Bekijk het origineel

Kerk en Staat 41

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kerk en Staat 41

6 minuten leestijd

XLI.
Ons dierbaar vaderland wordt verteerd door den vloek van het partijwezen. Bij ieder wetsvoorstel van ingrijpende beteekenis treedt dit op de meest droeve wijze in het licht. Onze Tweede en Eerste Kamers wordt dan herschapen in een tournooiveld, waarop schitterende rethorische steekspelen gehouden worden en waar hij het meest wordt gevierd, die het best kan praten en de zaak van zijn partij kan verdedigen.
Dit is duidelijk gebleken bij de debatten in onze staten-Generaal over dit wetsontwerp gevoerd.
Wat er eigenlijk totaal niet bij te pas kwam, daarover heeft men ellenlange redevoeriugen gehouden. Men is in de discussie afgedoold tot bij de theorie van Kuenen over den pentateuch, ja men heeft zelfs de kwestie aangevoerd: Mozes of Hammurabi.
En wat moest onderzocht worden, heeft men totaal voorbij gezien. Wat moest worden gezegd, heeft men ten eenenmale vergeten. Als partijwet is deze voordracht ontvangen, als partijwet is zij in onze Staten-Generaal verworpen, als partijdaad is nu de Eerste Kamer om haar ontbonden en als partijwet zal zij straks andermaal weer bij de Tweede Kamer worden ingediend en misschien zullen wij dan voor de tweede maal getuige zijn van een „theologisch tournooi”. Nu ontveinzen wij het niet: niemand dan de minister zelve draagt daarvan de meeste schuld en wel om twee redenen. Eerstens bestond er niet de mitste noodzakelijkheid om thans dit wetsontwerp in te dienen, waarvoor zijn universiteit de effectus civilis, dat is de bevoegdheid om door de wet erkende graden te verleenen, verkreeg.
Van zooveel gewicht is thans deze Universiteit in ons volksleven nog niet, dat hiermede bizonderen haast te maken was, gelijk de minister deed. Wat zij in de toekomst worden kan, weten wij niet, maar dit weten wij, dat zij thans wel den naam van Universiteit draagt, maar het wezen nog niet dan zeer gebrekkig vertoont.
Daar was veel meer haast om een einde te maken aan de „maatschappelijke misstanden” en om paal en perk te stellen aan de sociale orechtvaardigheid, gelijk die beiden door den minister zoo naar waarheid zijn geteekend in zijn: „De Christen en de sociale nooden” en „Het sociale vraagstuk en de Christelijke religie”. Maar die „maatschappelijke misstanden” schijnen thans den minister niet zoo zwaar meer te drukken als weleer, en de „sociale onrechtvaardigheid” wordt blijkbaar niet meer zoo diep door hem gevoeld als toen hij nog hoogleeraar aan de universiteit was.
Althans zijn ministerieele arbeid heeft zich nog volstrekt niet in deze richting bewogen. Toen, in de jaren ’90 en ’91 konden zij niet wachten, die armen, geen dag en geen nacht, maar nu is dien armen in 1901 zoo veel beloofd, maar nu wachten ze reeds dagen en maanden en hoe lang zullen ze nog moeten wachten ?
Dat heeft ons gesmart en het blijft ons smarten. Wij hadden andere verwachtingen van dit ministerie gekoesterd, andere daden er van gehoopt. Wij hadden wetten verwacht, die ten minste den stempel des onderscheids van vroegere zouden dragen, maar rondweg gezegd: wij missen juist datgene, wat het ons had beloofd en wat wij er met grond van mochten verwachten.
Maar dit niet alleen: heeft de minister niet beloofd dat hij de geheele zaak van het onderwijs, zoo wel het Hooger als Middelbaar met het Lager, bij ééne wet zoude regelen ?
Is daartoe bij Koninklijk besluit niet eene uitgebreide commissie van deskundigen benoemd, ten einde den minister in deze zoo ingewikkelde zaak van rapport en advies te dienen ?
Waarom nu, terwijl deze commissie nog arbeidende is en met hare rapporten nog op verre na niet gereed, waarom nu op eenmaal deze uitzondering voor de Vrije Universiteit ? Want men mag beweren, dat het niet rechtstreeks „de Vrije” geldt, maar hoe kan dit worden ontkend, daar immers zij alleen in de positie verkeert, dat hare graden door de wet niet worden erkend.
Waarom nu tusschentijds voor haar deze uitzondering gemaakt en bij afzonderlijke wet hare mondigheid gevraagd voor de wet.
Voor de theologische faculteit blijft het zonder invloed en zoovele litterarische en juridische examens worden er nog niet afgenomen, dat deze „effectus civilis” de ontwikkeling der Universiteit belemmerde.
Bovendien bestond immers de mogelijkheid toch zijne verworvene graden erkend te zien, door middel van een „tweede examen” bij de openbare universiteiten.
Moest dit tusschentijds indienen niet van meet af als een partijdaad worden beschouwd?
En juist dit had de minister moeten vermijden. Hoe behoorlijk het ook was, thans van zijn macht en invloed gebruik te maken, om zijne inrichting te verschaffen, wat haar van rechtswege toekomt, hij had die zelfsverloochening moeten beoefenen en de vrucht niet plukken, alvorens zij rijp was.
Want eene rijpe vrucht valt ons van zelf in den schoot en is zoet van smaak, maar een onrijpe kan alleen met een ruk worden geplukt en is bitter tusschen de tanden. Dit laatste ondervindt de minister. Wij twijfelen niet of langs dezen weg zal hij zijn doel bereiken, maar dan zal ook ten allentijde van den „effectus civilis der Vrije Universiteit” worden getuigd, dat zij met geweld genomen is.
En tweedens was het een politieke fout van den minister dat hij deze voor hem zoo belangrijke zaak invlocht in een wetsontwerp waarbij het Technisch onderwijs in ons Vaderland werd geregeerd. Waarom dit? Wat heeft de effectus civilis der Vrije Universiteit te maken met het Technisch onderwijs? En moest met het een het ander niet teloor gaan, gelijk dan ook nu met de verwerping door de Eerste Kamer is geschied.
Daarom is ons oordeel over dit wetsontwerp : dat het ontijdig door den minister is ingediend en dat hij daarvan zelve nu de bittere vruchten plukt.
Uit een oogpunt van recht komt aan de Vrije Universiteit toe, wat de overheid aan de stedelijke van Amsterdam bij hare oprichting niet heeft onthouden.
Maar hierop had men bij de debatten in onze Staten Generaal meer den nadruk moeten leggen, dat de waarborgen die de minister in dit wetsontwerp geeft, onvoldoende zijn. Wij hopen, dat bij een tweede behandeling van dit wetsontwerp in onze Tweede Kamer juist aan dit punt meer hun aandacht zullen wijden.
Recht en billijkheid eischen de mondigheid der Vrije Universiteit, maar onder geen andere waarborgen dan de wetgever voor de Universiteit onzer schoone Amstelstad heeft vastgesteld.
Ds. H. Janssen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1904

De Wekker | 4 Pagina's

Kerk en Staat 41

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1904

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken