Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„De dood te niet gedaan.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„De dood te niet gedaan."

9 minuten leestijd

. . . die den dood heeft te niet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie. 2 Tim. 1:10.

Ge behoeft bovengenöemden tekst maar even in te zien, om er onmiddellijk van overtuigd te worden, dat de Apostel Paulus hier getuigt van eene glansrijke overwinning. Eene glansrijke overwinning, want wel verre van menschelijke kracht, schittert hier de mogendheid des des Heeren Heeren, die ook in deze overwinning Zijne Goddelijke Majesteit klaar doet aanschouwen. Ja waarlijk, de Heere is wonderlijk van raad en machtig van daad, die door Zijne Goddelijke Almacht den meest geduchten vijand verslaat. O, die vijand, die snoode vijand, die alle leven verdonkert, die alle vreugde verbant, die alle banden verbreekt, die ontzaglijk donkere schaduwen werpt op het levenspad van den mensch, die vijand was en is onoverwinbaar voor den sterveling; ja zelfs zou het onafzienbare heir der Engelen in kracht te kort schieten om dien vijand te verslaan.

Wat is dat dan voor een vijand ? Hoedanig is dan zijne macht? Wat is het gevo g van zijn werk? Een drietal vragen, die slechts kort beantwoord kunnen worden.
Die vijand, die hier genoemd wordt, is de dood. Toen de Drieëenige God Zijn wereld schiep, was er niet één vijand, ook deze niet. Zelfs toen de mensch uit de hand Zijns Scheppers het aanzijn ontving, waarde hij niet rond op de aarde. Maar daar kwam de zonde en door de zonde de dood en die dood ging tot alle menschen door. De dood was gedreigd over den mensch, indien hij ongehoorzaam zou zijn; en toen hij ongehoorzaam was geworden, kwam hij onder de heerschappij van den dood. Het is de vloek der zonde, waaronder de mensch ligt, waardoor alle waar geluk verbannen wordt.
De heerschappij en de macht van den dood is vrees ijk en onweerstaanbaar. De mensch verzet er zich tevergeefs tegen. Het is eene heerschappij, die met meer dan centenaarszwaarte drukt op alle nakomelingen van Adam. De dood kan niet worden overwonnen door geld en goed, door wijsheid en wetenschap, door listen en door lagen. Zoowel de rijke als de arme wordt door hem neergeveld; zoowel den geleerdste als den onkundigste doet hij voor zich bukken; zoowel de aanzienlijkste als de geringste is tegen zijn macht niet beveiligd. Want de dood heerscht, heerscht met ijzeren scepter over het verdorven geslacht van Adam. Hij spot met het geklaag der zondaren; hij lacht met het gesidder der volken, want hij is een koning, die niet door tranen wordt verteederd, die niet door beloften wordt omgekocht, maar met wreed geweld doorgaat om banden te breken en zijne macht te doen gevoelen. Hij gaat geen huis voorbij waar hij niet vroeg of laat zijn intrek neemt; hij sloopt den sterksten man zoowel als het meest zwakke kind. Daarom, gelooft het niet, dat hij niet zoo verschrikkelijk is. De ongeloovige philosophie heeft gedacht en gepeinsd en gestudeerd bij dage en bij nachte om het probleem van den dood op te lossen, om de verschrikking er uit weg te nemen, opdat de menschheid met minder angst en vreeze aan hem zou denken, doch gelooft het niet, indien zij den mensch toeroepen, dat na nauwkeurig onderzoek gebleken is, dat de dood niet verschrikkelijk is. De dood is en blijft ontzettend. Hij is eene ontzettende werkelijkheid. Een vreeslijk vijand, die om zich heengrijpt, terwijl de sterveling geene macht bezit om zich aan zijne omklemming te ontworstelen. Hij is een vijand, die overal slachtoffers maakt. Onnoembaar is het getal der menschen, die sints de zonde in de wereld inkwam voor den dood moesten bukken. En dat zal zoo doorgaan tot den jongs en dag. Volgens berekeningen van geleerden maakt de dood tegenwoordig in een tijdruimte van slechts een tiental jaren bijna vijfhonderd millioen slachtoffers. Van Saul werd gezongen, dat hij zijne duizenden, van David, dat hij zijne tienduizenden verslagen had, maar van den dood moet worden geklaagd, dat hij zijne duizend millioenen verslagen heeft en nog daarmede voortgaat.
Maar ge weet: daar is een drievoudige dood. Hier werd nog slechts gesproken van den natuurlijken dood, maar daar is nog de geestelijke dood, nog de eeuwige dood. Want behalve de scheiding van ziel en lichaam, is daar ook het missen van de dierbare gunste Gods reeds in dit leven en dan hiernamaals dat eeuwige straftijden in de plaats der verdoemenis. En wie, wie der menschen is er, die zulk een vijand kan verslaan!
Hij is een verschrikkelijk vijand, die ontbindt, scheidt, verdeelt, loswoelt. De gevolgen van zijne werking zijn, dat door zijne macht alles uit elkaar valt. Hij snijdt door de banden van gemeenschap ; hij woelt los de vezelen van alle bestaan en grijpt in met schennende hand in den grondslag van het bestaan van alle organisch leven. De dood gaat tegen de schepping, is een vijand van de schepping. Zijn aard is om de schepping te niet te doen. Wilt ge daarvoor bewijs, let er dan eens op, wat er met het lijk plaats heeft. Het lijk was eerst een lichaam, één geheel, waarin allerlei stoffen in en met elkander verbonden waren, welke alle te samen bij elkaar gehouden werden door het leven, dat uit de ziel het lichaam doorstroomde. Zoolang ziel en lichaam bij elkander zijn, is alles één geheel. Maar als de dood komt, dan hebt ge eerst de scheiding van ziel en lichaam, waardoor het lichaam lijk wordt. En dan nog werkt de macht des doods verder door. Dat lijk gaat tot ontbinding over. Alle deelen laten los. Het eene wordt van het andere gescheiden. Alles valt uit elkander tot ten slotte het geheele lijk verdwijnt. Zoo werkt de dood door, tot er niets meer is. Zijne macht is eene vernietigende macht. Nog eens: zou iemand der stervelingen dien dood kunnen overwinnen?

Niemand kan hem overwinnen . . . en toch ''hoe machtig ook en verschrikkelijk', daar is Eén, die den dood te niet heeft gedaan. Dat wordt ons, behalve vele andere heerlijke zaken, gepredikt door de Opstanding van Jezus Christus uit de dooden. De Zone Gods, die op aarde was gekomen, heeft den strijd met dien vijand aanvaard. Om hem te overwinnen moest de strijd met hem worden aangehouden. En dien strijd kon de Middelaar aanbinden, omdat Hij de sterke God is. Wel kon de dood Hem aangrijpen en terneerwerpen, maar, de dood kon Hem niet houden. De overwinning van den dood was dus slechts schijnbaar. En dit is wel het wondervolle toen de dood overwinnaar scheen, was het juist door hem verloren.
De Middelaar is zegepralend uit dien strijd tevoorschijn gekomen, want juist toen de dood meende Hem in zijne macht te hebben, toen verbrak de Heiland de banden en schudde Hij de ketenen af en verrees ten derden dage uit het graf. Daarom is de dood voor het volk van God een onttroonde koning. Want wèl moet ook het kind van God sterven; wèl moet het de scheiding van ziel en lichaam ondergaan, wèl zal zijn lijk tot ontbinding overgaan; maar toch, de dood kan hem niet houden. De dood is voor hem de „doorgang tot het eeuwige leven", gelijk de Catechismus zoo kernachtig uitdrukt.
Als Overwinnaar des doods brengt Christus het leven aan het licht. Leven is iets zoo onverklaarbaars. Wel weten we uit de kenmerken dat er leven bestaat en wat de eigenschappen van leven zijn, maar toch, wat leven eigenlijk is, heeft de diepste denker nog niet kunnen verklaren. Maar toch weten wij, dat de macht des levens eene saamverbindende macht is in tegenstelling van de macht des doods, die ontbindt.
De mensch is door zijn zonde en den dood gescheiden van God, die het Leven is. Hij blijft van God gescheiden, zoo God hem aan zich zelf overlaat, want niet alleen mist hij den wil, maar ook de macht om zich weer met God te vereenigen. Maar nu heeft voor alle uitverkorenen de Middelaar die macht des doods te niete gedaan, waardoor de gemeenschap en vereeniging met den Volzalige niet alleen mogelijk gemaakt is, maar ook werkelijk tot stand gebracht is en wordt. En om daar nu deel aan te hebben moet die Christus ons Hoofd zijn, in wien alle leden van zijn lichaam door Zijn levenwekkende macht saamverbonden worden met Hem zelven. Van nature staan we in den eersten Adam, die den dood over zich en ons allen ingehaald heeft, en als zoodanig zijn wij aan den drievoudigen dood in al zijne verschrikkelijkheid onderworpen. Daarom is het tot onze eeuwige zaligheid en ons eeuwig leven noodzakelijk, dat we uit den eersten in den tweeden Adam ingezet worden, want dan zal de dood ook over ons zijne macht moeten verliezen. We moeten opstaan tot een nieuw leven doch dat kan nooit, of we moeten eerst de macht van den dood overwinnen. En dat is onmogelijk, zoodat we dien Christus noodig hebben. Noodig hebben, om niet slechts voor ons, maar ook in ons den dood te overwinnen en in ons dat nieuwe, dat onverderfelijke leven te leggen.
Hoe groot is het voorrecht van allen, die kennisse kregen aan de verschrikkelijke macht des doods in hunne ziele. Daar werd het roepen geboren naar verlossing en bevrijding van die macht. Daar werd gezucht om leven, om dat onverderfelijke leven, dat door den Immanuël verworven werd. Ja, waarlijk, als de breuke tusschen 'God en den mensch niet maar slechts met den mond beleden wordt, maar we in onze ziele daarover smarte dragen, dan is er nog geen reden om te wanhopen, want Eén is er die den dood heeft overwonnen en die het leven der onverderfelijkheid aan het licht brengt"en"schenkt|aan allen die het leven in eigen hand verloren hebben. Gods volk heeft door genade dat leven ontvangen. Daar hebben zij de kenteekenen van. En hoe hetzelve soms ook bestreden wordt, de vijand kan dat leven toch niet wegnemen. Hoe komt dien Christus de eere en de dankzegging toe! Want uit liefde stierf Hij voor Zijn volk om het alzoo uit de macht van den dood te rukken. Hij verrees uit het graf om het verworven leven aan het licht te brengen en dat „door het Evangelie", waardoor Hij onder de bearbeiding van den H. Geest de Zijnen wederbaart. Hoe verschrikkeiijk echter voor allen, die nog bulten dien Christus staan, maar gelukkig, dat er nog ontkoming van den eeuwigen dood mogelijk is. Worde dat gezocht bij den aan- en bij den voortgang, want elk die in waarheid Hem zoekt, zal niet beschaamd worden. Zij of worde Hij ons leven.

R'dam (Rotterdam) J.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1905

De Wekker | 4 Pagina's

„De dood te niet gedaan.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1905

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken