Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nachtelijk gebed en gezang

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Nachtelijk gebed en gezang

10 minuten leestijd

„En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen, en de gevangenen hoorden naar hen”. Hand. 16:25.

Wat mag dit toch zijn? Zoo mogen zij wel gevraagd en gedacht hebben, die in dien onvergetelijken nacht binnen de muren van de gevangenis te Filippi, uit den slaap ontwaakt, getuigen werden van eene geschiedenis, gelijk daar nooit te voren had plaats gehad. Twee mannen, dienstknechten Gods des Allerhoogsten, zijn valschelijk beschuldigd, smadelijk behandeld, in de gevangenis geworpen, en volgens last van de overheid, met hunne voeten verzekerd „in den stok”. De verkondiging van den weg der zaligheid, gepaard met het uitwerpen van een waarzeggenden geest, had de heidensche haat tegen hen opgewekt. De Romeinsche geest, die geen andere leer, geen anderen godsdienst dulde, vooral niet de leer en den godsdienst van Jezus van Nazareth, alles werkte samen, om met kracht tegen deze mannen op te treden en hen onschadelijk te maken. Hierover is men het spoedig eens. Wat er verder met hun zal gebeuren, is voor later, als maar eerst dit doel is bereikt, dat die mannen achter slot en grendel zitten. Evenwel, de mensch wikt en God beschikt. Gods Raad zal bestaan, en de Heere zal al Zijn welbehagen doen. Wat menschen nooit hadden kunnen denken, dat geschiedt, zoo het de Heere wil. Al schijnt die eerste arbeid van Christus’ dienaren op Europeeschen bodem spoedig gestuit te zullen worden, de Heeren zal Zijn Naam verheerlijken, Zijne dienaren zegenen met genade en eere. En wat in de gevangenis te Filippi geschiedt, zal van zich doen spreken, tot roem van Gods vrije genade, door de geheele wereld, overal waar het evangelie gepredikt wordt.
Wat mag dat zijn? zoo vragen we andermaal, met het oog op hetgeen daar gehoord wordt ter middernacht in den binnensten kerker te Filippi. Paulus en Silas baden, zegt het antwoord in onzen tekst. Zij baden overluid, zij stortten hun hart uit voor God, zij bevalen zichzelven, met hun arbeid, voor het Koninkrijk Gods ondernomen, den Heere. Zij zochten sterkte in het gebed tot God. Van slaafsche vrees, van wanhoop, van berouw dat zij hier met hun arbeid hebben aangevangen, is geen sprake. O neen, zij zijn veel te goed er van overtuigd, dat de Heere hen hier geroepen heeft. En al weten zij niet wat verder de uitkomst van alles zal wezen, zij kunnen die veilig toevertrouwen aan hun grooten Zender, die ook in en door hen zich zal verheerlijken.
Er zijn menschen, die meenen dat bidden alleen dan goed en nuttig is als men in grooten nood verkeert. Zoo denken menschen voor wie godsdienst maar een bijzaak is.
Geheel anders is de werkelijkheid bij hen, die hun leven en hun element hebben in de gemeenschap met God. Deze leven en zijn werkzaam als een rechtgeaard kind tegenover zijnen vader. Dat kind zegt zijn vader alles, het raadpleegt en overlegt met zijn vader en laat zich leiden en raden door zijn’ vader. En wat was heerlijker en troostrijker gedachte voor Paulus en Silas, in de smart die zij leden, in den smaad hun aangedaan, in het akelig kerkerhol waar zij zich thans bevonden, dan de bewustheid, dat zij, ook hier niet verborgen waren voor de oogen van Hem, die meer dan een aardsche vader, zich ontfermt over degenen, die Hem vreezen. Daarenboven zijn zij gezanten van den Heere Jezus, die Zijn getrouwen dienaren de belofte heeft geschonken, dat het hun aan ’t noodige niet zal ontbreken. Zij zullen verdrukking hebben in de wereld, maar geen nood: Jezus heeft als der koningen Koning de wereld overwonnen.
Duidelijker bewijs voor de waarheid, dat zij niet moedeloos of wanhopend zijn, kan er dan ook niet gegeven worden, dan in hetgeen we verder lezen, dat zij niet alleen baden, maar ook Gode ter eer lofzangen aanhieven, in het midden van den nacht. Lofzangen zijn zoo geheel iets anders dan klaag- en boetzangen. Zou iemand vragen: hoe is dat mogelijk, onder zulke omstandigheden? dan antwoorden we: dat vermag alleen de genade Gods.
Daardoor leert Gods kind niet alleen staan en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods, door het geloof maakt Gods genade ook bekwaam om te roemen in de verdrukking. Zoo wordt dan de gevangenis te Filippi tot een bedehuis, waar God groot gemaakt en verheerlijkt wordt.
Eenig is de plaats en de tijd, waar en wanneer dit geschiedt; eenig de personen van wie we dit vernemen, eenig ook het publiek, dat hier als getuigen optreedt, gelijk Lucas ons dit mededeelt in de woorden: „en de gevangenen hoorden naar hen.”
Toen in de eerste helft der vorige eeuw vele godvruchtigen in ons land om des geloofswil werden vervolgd, werd een godzalig leeraar, die in de gevangenis geworpen was, door vrienden bezocht, en op de vraag hoe hij het daar had, antwoordde deze getrouwe getuige: ’t Is mij beter met God in de gevangenis, dan zonder Hem er buiten. Hetzelfde zouden op een dergelijke vraag ook Paulus en Silas hebben kunnen antwoorden.
Gebed en gezang in de donkerheid van den nacht, dat is het, waar de vijanden des Heeren niet op hebben gerekend, waarin de naam des Heeren wordt groot gemaakt, wat de toekomst ontsluiert voor de getrouwe getuigen des Heeren en waarvan we zeggen kunnen, dat het als een voorspel kan worden aangemerkt van nog grooter dingen die volgen zullen.
Juist als de vijanden des Heeren meenen hun doel bereikt te hebben, blijkt niet zelden, dat het Gods tijd om der vijanden macht te beschamen. Toen Jezus aan het kruis was genageld, scheen het dat de boosheid der menschen voor altijd had gezegevierd, en hoe spoedig werden de aanleggers van dat alles ontroerd en verlegen door te vernemen dat de Gekruiste uit het graf was opgestaan.
Wat de kunst en de wetenschap van Grieken en Romeinen ook vermocht, en wat de vijandschap tegen Christus en het evangelie kon uitdenken, maar het werk Gods keeren zal men in der eeuwigheid niet. Zwijgen moeten en zullen Paulus en Silas buiten de gevangenis, maar om in de gevangenis te heerlijker van den Christus te getuigen. Kunnen zij voor een oogenblik niet in gemeenschap met vromen den Heere dienen, hun roeping is, den armen het evangelie te verkondigen en zondaren te noodigen tot Hem in en bij Wien het eeuwige leven is. Van zulk eene heerlijkheid was de kerker te Filippi nimmer getuige geweest. Iets vreeselijks is reeds de gedachte, opgesloten te zijn in een plaats, waar alleen misdadigers worden geherbergd. En wie zal zeggen, wat al jammer en ellende als zoodanig thans in deze gevangenis is vertegenwoordigd. En toch, wat ge elders te vergeefs zoudt zoeken, dat kunt ge hier vinden, door gebeden en lofzangen wordt de Heere verheerlijkt, daar getuigt de plaats van, waar Jezus’ gezanten gesloten zitten in het blok. Zou in andere gevallen het medelijden kunnen opgewekt worden met menschen, die valsch beschuldigd zijn alsof zij oproermakers waren, met menschen, die zonder gehoord, gansch onwettig gevonnisd en daarbij smartelijk en schandelijk zijn mishandeld en wien nu, van hun vrijheid beroofd, onder de groote misdadigers een plaats gegeven is, deze mannen behoeven a en begeeren zulk medelijden niet. O neen, zij roemen door het geloof niet slechts in de hoop der heerlijkheid Gods, zij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop. En die hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in hunne harten is uitgestort door den Heiligen Geest.
De gevangenis is hun tot een tempel, door de geeselslagen hun toegebracht dragen zij de lidteekenen van den Heere Jezus in hun lichaam. Hun smaad en hun schande dragen zij met eere om Christus’ wil. En eer nog de morgen is gedaagd zal in deze zelfde gevangenis nog meer van de heerlijkheid Gods worden geopenbaard. Waar de Heere in Zijne vrijmacht vorstelijke paleizen mee voorbijgaat, daar zal de gevangenis te Filippi mede verwaardigd worden.
Gods genade zal daar worden verheerlijkt, een zondaar zal daar gered en aan Gods heilige engelen zal stof worden gegeven om zich te verblijden in de daden des Heeren. Is er in die gevangenis gezongen te midden van den nacht, ook daar buiten zal Gode lof en aanbidding worden toegebracht.
Lag de vraag voor de hand, toen Paulus en Silas als dienstknechten van den Heere Jezus in den kerker werden geworpen: Heere! waarom toch alzoo? van achteren zien we de vraag opgelost. Die beide mannen moeten in de gevangenis geworpen, opdat een gevangene van den satan zou worden vrijgemaakt.
Het geloof leert Gode lofzingen zelfs in de verdrukking, nog voordat we de uitkomst weten. En komt de Heere zich dan nader te openbaren in Zijn wondervollen raad, in Zijn ondoorgrondelijke liefde en ontferming, als de Redder Zijner gunstgenooten, dan zingt ge bij vernieuwing een nieuw gezang den Heere, den grooten God, die wonderen deed. Wie alleen de. dingen van buiten at beziet, oordeelt zoo lichtelijk verkeerd. Zoo menig kind van God, met wien de Heere, diepe wegen houdt, voor wien het leven slechts enkel nacht schijnt te zijn en wiens leven louter een gevangenisleven gelijkt, zou anders oordeelen, als hij wist, wat zoo menigmaal in de diepe en moeielijke wegen wordt geleerd en genoten. Neen zij zingen niet het meest en het hartelijkst, die in weelde en voorspoed deelen. Die om de getuigenis van Christus smaadheid en verdrukking moet ondergaan, zal op des Heeren tijd ervaren, dat het God de Heere is, die psalmen geeft in den nacht.
Hoe heerlijk schittert hier de luister van Gods genade in Paulus en Silas. Dat is beantwoorden aan hetgeen de Heere Jezus Zijnen discipelen heeft geleerd, namelijk: dat zij het zout der aarde, het licht der wereld zijn. Uit zulke voorbeelden blijkt, dat men op geen predikstoel in een net kerkgebouw behoeft te staan, om God groot te maken, en om zielen te winnen voor het Koninkrijk Gods. Daar behoeft men ook niet eens een ambtsdrager voor te zijn in de gemeente. Niet dat we dit gering achten, verre van daar. Wat we hiermee zeggen willen is alleen dit: Als ons hart met de liefde van Christus mag vervuld zijn, dan is er belangstelling in het heil van anderen, dan is er ijver, dan is er altijd en overal gelegenheid, om den Naam des Heeren te verheerlijken, ieder dan naar de mate der gaven hem van God geschonken. Het heeft ons wel eens verwonderd en tevens min gunstig doen oordeelen, menschen te ontmoeten, die naar het scheen, een sterke begeerte hadden om predikant te worden, doch van wie bij nader onderzoek bleek, dat zij nog nooit iets hadden gedaan, waaruit hun oprechte belangstelling in het heil van onsterfelijke zielen was gebleken. Het onderwijs van kinderen op Zondagsscholen trekt hen niet aan, het bezoeken van kranken en ellendigen, daar hadden ze nooit aan gedacht, verkeer met degelijke gefundeerde Christenen zochten ze niet. Zich geheel te kunnen en te mogen wijden aan den dienst en aan de belangen van Gods Koninkrijk is wat groot, ja het uitnemendste van alles, wat we op deze aarde kunnen doen, mits het beginsel in ons leeft, dat in Jezus’ dienaren Paulus en Silas was. Dan zal het ons goed zijn, waar en waartoe de Heere ons roept. Dan zijn we geharnast en gepanserd tegen al de vuistslagen des Satans, tegen den smaad der wereld, tegen de minachting van schijnvromen. Dan is Christus ons leven. En zelfs in de donkerste levensnachten leeren we, tot roem van Gods genade, een Paulus nazeggen:
„Wij vermogen alle dingen, door Christus, die ons kracht geeft.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 10 February 1905

De Wekker | 4 Pagina's

Nachtelijk gebed en gezang

Bekijk de hele uitgave van Friday 10 February 1905

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken