Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kerk en Staat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kerk en Staat

5 minuten leestijd

Wij beloofden thans het een en ander mede te deelen uit de rede die Dr. Kuyper op den geboortedag van Bilderdijk te Amsterdam heeft uitgesproken. Deze rede is door de geheele pers, zoowel liberaal als antirevolutionair bewonderd en geprezen, ’t Is een meesterstuk van welke zijde men het ook beziet. De spreker begon, met de verklaring dat hij in deze gemengde vergadering, saamgeroepen door een comité, waarin mannen van allerlei richting plaats namen, wel zijn overtuiging niet verloochenen kon, maar toch alleen datgene in ’t licht zon trekken, wat op aller instemming rekenen kan, en daarom uitsluitend zou spreken „over Bilderdijk in zijn nationale beteekenis”.
Die nationale beteekenis zocht hij allereerst daarin, dat Bilderdijk door de verschijning van zijn machtige persoonlijkheid in een tijd van algemeene inzinking ons het geloof had herschonken aan onze nationale geestelijke virtualiteit. Dit punt zette hij voorop, omdat bij het gevaar, dat al meer de kleine staten voor hunne onafhankelijkheid bedreigt, niets sterker waarborg voor het behoud van die onafhankelijkheid biedt, dan dat een volk beteekenis voor de menschheid behoudt. Zoolang Nederland van allerwege roem blijft inoogsten ter oorzake van zijne hooge geestelijke virtualiteit, op wetenschappelijk, aesthetisch en zedelijk gebied, ligt hierin betere zekerheid dan in de toch altoos ongenoegzame bewapening. Doch dan moet er ook nationaal zelfrespect zijn en moet Nederland de incarnaties van deze geestelijke virtualiteit weten te eeren. Hierin nu schieten wij veelzins te kort.
Spreker stelde dat in het licht met een beroep op Rembrandt voor wien men noch in 1706 noch in 1806 iets had gedaan.
Standbeelden, vervolgde hij, kunt gij uitsparen, mits gij dan tenminste uw groote dichters in uw dankbare nagedachtenis als volk leven laat. Hieruit volgt echter geenzins , dat men in een man als Bilderdijk zou moeten verschoonen, wat met Gods heilige wet streed. Bilderdijks erotiek en zijn handelwijze met Odicea en zijne tweede vrouw, vereischt onverbiddelijke afkeuring; afkeuring ook zijn stelsel om beide feiten te vergoelijken. Maar het ging niet aan, om waar bij Byron en Goethe en zelfs bij Rembrandt, soortgelijke zonden te veroordeelen waren, zonder dat men daarom hunne geniale beteekenis aantastte, bij Bilderdijk wel op die zedelijke feiten, maar niet op zijne geniale uitnemendheid te zien.
De tweede nationale beteekenis lag dan ook juist daarin, dat wij met hem een onzer groote mannen meer rijk zijn, een genie te meer voor ons nationaal pantheon bezitten. Wel had men hier te lande hem scherp onder kritiek genomen, maar zelfs die scherpe kritiek moest toch eindigen met het uitnemende van zijne verschijning te eeren. En wat ook meetelt, onder zijne tijdgenooten waren het niet alleen geestverwanten, maar ook politieke en kerkelijke tegenstanders, die aan de uitnemendheid van Bilderdijk’s genie hulde hadden gebracht. Dat echte genie had Bilderdijk daardoor getoond, dat hij niet een school van nabootsing vormde zooals Cats, maar jonge mannen geinspireerd had, om in eigen toon en uit eigen inspiratie te zingen en hen zelf had opgewekt, om hem vooruit te streven en zijn record te slaan.
De derde nationale beteekenis bestaat daarin, dat Bilderdijk het destijds ons nationale leven ondermijnend atomisme hardhandig heeft aangetast, en het geloof aan determinatie, aan bepaaldheid en aan vastheid van grondbesef weer had doen opleven. De oude Calvinisten waren afgetakeld of verbeuzelden hunne kracht in letterzifterij. Dwergen voor reuzen hielden hier huis. Met de realiteit had men gebroken, en voor het organische karakter van het leven had men geen oog meer. Maar Bilderdijk riep ons volk weer tot de eenheid van al het bestaande in zijn God terug.
In de vierde plaats wees spreker op Bilderdijk’s nationale beteekenis in den moed en de waarheid, waarmede hij voor zijne heilige overtuiging geleden en gestreden heeft, en dit met eene volharding, die haar wederga zoekt. De geestkracht, die hierin uitkwam, sprak te sterker zoo men indenkt, wat Bilderdijk’s levenslot was. Soms een worm meer dan een man, die door het leven kroop, zonder opleiding en door zijn ziek been bestendig buiten allen omgang gehouden. Bijna zonder geld en zonder ambt. Zenuwziek tot het einde toe. Door partijgenooten van het professoraat geweerd. Om zijn liefde voor Oranje gebannen. Twaalf van zijn veertien kinderen naar ’t graf gedragen. Wel moet worden erkend dat Bilderdijk soms bitter was tegenover zijn tegenstanders , maar nooit mag bij de beoordeeling van dit alles uit het oog verloren worden, dat Bilderdijk zijn strijd niet tegen menschen maar tegen demonische machten voerde.
Bilderdijks vijfde aanspraak op nationale beteekenis lag in zijn dichtmaoht, en op dit punt hield de spreker een bezielend en overtuigend pleidooi voor Bilderdijk’s dichtkunst tegenover de jongeren onder onze letterkundigen, de mannen van „de Nieuwe Gids”. Volgens hen is Bilderdijk geen dichter geweest , wel eeren zij de universeele kennis waarmede deze wondermensch was begiftigd, maar als dichter was Bilderdijk geen eere waard. Schitterend werd dit door Dr. Kuiper weerlegd. Het is hier, zoo zeide hij, geen kwestie van kunstcritiek, maar een principieel verschil van levensopvatting, met daaruit voortvloeiend verschil van kunstopvatting. Hij wenschte volstrekt de beteekenis van de jongere dichtschool niet te onderschatten, en gaf toe, dat deze jongere dichters zeggen mochten: Bilderdijk was geen dichter als ik, mits hun dan geantwoord werd: En gij zijt geen dichter als Bilderdijk. Het verschil lag tusschen het atomistisch sensitivisme der jongeren en het eeren van het eeuwig schoon in God bij Bilderdijk. Voor Bilderdijk daalde het eeuwig schoone van Boven in ons gebroken leven neer, maar de jongeren kennen geen van Boven, en daarom staat hun kunst tegen die van Bilderdijk in beginsel lijnrecht over. Zij staan daarmede echter tegen over alle vroegere kunstgedachte. Bilderdijk heeft de kunstopvatting der eeuwen op zijn hand en zoo beoordeeld, blijft hij onze tweede groote dichter, de harpenaar, die weer het geloof aan beter dageraad in het mat geworden volkshart inzong.
Ds. H. Janssen
Slot volgt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 26 October 1906

De Wekker | 4 Pagina's

Kerk en Staat

Bekijk de hele uitgave van Friday 26 October 1906

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken