salomo, was wat anders noodig dan naar het vleesch uit Abraham geboren te zijn. Omdat Jezus’ schapen Hem kennen, in waarheid kennen, moet het in alles uitkomen, dat die kennis een kennis in liefde is. Als er een kind en een knecht van u bij u staat, kent ge beide, maar welk een verschil! Al zijt ge tegenover den knecht al wat ge maar zijn kunt, dan kunt ge toch voor dien knecht onmogelijk gevoelen wat ge voor uw eigen kind gevoelt.
Geen wonder dan ook dat de schapen wel hun eigen Herder, maar niet een vreemde volgen. Hoe vreemden ook lokken en trekken, de schapen begeeren geen anderen Herder. Al zijn en al worden ze somtijds door den Herder minder vriendelijk aangezien en toegesproken, al worden ze zelfs bij oogenblikken getuchtigd, toch scheiden ze van den goeden Herder niet. Als Jezus vraagt: wilt gijlieden ook niet weggaan? dan hebben, dan geven zij een antwoord, waarin hun echt schapenhart te aanschouwen wordt gegeven. Heere! zeggen ze dan, tot wien zullen wij henengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Anderen daarentegen, die wel op schapen gelijken, maar geen schapen van Jezus zijn, blijven niet bij den goeden Herder, al is het ook, dat zij voor een oogenblik zich onder Zijne kudde begeven.
Jezus in waarheid te kennen als den goeden Herder, zegt niets minder dan de genade des geloofs te bezitten, en wedergeboren te zijn door den Heiligen Geest. De vrucht van dat genadewerk des Heiligen Geestes openbaart zich in de kennis van Christus. Die kennis gaat gepaard met geloofsvereeniging. En uit kracht dier geloofsvereeniging met Christus volgt, dat de schapen die Jezus eigen zijn. Hem getrouw blijven. Niet in dien zin alsof zij niet gedurig van ontrouw zijn te beschuldigen en wegens ontrouw zichzelve moeten veroordeelen. Daaraan ontkomt zelfs de beste, de uitnemendste niet. De allerheiligste heeft nog maar een klein beginsel van volmaakte gehoorzaamheid. Maar hoe dit zij, Christus’ schapen kunnen vallen, maar zullen weder opstaan. Zij kunnen dwalen, maar de goede Herder brengt de Zijnen terecht.
Van welk een onschatbare waarde de kennis van Christus is, kan naar waarde nooit worden omschreven. Zonder Christus is de mensch nergens veilig. Al de ellende van den onbekeerden mensch is in die twee woorden „zonder Christus” saam te vatten. Hem te kennen, door het geloof aan Hem verbonden, zich voor tijd en eeuwigheid Hem toe te vertrouwen, doet over dood en graf henenzien, gedachtig aan de woorden des Heeren: „die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1902
De Wekker | 4 Pagina's